Milagres de Jesus
Os Evangelhos registram dezenas de milagres realizados por Jesus — curas, ressurreições, domínio sobre a natureza e libertações. Cada milagre revelava sua divindade e compaixão.
Curas de cegos e surdos
Jesus devolveu a visão aos cegos e a audição aos surdos, manifestando seu poder sobre toda enfermidade e deficiência.
Toen Jezus daarvandaan verderging, werd Hij gevolgd door twee mensen die blind waren. Ze riepen: "Heb medelijden met ons, Zoon van David!" Toen Hij thuisgekomen was, kwamen de twee bij Hem. Jezus vroeg hen: "Geloven jullie dat Ik dit kan doen?" Ze antwoordden: "Ja, Heer." Toen raakte Hij hun ogen aan en zei Hij: "Laat nu gebeuren wat jullie geloven!" Toen konden ze zien. Jezus waarschuwde hen: "Pas op, niemand mag hiervan weten." Maar zij gingen eropuit en maakten het bekend in de hele streek.
Toen ze Jericho verlieten, werd Jezus gevolgd door een grote menigte. Er zaten twee blinde mensen aan de kant van de weg. Omdat ze hadden gehoord dat Jezus voorbijkwam, riepen ze: "Heb medelijden met ons, Heer, Zoon van David!" De menigte snauwde hen toe dat ze moesten zwijgen. Maar ze riepen nog luider: "Heb medelijden met ons, Heer, Zoon van David!" Jezus hield halt, riep hen bij zich en vroeg: "Wat willen jullie dat Ik voor jullie doe?" Ze antwoordden: "Heer, we willen graag dat onze ogen worden genezen." Jezus kreeg medelijden met hen en raakte hun ogen aan. Meteen konden ze weer zien en volgden ze Hem.
Ze kwamen in Betsaïda. De mensen brachten iemand bij Jezus die blind was en ze smeekten Hem om hem aan te raken. Jezus nam de blinde man bij de hand en leidde hem het dorp uit. Daar spuwde Hij in de ogen van de man, legde hem de handen op en vroeg: "Zie je al iets?" De man probeerde te kijken en zei: "Ik zie mensen, ze zien eruit als wandelende bomen." Jezus legde zijn handen nogmaals op de ogen van de man. Nu kon hij goed zien en was hij genezen; hij zag alles duidelijk. Jezus stuurde hem naar huis en zei: "Ga zelfs het dorp niet in!"
Toen vertrok Jezus uit de omgeving van Tyrus. Via Sidon reisde Hij naar het Meer van Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis. Daar werd iemand bij Hem gebracht, die doof was en moeite had met praten. Men smeekte Jezus om zijn hand op hem te leggen. Nadat Hij hem apart had genomen, bij de menigte vandaan, stak Jezus zijn vingers in de oren van de man, spuwde Hij en raakte Hij de tong van de man aan. Toen keek Hij omhoog naar de hemel, en zuchtte diep en zei tegen hem: "Effata". Dat betekent: ga open! Meteen werkten zijn oren en tong naar behoren en sprak hij normaal. Jezus droeg hun op het aan niemand te vertellen, maar hoe meer Hij het verbood, hoe meer de mensen het bekendmaakten. Ze waren diep onder de indruk en zeiden: "Alles wat Hij heeft gedaan is goed. Hij zorgt er zelfs voor dat de doven kunnen horen en de stomme mensen kunnen spreken."
Toen kwamen ze aan in Jericho. En toen Jezus en zijn leerlingen samen met een grote menigte Jericho verlieten, zat er een blinde bedelaar aan de kant van de weg. Hij heette Bartimeüs, wat "zoon van Timeüs" betekent. Toen hij hoorde dat Jezus van Nazaret er was, begon hij luid te roepen: "Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij!" Veel mensen snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij riep nog luider: "Zoon van David, heb medelijden met mij!" Jezus hield halt en zei: "Roep hem maar." Toen riepen ze naar de blinde man: "Wees gerust en sta op, want Hij roept je." De man deed snel zijn mantel uit, sprong overeind en kwam naar Jezus toe. Jezus vroeg hem: "Wat wil je dat Ik voor je doe?" De blinde man antwoordde: "Rabboeni, ik wil graag weer zien." Jezus zei tegen hem: "Ga, je geloof heeft je genezen." De man kon meteen weer zien en kwam achter Hem aan toen Hij zijn weg vervolgde.
Toen Jezus dicht bij Jericho kwam, zat er een blinde man bij de weg te bedelen. Toen hij hoorde dat er veel mensen voorbij wandelden, vroeg hij wat er aan de hand was. Men vertelde hem dat Jezus van Nazaret voorbijkwam. Toen begon hij te roepen: "Jezus, Zoon van David, heb medelijden met mij!" De mensen die voorop wandelden, snauwden hem toe dat hij moest zwijgen, maar hij riep almaar luider: "Zoon van David, heb medelijden met mij!" Jezus hield halt en gaf opdracht, de man bij Hem te brengen. Toen hij dichterbij kwam, vroeg Jezus: "Wat wil je dat Ik voor je doe?" De man zei: "Heer, zorg dat ik weer zie." Jezus zei tegen hem: "Zie! Je geloof heeft je genezen." Op hetzelfde moment kon de man weer zien. Hij volgde Jezus en verheerlijkte God. Heel het volk zag dat en prees God.
In het voorbijgaan zag Jezus iemand die reeds vanaf zijn geboorte blind was. Zijn leerlingen vroegen Hem: "Rabbi, die man is blind geboren. Wie heeft daar schuld aan, hij of zijn ouders?" Jezus antwoordde: "Het is niet zijn schuld, noch die van zijn ouders; hij is blind geboren opdat de mensen Gods daden zouden zien. En die daden, waarvoor Hij Mij heeft gestuurd, moeten Wij doen zolang het nog licht is. Straks wordt het nacht en dan kan niemand iets doen. Zolang Ik in de wereld ben, ben Ik het licht voor de wereld." Na dat te hebben gezegd, spuwde Hij op de grond. Met het speeksel maakte Hij slijk, en Hij streek dat slijk op de ogen van de man. Toen zei Hij tegen hem: "Ga je wassen in het Badhuis van Siloam." (Siloam betekent: gezonden.) De man vertrok, waste zich en toen hij terugkwam kon hij zien.
Curas de paralíticos e enfermos
Paralíticos caminharam, leprosos ficaram limpos e todo tipo de doença foi curada pelo toque e pela palavra de Jesus.
Er was iemand met een huidziekte die hem onrein maakte. Hij kwam naar Jezus toe, knielde voor Hem en zei: "Heer, als U wil, kan U mij rein maken." Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: "Ik wil het, word rein!" De man werd meteen van zijn huidziekte genezen. Toen zei Jezus tegen hem: "Zorg dat je dit aan niemand vertelt, maar ga jezelf aan de priester tonen en breng het offer dat Mozes heeft opgelegd, bij wijze van getuigenis voor de mensen."
Enkele mensen brachten iemand bij Hem die verlamd was en op een draagbed lag. Toen Jezus zag hoeveel geloof ze hadden, zei Hij tegen de verlamde man: "Wees gerust, mijn kind, je zonden zijn je vergeven." Toen zeiden enkele van de Schriftgeleerden tegen elkaar: "Die Man lastert God." Jezus merkte wat ze dachten en zei: "Waarom denken jullie zulke slechte dingen? Wat is gemakkelijker, zeggen: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op en wandel? Maar om te zorgen dat jullie beseffen dat de Mensenzoon het gezag heeft om op aarde zonden te vergeven …" Toen zei Hij tegen de verlamde man: "Sta op, neem je draagbed op en ga naar huis." De man stond op en ging naar huis.
Daar was iemand met een verlamde hand. Om Jezus te kunnen beschuldigen, vroegen ze Hem: "Is het toegestaan om op de sabbat te genezen?" Jezus antwoordde: "Wie van jullie die een schaap heeft zou dat, als het op de sabbat in een kuil zou vallen, niet vastgrijpen en eruit halen? En een mens is toch veel meer waard dan een schaap? Daarom is het toegestaan om goed te doen op de sabbat." Vervolgens zei Hij tegen de man: "Steek je hand uit." De man stak zijn hand uit en die genas; hij was nu even gezond als de andere.
Simons schoonmoeder lag met koorts in bed en meteen vertelden ze Jezus over haar. Hij ging naar haar toe, nam haar bij de hand en hielp haar overeind. De koorts verdween en zij bediende hen.
Er kwam iemand bij Jezus met een huidziekte die hem onrein maakte. Hij smeekte Jezus op zijn knieën: "Als U wilt, kan U mij rein maken." Vol medeleven stak Hij zijn hand uit om hem aan te raken. "Ik wil het", zei Hij. "Word rein." Meteen verdween de huidziekte en was de man rein geworden.
De mensen kwamen iemand bij Hem brengen die verlamd was en door vier van hen werd gedragen. En omdat het wegens de menigte niet lukte om met hem bij Jezus te komen, maakten ze boven Hem een opening in het dak, waardoor ze de verlamde man op zijn mat naar beneden lieten zakken. Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde man: "Mijn zoon, je zonden zijn je vergeven." Nu waren daar enkele Schriftgeleerden, die heimelijk dachten: "Waarom zegt Hij dat? Dat is godslastering! Behalve God is er toch niemand die zonden kan vergeven?" Jezus had meteen door dat ze dat dachten en Hij zei tegen hen: "Waarom denken jullie deze dingen? Wat is gemakkelijker, tegen de verlamde zeggen: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op, neem je mat op en wandel? Maar, opdat jullie beseffen dat de Mensenzoon het gezag heeft om op aarde zonden te vergeven …" En Hij zei tegen de verlamde man: "Tegen jou zeg Ik: sta op, neem je mat op en ga naar huis!" De verlamde man stond op, nam meteen zijn mat op en vertrok waar iedereen bij was. Ze stonden allen versteld, verheerlijkten God en zeiden: "Zoiets hebben we nog nooit gezien!"
Jezus ging opnieuw naar de synagoge en daar was iemand met een hand die hij niet kon bewegen. De mensen keken goed of Jezus hem op de sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen beschuldigen. Maar Hij zei tegen de man met de hand die hij niet kon bewegen: "Kom in het midden staan." Toen vroeg Hij de mensen: "Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of een leven wegnemen?" Maar ze zwegen. Hij keek hen kwaad aan, ontzet over de starheid van hun hart. Vervolgens zei Hij tegen de man: "Steek de hand uit." De man stak zijn hand uit en die genas.
Op een dag, toen Jezus in een van de steden was, was er een man die volledig bedekt was met een huidziekte die hem onrein maakte. Toen hij Jezus zag, liet hij zich voor Hem neervallen en smeekte hij Hem: "Heer, als U wil, kan U mij rein maken." Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: "Ik wil het, word rein." Meteen verdween de huidziekte.
en er kwamen mannen met een verlamde op een draagbed. Ze probeerden hem naar binnen te brengen en voor Jezus neer te leggen. Maar er waren zoveel mensen, dat ze geen manier vonden om hem naar binnen te brengen. Daarom gingen ze het dak op en lieten ze hem op zijn draagberrie door een opening in het tegeldak naar beneden zakken, tot vlak voor Jezus en tussen de mensen in. Jezus zag hun geloof en zei: "Vriend, je zonden zijn je vergeven." De farizeeën en Schriftgeleerden begonnen zich af te vragen: "Wie is dit, dat Hij zo godslasterlijk spreekt? De enige die zonden kan vergeven is God!" Jezus wist wat ze dachten en vroeg hun: "Waarom denken jullie deze dingen? Wat is gemakkelijker, zeggen: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op en wandel? Maar, opdat jullie beseffen dat de Mensenzoon het gezag heeft om op aarde zonden te vergeven …" Toen zei Hij tegen de verlamde man: "Tegen jou zeg Ik: sta op, neem je draagberrie op en ga naar huis!" Op hetzelfde moment stond de man voor hun ogen op. Hij nam zijn bed op en vertrok naar huis terwijl hij God verheerlijkte.
Op een andere sabbat, toen Hij naar de synagoge ging om te onderwijzen, was daar iemand met een verlamde rechterhand. De Schriftgeleerden en de farizeeën hielden Jezus in de gaten om te zien of Hij op de sabbat zou genezen. Ze zochten namelijk iets waarvan ze Hem konden beschuldigen. Hij wist echter wat ze dachten en zei tegen de man met de verlamde hand: "Kom in het midden staan." De man kwam daar staan. Jezus zei tegen hen: "Ik zal jullie eens iets vragen. Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of het vernietigen?" Hij keek om zich heen, naar hen allen, en zei tegen de man: "Steek je hand uit." Dat deed de man en zijn hand genas.
Nadat Jezus dit alles aan het luisterende volk had verteld, ging Hij Kafarnaüm binnen. Daar was een centurio met een slaaf die veel voor hem betekende en die ernstig ziek was en op sterven lag. Toen de centurio het nieuws over Jezus hoorde, stuurde hij oudsten van het Joodse volk naar Hem toe om Hem te vragen, zijn slaaf te komen genezen. Toen die oudsten bij Jezus waren gekomen, drongen ze sterk bij Hem aan: "Hij is het waard dat U dit voor hem doet, want hij houdt van ons volk en heeft zelfs onze synagoge laten bouwen." Jezus ging met hen mee, maar toen Hij dicht bij het huis was, stuurde de centurio vrienden met de boodschap: "Heer, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat U mijn huis binnengaat. Daarom durfde ik niet zelf naar U toe te gaan, maar op uw bevel zal mijn knecht genezen. Ik ben namelijk ook iemand die onder gezag staat en zelf soldaten heeft. Als ik tegen de ene ‘ga’ zeg, dan gaat hij, en tegen een andere ‘kom’, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: ‘doe dit’, dan doet hij het." Toen Jezus dat hoorde, verbaasde Hij zich over hem. Hij draaide zich om naar de menigte die Hem volgde en zei: "Ik zeg jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden." De vrienden die de centurio had gestuurd, keerden naar het huis terug en troffen de slaaf in goede gezondheid aan.
Daar was een vrouw die al achttien jaar ziek was door een geest; ze was krom en kon haar rug in het geheel niet rechten. Toen Jezus haar zag, riep Hij haar bij zich. Hij zei tegen haar: "Mevrouw, u bent bevrijd van uw aandoening." Hij legde haar de handen op en op dat moment werd haar rug recht en ze verheerlijkte God.
Op een sabbat, toen Jezus bij een van de leiders van de farizeeën thuis was gaan eten, werd Hij nauwlettend in de gaten gehouden. Recht voor Jezus stond iemand die aan oedeem leed. Jezus reageerde door aan de Wetgeleerden en de farizeeën te vragen: "Is het toegestaan om op de sabbat te genezen? Of mag het niet?" Zij zwegen. Jezus nam de persoon bij de hand, genas hem en liet hem gaan.
Tijdens zijn reis naar Jeruzalem kwam Jezus door het grensgebied van Samaria en Galilea. Toen Hij een dorp binnenging, kwamen er tien mannen naar Hem toe met een huidziekte die hen onrein maakte. Ze bleven op enige afstand staan en riepen: "Heer Jezus, heb medelijden met ons!" Toen Jezus hen zag, zei Hij: "Ga je aan de priesters tonen." Terwijl ze nog onderweg waren, werden ze rein. Eén van hen keerde terug toen hij zag dat hij genezen was, en hij verheerlijkte God luidkeels. Hij liet zich aan Jezus' voeten neervallen om Hem te danken. Deze man was een Samaritaan. Jezus reageerde: "Er zijn toch tien mensen rein gemaakt? Waar zijn de overige negen? Is er niemand anders teruggekomen om God de eer te geven dan deze vreemdeling?" En tegen de man zei Hij: "Sta op, je mag vertrekken; je geloof heeft je genezen."
Later reisde Jezus naar Jeruzalem voor een Joods feest. Nu is er bij de Schaapspoort in Jeruzalem een badhuis met vijf zuilengalerijen; in het Aramees heet het Betzata. Daar lagen veel mensen met ernstige aandoeningen: ze waren blind, verlamd of hadden een andere handicap. Er was daar iemand die al 38 jaar aan zijn aandoening leed. Jezus zag hem liggen, wist dat hij al lange tijd aan die aandoening leed en vroeg hem: "Wil je gezond worden?" De man antwoordde: "Meneer, ik heb niemand om me het bad in te helpen wanneer het water in beweging komt. Telkens als ik ga, is een ander mij voor." Jezus zei: "Sta op, neem je mat op en wandel." De man werd meteen gezond; hij nam zijn mat op en wandelde rond. Dit gebeurde op een sabbat.
Hij kwam opnieuw in Kana in Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. Er was toen in Kapernaüm een koninklijk functionaris, van wie de zoon ernstig ziek was. Toen hij hoorde dat Jezus vanuit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en smeekte hij Hem om zijn zoon, die op sterven lag, te komen genezen. Jezus zei tegen hem: "Willen jullie dan niet geloven tenzij jullie tekenen en wonderen zien?" Maar de koninklijk functionaris antwoordde: "Heer, kom alstublieft mee, voordat mijn kind sterft." Jezus antwoordde: "Ga gerust naar huis, je zoon is gezond." De man geloofde wat Jezus tegen hem had gezegd en vertrok. Hij was nog onderweg, toen zijn dienaren hem tegemoetkwamen met het bericht dat zijn kind gezond was. Hij vroeg wanneer het kind beter was geworden. Ze antwoordden: "Gisteren om één uur 's middags is de koorts verdwenen." De vader besefte dat dit het tijdstip was waarop Jezus had gezegd: "Je zoon is gezond." Hij kwam tot geloof, en ook iedereen die bij hem in huis woonde. Dit was de tweede keer dat Jezus een wonderlijk teken verrichtte nadat Hij vanuit Judea naar Galilea was teruggekomen.
A mulher com fluxo de sangue
Uma mulher que sofria há doze anos tocou a orla do manto de Jesus e foi curada instantaneamente pela sua fé.
Er was echter een vrouw die al twaalf jaar aan bloedingen leed, en die Jezus van achteren benaderde en de kwast onderaan zijn mantel aanraakte. Ze dacht namelijk: "Als ik slechts zijn mantel aanraak, zal ik genezen." Jezus draaide zich om, zag haar en zei: "Wees gerust, mijn dochter, je geloof heeft je genezen." De vrouw werd genezen op datzelfde moment.
Er was een vrouw bij die al twaalf jaar last had van bloedingen. Ze had allerlei behandelingen van vele dokters ondergaan en had daar al haar geld aan uitgegeven, maar in plaats van beter te worden was ze verslechterd. Toen zij over Jezus hoorde, wrong ze zich tussen de mensen door en raakte ze van achteren zijn mantel aan, want ze dacht: "Als ik slechts zijn mantel aanraak, zal ik genezen." Meteen stopte het bloeden en voelde ze aan haar lichaam dat ze van haar kwaal was genezen.
Er was ook een vrouw die al twaalf jaar last had van bloedingen, en hoewel ze haar hele levensonderhoud aan dokters had uitgegeven, was er niemand die haar had kunnen genezen. Zij benaderde Jezus van achteren en raakte de kwast onderaan zijn mantel aan. Op dat moment stopte het bloeden. Jezus vroeg: "Wie heeft Mij aangeraakt?" Iedereen ontkende en Petrus zei: "Heer, de menigte staat om U heen en dringt tegen U aan!" Maar Jezus zei: "Iemand heeft Mij aangeraakt, want Ik heb gemerkt dat er kracht van Mij uitging." Toen de vrouw inzag dat ze niet onopgemerkt kon blijven, kwam ze bevend naar Hem toe en liet ze zich voor Hem neervallen. Ze verklaarde waar iedereen bij stond waarom ze Hem had aangeraakt en hoe ze op dat moment was genezen. Jezus zei tegen haar: "Mijn dochter, je geloof heeft je genezen; ga in vrede."
Ressurreições
Jesus ressuscitou mortos — a filha de Jairo, o filho da viúva de Naim e Lázaro. Ele é Senhor sobre a morte.
Terwijl Jezus deze dingen tegen hen zei, kwam een vooraanstaand man naar Jezus toe. Hij knielde voor Hem en zei: "Mijn dochter is pas gestorven. Maar kom uw hand op haar leggen; dan zal ze weer leven." Jezus stond op en ging, samen met zijn leerlingen, met de man mee.
Daarna ging Jezus het huis van de vooraanstaande man binnen. Hij zag de fluitspelers en de luid wenende menigte en zei: "Gaan jullie maar weg; het meisje is niet dood, ze slaapt alleen maar." Ze lachten Hem echter uit. Toen de menigte naar buiten was gestuurd, ging Hij naar binnen, nam haar hand vast en het meisje stond op.
toen er een synagogebestuurder aankwam die Jaïrus heette. Hij zag Jezus, viel aan zijn voeten neer, en smeekte vurig: "Mijn dochtertje is stervende. Kom haar alstublieft de handen opleggen, zodat ze zal genezen en in leven blijven!" Jezus ging met hem mee. Een grote menigte volgde Hem en drong tegen Hem aan.
Toen ze bij het huis van de synagogebestuurder waren aangekomen, zag Jezus een grote drukte. Er werd geweend en luid gejammerd. Hij ging naar binnen en zei: "Waarom deze drukte en dit geween? Het kind is niet dood, het slaapt alleen maar." Ze lachten Hem uit, maar Hij stuurde iedereen naar buiten behalve de vader en moeder van het kind en de leerlingen die Hem vergezelden. Hij ging de kamer binnen waar het kind lag, nam haar hand vast en zei tegen haar: "Talita koem." Dat betekent: "Meisje, Ik zeg je: sta op." Het meisje stond meteen op en begon te stappen. Ze was twaalf jaar oud. Men was buiten zichzelf van verbazing.
Waarmee zal Ik dit soort mensen vergelijken, waar lijken ze op? Ze zijn als kinderen die op het marktplein zitten en naar elkaar roepen: ‘Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst; we hebben een klaaglied gezongen en jullie hebben niet geweend!’ Want toen Johannes de Doper was gekomen, die geen brood at en geen wijn dronk, zeiden jullie: ‘Hij heeft een demon in zich.’ En nu de Mensenzoon is gekomen, die wel eet en drinkt, zeggen jullie: ‘Kijk, een veelvraat en een dronkaard, een vriend van belastinginners en zondaars!’ Maar de juistheid van wijsheid wordt aangetoond door allen die wijze daden doen."
Eén van de farizeeën nodigde Jezus uit voor een maaltijd bij hem thuis. Jezus ging naar het huis van die farizeeër en nam plaats aan tafel. Er was een vrouw die in die stad bekendstond als een zondares. Zij kwam te weten dat Jezus aan de maaltijd deelnam in het huis van de farizeeër en ging erheen met een albasten flesje geurige olie.
Toen kwam er iemand die Jaïrus heette en synagogebestuurder was. Hij liet zich aan Jezus' voeten neervallen en smeekte Hem, naar zijn huis te komen. Zijn enige dochter, die ongeveer twaalf jaar oud was, lag namelijk op sterven. Onderweg verdrong de mensenmassa zich rondom Jezus.
Terwijl Hij nog sprak, kwam iemand van het huishouden van de synagogebestuurder zeggen: "Uw dochtertje is gestorven, val de Leraar niet meer lastig." Toen Jezus dat hoorde, zei Hij tegen Jaïrus: "Wees niet bang, je moet enkel geloven; dan zal ze genezen." Toen Jezus bij het huis aankwam, liet Hij niet toe dat er iemand met Hem naar binnen ging, behalve Petrus, Johannes, Jakobus en de vader en moeder van het kind. Iedereen was om haar aan het wenen en treuren, maar Jezus zei: "Stop met wenen, want ze is niet dood; ze slaapt." De mensen lachten Hem uit, want ze wisten dat ze was gestorven. Maar Jezus nam haar hand vast en riep: "Kind, sta op!" Haar geest keerde naar haar terug en ze stond meteen op. Hij zei dat men haar iets te eten moest geven. Haar ouders waren buiten zichzelf van verbazing, maar Hij droeg hun op aan niemand te vertellen wat er was gebeurd.
Er was iemand ziek: Lazarus van Betanië, de woonplaats van Maria en haar zuster Marta. Dit was de Maria die de Heer met nardusolie zou zalven en die zijn voeten met haar haren zou drogen. Het was haar broer Lazarus die ziek was. De zussen stuurden iemand naar Jezus toe om te zeggen: "Heer, uw goede vriend is ziek." Toen Jezus dat hoorde, zei Hij: "Deze ziekte zal niet eindigen in de dood, maar in eer voor God: hierdoor zal de grootheid van de Zoon van God zichtbaar worden." Jezus was goed bevriend met Marta en haar zus, en met Lazarus. Nadat Hij had gehoord dat Lazarus ziek was, bleef Hij nog twee dagen waar Hij was. Daarna zei Hij tegen zijn leerlingen: "Laten we weer naar Judea gaan." De leerlingen zeiden tegen Hem: "Rabbi, de mensen in Judea hebben onlangs nog geprobeerd U te stenigen, en U wilt weer daarnaartoe?" Jezus antwoordde: "Duurt de dag geen twaalf uur? Wie overdag wandelt, struikelt niet, omdat hij ziet door het daglicht. Maar wie 's nachts wandelt, struikelt omdat hij niet over licht beschikt." Nadat Hij dat gezegd had, zei Hij tegen hen: "Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga hem wakker maken." De leerlingen zeiden tegen Hem: "Heer, als hij is ingeslapen, zal hij genezen." Jezus bedoelde dat Lazarus dood was, maar zij dachten dat Hij het had over de gewone slaap. Toen zei Jezus onomwonden tegen hen: "Lazarus is dood.
Domínio sobre a natureza
Jesus acalmou a tempestade, andou sobre as águas e multiplicou pães. A natureza obedece à voz do seu Criador.
Jezus stapte in een boot en zijn leerlingen gingen mee. Op het meer stak plots een hevige storm op, zodat de golven over de rand van de boot sloegen. Maar Jezus sliep. De leerlingen kwamen Hem wakker maken en zeiden: "Heer, red ons, we vergaan!" Jezus antwoordde: "Waarom zijn jullie bang? Wat hebben jullie weinig geloof!" Toen stond Hij op en Hij berispte de wind en het meer. Het werd heel stil. Iedereen was verbaasd en vroeg: "Wat voor iemand is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?"
Toen het avond werd, kwamen zijn leerlingen Hem zeggen: "Dit is een afgelegen plaats en het is al laat geworden. Stuur de mensen toch weg, zodat ze naar de dorpen kunnen gaan om eten voor zichzelf te kopen." Jezus antwoordde: "Ze hoeven niet weg te gaan; geven jullie hun maar te eten." Maar zij zeiden tegen Hem: "Wij hebben hier slechts vijf broden en twee vissen." Jezus zei: "Breng ze hier." Hij droeg de mensen op om plaats te nemen op het gras, nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak een zegengebed uit, brak de broden in stukken en gaf die aan zijn leerlingen. Zij gaven ze door aan de mensen, en ze aten allen totdat ze voldaan waren. De overgebleven brokken werden verzameld, wel twaalf manden vol. Het aantal mannen die hadden gegeten, dus zonder de vrouwen en kinderen te tellen, bedroeg ongeveer vijfduizend.
Tegen het einde van de nacht kwam Hij over het meer naar hen toe gewandeld.
Jezus riep zijn leerlingen bij zich en zei: "Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn al drie dagen bij Me en nu hebben ze niets te eten. Ik wil hen niet met een lege maag wegsturen, want dan zullen ze onderweg bezwijken." De leerlingen zeiden tegen Hem: "Waar in dit afgelegen gebied kan voldoende brood worden gevonden om zoveel mensen te eten te geven?" Jezus vroeg hen: "Hoeveel broden hebben jullie?" Ze zeiden: "Zeven, en enkele visjes." Hij droeg de menigte op om op de grond plaats te nemen, nam de zeven broden en de visjes, sprak een dankgebed uit, brak ze in stukken, en gaf die aan zijn leerlingen. De leerlingen gaven ze door aan de mensen. Ze aten allen tot ze voldaan waren. De overgebleven brokken werden verzameld, wel zeven korven vol. Het waren ongeveer vierduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegeteld.
Toen ze Kafarnaüm binnenkwamen, werd Petrus benaderd door de inners van de tempelbelasting, die twee drachma per man bedroeg. Ze vroegen: "Betaalt jullie Leraar geen tempelbelasting?" Petrus zei: "Toch wel!" Toen hij thuiskwam, vroeg Jezus hem, voordat hij iets kon zeggen: "Wat denk je, Simon, van wie ontvangen de koningen op aarde tolgeld of belasting, van hun eigen kinderen of van vreemdelingen?" Petrus zei: "Van de vreemdelingen." En Jezus zei: "Dan zijn de kinderen dus vrijgesteld. Maar, om te zorgen dat we die mensen niet ergeren: ga naar het meer, werp een hengel uit en neem de eerste vis die bijt. Als je zijn bek opent, zal je een muntstuk van vier drachma vinden. Geef die aan de inners van de tempelbelasting, voor jou en Mij."
's Morgens vroeg, toen ze naar Jeruzalem teruggingen, kreeg Jezus honger. Hij zag naast de weg een vijgenboom, ging ernaartoe en stelde vast dat er niets anders aan zat dan bladeren. Hij zei tegen de boom: "Van jou mogen nooit meer vruchten worden geplukt!" Onmiddellijk verdorde de boom. Zijn leerlingen zagen het en vroegen verwonderd: "Hoe kan het dat die vijgenboom onmiddellijk is verdord?" Jezus zei tegen hen: "Ik verzeker jullie, als jullie geloof hebben en niet twijfelen, zullen jullie niet alleen doen wat Ik met de vijgenboom heb gedaan, maar zelfs als jullie dan tegen deze berg zeggen: kom van je plaats en stort jezelf in zee, zal het gebeuren. En alles wat jullie vol vertrouwen vragen in het gebed, zullen jullie ontvangen."
Het begon hard te stormen en de golven sloegen in de boot, zodat die begon vol te lopen. Hij lag echter achter in de boot tegen het kussen te slapen. Ze maakten Hem wakker en vroegen: "Leraar, kan het U niet schelen dat we vergaan?" Toen Hij wakker was geworden, beval Hij de wind en het meer: "Rustig, kalmeer!" De wind ging liggen en het werd heel stil. Hij zei tegen hen: "Waarom zijn jullie zo bang? Hebben jullie geen geloof?" Maar zij waren hevig geschrokken en vroegen elkaar: "Wie is Hij toch, dat zelfs de wind en het meer Hem gehoorzamen?"
Maar toen het laat begon te worden, kwamen zijn leerlingen bij Hem en zeiden: "Dit is een afgelegen plaats en het is al laat. Stuur de mensen toch weg, zodat ze naar de gehuchten en dorpen in de omgeving kunnen gaan om voor zichzelf iets te kopen om te eten." Maar Hij antwoordde: "Geven jullie hun maar te eten." Zij vroegen Hem: "Hoe kunnen wij voor tweehonderd denarie brood gaan kopen om aan al die mensen te geven?" Jezus zei: "Ga eens kijken hoeveel broden jullie hebben." Ze gingen het na het en zeiden: "Vijf, en twee vissen." Toen droeg Hij hun op tegen de mensen te zeggen dat ze in groepen op het groene gras moesten plaatsnemen. Dus namen de mensen plaats in groepen van honderd en van vijftig. Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog, naar de hemel, sprak een zegengebed uit, brak de broden in stukken en gaf die aan zijn leerlingen om uit te delen. Ook de twee vissen verdeelde Hij onder alle mensen. Ze aten allen tot ze voldaan waren. Daarna verzamelden ze de overgebleven brokken – wel twaalf manden vol – en de overgebleven vis. Het aantal mannen dat had gegeten bedroeg vijfduizend.
Hij zag dat de leerlingen zich hard moesten inspannen om vooruit te roeien, want ze hadden de wind tegen. Tegen het einde van de nacht ging Hij hen achterna, al wandelend over het water. Toen Hij hen zou voorbijgaan, zagen ze Hem op het meer wandelen. Ze dachten dat Hij een spook was en schreeuwden het uit. Iedereen zag Hem allemaal en waren doodsbang. Meteen sprak Hij hen toe: "Wees gerust, Ik ben het. Wees niet bang." Hij stapte bij hen in de boot en de wind ging liggen. Ze waren volkomen verbijsterd,
Op een keer was er weer een grote menigte en omdat ze geen eten hadden, riep Jezus zijn leerlingen bij zich. Hij zei: "Ik heb medelijden met al die mensen, want ze zijn al drie dagen bij Me en nu hebben ze niets te eten. Als Ik hen met een lege maag wegstuur, zullen ze onderweg bezwijken, want sommigen zijn van ver gekomen." Zijn leerlingen antwoordden: "Waar in dit afgelegen gebied kan voldoende brood worden gevonden voor al deze mensen?" Jezus vroeg hen: "Hoeveel broden hebben jullie?" "Zeven", antwoordden ze. Hij droeg de menigte op om op de grond plaats te nemen. Hij nam de zeven broden, sprak een dankgebed uit, brak ze in stukken en gaf die aan zijn leerlingen om uit te delen, en zij bezorgden de stukken brood aan de mensen. Men had ook enkele visjes. Hij sprak een zegen uit en liet ook die uitdelen. De mensen aten tot ze voldaan waren. Toen werden de overgebleven brokken verzameld: zeven korven vol. Er waren ongeveer vierduizend mensen en Hij stuurde hen naar huis.
De volgende ochtend, toen ze Betanië weer verlieten, kreeg Hij honger. Hij zag in de verte een vijgenboom in blad staan en ging kijken of er iets eetbaars aan zat. Eenmaal bij de boom vond Hij alleen maar bladeren, want het was niet de juiste tijd voor vijgen. Hij zei tegen de boom: "Laat niemand ooit nog vruchten van jou eten!" Zijn leerlingen hoorden wat Hij zei.
Toen ze de volgende ochtend op de terugweg waren, zagen ze dat de vijgenboom vanaf de wortels was verdord. Petrus herinnerde zich wat er eerder was gebeurd en zei tegen Jezus: "Rabbi, kijk, de vijgenboom die U had vervloekt is verdord." Jezus antwoordde: "Geloof maar in God. Ik verzeker jullie, als iemand tegen deze berg zegt: kom van je plaats en stort jezelf in zee, en in zijn hart niet twijfelt maar gelooft dat wat hij zegt zal gebeuren, dan zal het voor hem worden gedaan. Daarom zeg Ik jullie: als je ergens om vraagt in je gebed, wat het ook is, geloof dat je het hebt ontvangen en je zal het krijgen. En wanneer je staat te bidden terwijl je iets tegen iemand hebt, vergeef het hem; dan zal je hemelse Vader ook jouw zonden vergeven."
Op een dag, toen Jezus bij het Meer van Gennesaret stond en de menigte zich rondom Hem verdrong om naar de boodschap van God te luisteren, zag Hij twee boten bij de oever liggen. De vissers waren uitgestapt om de netten te spoelen. Hij stapte in een van de boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje het meer op te varen. Hij ging zitten en onderwees de menigte vanuit de boot. Toen Hij was uitgesproken, zei Hij tegen Simon: "Vaar naar het diepe water en laat jullie netten zakken om iets te vangen." Simon antwoordde: "Heer, we hebben de hele nacht gezwoegd en niets gevangen. Maar omdat U het zegt, zal ik de netten laten zakken." Toen ze dat hadden gedaan, vingen ze zo’n grote hoeveelheid vis, dat de netten begonnen te scheuren. Ze wuifden naar de vissers in de andere boot, om duidelijk te maken dat die hen moesten komen helpen. Dat deden ze, en beide boten raakten zo vol dat ze begonnen te zinken. Toen Simon Petrus dat zag, viel hij voor Jezus op zijn knieën en zei hij: "Ga bij mij weg, Heer, want ik ben een zondig mens." Petrus en iedereen die bij hem was, waren namelijk verbijsterd over de hoeveelheid vis die ze hadden gevangen. Hetzelfde gold voor Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs die met Simon samenwerkten. Toen zei Jezus tegen Simon: "Wees niet bang. Vanaf nu zal je mensen vangen." Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Jezus.
Op een dag zei Jezus tegen zijn leerlingen: "Laten we naar de overkant van het meer varen." Ze stapten in een boot en voeren weg. Tijdens het varen viel Jezus in slaap. Er raasde een zware storm over het meer, de boot maakte water en ze raakten in gevaar. Jezus' leerlingen gingen naar Hem toe, maakten Hem wakker en riepen: "Heer, Heer, we vergaan!" Jezus werd wakker en berispte de wind en de woeste golven. De storm ging liggen en het werd stil. Jezus vroeg hun: "Waar was jullie geloof?" Bang en verwonderd zeiden ze tegen elkaar: "Wie is Hij toch, dat Hij zelfs bevelen aan de wind en het water geeft en dat die Hem gehoorzamen?"
Op een dag zei Jezus tegen zijn leerlingen: "Laten we naar de overkant van het meer varen." Ze stapten in een boot en voeren weg. Tijdens het varen viel Jezus in slaap. Er raasde een zware storm over het meer, de boot maakte water en ze raakten in gevaar. Jezus' leerlingen gingen naar Hem toe, maakten Hem wakker en riepen: "Heer, Heer, we vergaan!" Jezus werd wakker en berispte de wind en de woeste golven. De storm ging liggen en het werd stil. Jezus vroeg hun: "Waar was jullie geloof?" Bang en verwonderd zeiden ze tegen elkaar: "Wie is Hij toch, dat Hij zelfs bevelen aan de wind en het water geeft en dat die Hem gehoorzamen?"
Ze voeren naar het gebied van de Gerasenen; dat ligt tegenover Galilea.
Tijdens de late namiddag kwamen de Twaalf naar Hem toe. Ze zeiden: "Stuur de mensen toch weg, zodat ze naar de dorpen en gehuchten in de omgeving kunnen gaan om onderdak en eten te zoeken, want we zijn hier op een afgelegen plaats." Jezus zei tegen hen: "Geven jullie hun maar te eten." Zij antwoordden: "We hebben slechts vijf broden en twee vissen, tenzij we eropuit gaan om eten voor al deze mensen te kopen." Er waren ongeveer vijfduizend mannen. Jezus zei tegen zijn leerlingen: "Zeg dat ze in groepen van vijftig moeten plaatsnemen." Dat deden de leerlingen en iedereen nam plaats. Jezus nam de vijf broden en de twee vissen, keek omhoog naar de hemel, sprak een zegengebed uit, brak de broden in stukken en gaf die aan zijn leerlingen. Zij deelden ze uit aan de mensen, en ze aten allen totdat ze voldaan waren. Het overschot werd verzameld: twaalf manden vol met brokken.
Op de derde dag was er in Kana in Galilea een huwelijksfeest en Jezus' moeder was daar. Jezus en zijn leerlingen waren ook voor het huwelijksfeest uitgenodigd. Toen de wijn opraakte, zei Jezus' moeder tegen Hem: "Ze hebben geen wijn meer." Jezus antwoordde: "Wat hebben wij daarmee te maken? Mijn moment is nog niet gekomen." Zijn moeder zei tegen de mensen die opdienden: "Doe wat Hij tegen jullie zegt." Nu stonden daar zes stenen watervaten voor het joodse reinigingsritueel, elk met een inhoud van tachtig tot honderd liter. Jezus zei tegen de mensen die opdienden: "Vul die vaten met water." Ze vulden ze tot de rand. Jezus zei tegen hen: "Schep er nu wat uit en breng het naar de ceremoniemeester." Dat deden ze. De ceremoniemeester proefde van het water dat wijn was geworden. Hij wist niet waar het vandaan kwam, maar de mensen die opdienden wisten dat wel. De ceremoniemeester riep de bruidegom, en zei tegen hem: "Iedereen zet eerst de goede wijn voor, en wanneer de gasten dronken zijn, de minder goede. Maar jij hebt de goede wijn bewaard tot nu." Dit was het eerste wonderlijke teken dat Jezus verrichtte, in Kana in Galilea. Zo toonde Hij zijn grootheid – en zijn leerlingen geloofden in Hem.
Hij zei dit om Filippus op de proef te stellen, want Hij wist wat Hij van plan was. Filippus antwoordde: "Zelfs tweehonderd denarie zou onvoldoende zijn om ervoor te zorgen dat iedereen wat eten zou krijgen." Een van zijn andere leerlingen – Andreas, de broer van Simon Petrus – zei tegen Hem: "Er is hier een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat hebben we daar aan voor zoveel mensen?" Jezus zei: "Zeg tegen de mensen dat ze moeten plaatsnemen." Er was op die plaats veel gras en de mensen namen plaats. Het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend. Toen nam Jezus de broden. Hij sprak het dankgebed uit en liet aan de mensen die hadden plaatsgenomen zoveel uitdelen als ze wilden. Hetzelfde deed hij met de vissen. Toen de mensen voldoende hadden gegeten, zei Jezus tegen zijn leerlingen: "Verzamel de overgebleven brokken, zodat er niets verloren gaat." Ze verzamelden de brokken van de vijf gerstebroden die waren overgelaten door de mensen die hadden gegeten. Ze vulden er twaalf manden mee.
Toen ze ongeveer vijf of zes kilometer hadden geroeid, zagen ze Jezus over het meer wandelen. Hij kwam dicht bij de boot en ze werden bang. Maar Hij zei tegen hen: "Ik ben het. Wees niet bang." Ze wilden Hem aan boord nemen, maar de boot kwam meteen op hun plaats van bestemming aan wal.
Later vertoonde Jezus zich nogmaals aan zijn leerlingen, bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt: Simon Petrus, Tomas die Didymus wordt genoemd, Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van Jezus' leerlingen waren bijeen. Simon Petrus zei: "Ik ga vissen." De anderen zeiden: "Wij komen met je mee." Ze gingen naar de boot en stapten in, maar die nacht vingen ze niets. Toen de ochtend aanbrak, stond Jezus op de oever, maar de leerlingen beseften niet dat het Jezus was. Jezus vroeg hen: "Hebben jullie niets gevangen?" Ze antwoordden: "Nee." Hij zei tegen hen: "Werp het net uit aan de rechterkant van de boot. Dan zullen jullie wél vis vangen." Ze wierpen het net uit en toen zat er zoveel vis in dat ze het niet terug aan boord konden krijgen. Toen zei de leerling van wie Jezus veel hield tegen Petrus: "Het is de Heer." Toen Simon Petrus hoorde dat het de Heer was, trok hij zijn bovenkleed aan – want hij was nauwelijks gekleed – en sprong in het water. De andere leerlingen voeren erheen in het bootje, terwijl ze het net met de vissen meesleepten. Ze bevonden zich namelijk niet ver van de oever, op bijna honderd meter afstand. Toen ze uitstapten, de oever op, zagen ze dat daar een vuur was aangelegd. Er lag vis op en er was ook brood. Jezus zei tegen hen: "Breng wat van de vissen die jullie hebben gevangen." Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen: wel 153, en toch scheurde het niet.
Libertações
Jesus expulsou demônios com autoridade. Os espíritos impuros não resistiam à sua palavra e saíam imediatamente.
Toen Jezus Kafarnaüm binnenging, kwam er een centurio naar Hem toe. Hij smeekte Jezus: "Heer, mijn knecht ligt thuis verlamd in bed met hevige pijn." Jezus vroeg hem: "Zal Ik hem komen genezen?" De centurio antwoordde: "Heer, ik ben het niet waard dat U mijn huis binnengaat. Maar als U het bevel geeft, zal mijn knecht genezen. Want ik ben ook iemand die onder gezag staat en zelf soldaten heeft. En als ik tegen de ene zeg: ‘ga’, dan gaat hij, en tegen een andere: ‘kom’, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: ‘doe dit’, dan doet hij het." Jezus verbaasde zich over dat antwoord en zei tegen de mensen die Hem waren gevolgd: "Ik verzeker jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden! En Ik zeg jullie: er zullen veel mensen uit het oosten en het westen komen en in Gods rijk met Abraham en Isaak en Jakob aan tafel plaatsnemen. Maar de ‘onderdanen van het koninkrijk’ zullen worden buitengegooid, de verste duisternis in, en daar zal worden geweend en met de tanden geknarst." En tegen de centurio zei Jezus: "Ga maar naar huis; datgene waarvoor u het geloof heeft, zal gebeuren." Op dat moment werd de knecht van de centurio genezen.
Toen Hij aan de overkant was gekomen, in het gebied van de Gadarenen, kwamen twee bezeten mensen van tussen de graven naar Hem toe. Ze waren zo gevaarlijk dat niemand daar langs kon gaan. Ze schreeuwden tegen Hem: "Wat wilt U van ons, Zoon van God? Bent U hier gekomen om ons voortijdig te folteren?" Nu was er op enige afstand van hen een grote kudde varkens aan het grazen. De demonen smeekten Jezus: "Als U ons uitdrijft, stuur ons dan alstublieft die kudde varkens in!" Hij zei tegen hen: "Ga!" En dus kwamen ze naar buiten en drongen ze de varkens binnen. De hele kudde stormde de helling af, het meer in, en ze verdronken in het water. De varkenshoeders renden weg, naar de stad, en maakten bekend wat er allemaal was gebeurd, ook met de mensen die bezeten waren geweest. Toen kwamen alle mensen de stad uit, naar Jezus toe, en toen ze Hem zagen, smeekten ze Hem uit hun streek te vertrekken.
Nadat ze waren vertrokken, werd iemand bij Jezus gebracht die niet kon spreken omdat hij bezeten was. Toen de demon was uitgedreven, begon de man te spreken. De mensenmassa stond er versteld van en zei: "Dit is nog nooit vertoond in Israël."
Er werd iemand bij Jezus gebracht die bezeten was en niet kon zien of spreken. Jezus genas hem, zodat de man kon spreken en zien.
Jezus verliet die plaats en trok zich terug in het gebied van Tyrus en Sidon. Een Kanaänitische vrouw uit die omgeving kwam naar Hem toe en riep: "Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is ernstig bezeten!" Jezus gaf geen antwoord. Zijn leerlingen kwamen bij Hem met het verzoek: "Stuur haar toch weg; ze blijft ons maar naroepen." Jezus antwoordde: "Ik ben enkel gezonden naar de verloren schapen van het volk Israël." Maar zij kwam naar Hem toe, viel op haar knieën en vroeg: "Heer, help mij!" Jezus antwoordde: "Het is niet goed om de kinderen het brood af te nemen en dat aan de hondjes te geven." Maar zij zei: "Ja Heer, maar zelfs de hondjes eten van de kruimels die van de tafel van hun eigenaars vallen!" Jezus antwoordde: "Mevrouw, je hebt een groot geloof; moge je wens in vervulling gaan." Op dat moment was haar dochter genezen.
Toen ze bij de menigte terugkwamen, kwam er iemand naar Jezus toe. Hij knielde voor Hem en zei: "Heer, heb medelijden met mijn zoon. Hij krijgt toevallen en valt dan dikwijls in het vuur of het water, zodat hij er ellendig aan toe is. Ik heb hem bij uw leerlingen gebracht, maar zij konden hem niet genezen." Jezus antwoordde: "O, ongelovige en tegendraadse mensen, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem hier, bij Mij." Jezus sprak de demon bestraffend toe en die ging uit het kind weg; het was onmiddellijk genezen.
Op dat moment was er in hun synagoge een man in wie een onreine geest leefde. Hij schreeuwde: "Wat wilt U van ons, Jezus van Nazaret? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wie U bent: Gods Heilige!" Maar Jezus sprak hem berispend toe: "Zwijg en ga uit hem weg." De onreine geest deed de man stuiptrekken en ging met een luide schreeuw uit hem weg.
Ze kwamen aan bij de overkant van het meer, in het gebied van de Gerasenen. Zodra Jezus uit de boot stapte, kwam een man met een onreine geest van tussen de graven naar Hem toe. Hij leefde namelijk tussen die graven en niemand kon hem nog vastbinden, zelfs niet met een ketting. Hij was namelijk al vaak aan handen en voeten geketend geweest, maar had telkens de ketens en boeien kapotgetrokken en vernield. Niemand kon hem in bedwang houden. Dag en nacht was hij tussen de graven en in de bergen aan het schreeuwen en zichzelf met stenen aan het verminken. Hij zag Jezus van ver, rende op Hem af en viel voor Hem op zijn knieën, terwijl hij riep: "Waarom bemoeit U zich met mij, Jezus, Zoon van de allerhoogste God? Ik bezweer U in Gods naam: folter mij alstublieft niet!" Jezus had namelijk tegen hem gezegd: "Onreine geest, ga uit die man weg!" Toen vroeg Jezus hem: "Hoe heet jij?" Hij antwoordde: "Mijn naam is Legio, want wij zijn met velen." Hij smeekte Jezus met aandrang om hen niet uit de streek te verjagen. Nu was er op de berghelling een grote kudde varkens aan het grazen. De onreine geesten smeekten Hem: "Stuur ons alstublieft die varkens in!" Jezus stemde toe en de onreine geesten kwamen naar buiten en drongen de varkens binnen. De kudde, ongeveer tweeduizend varkens, stormde de helling af, het meer in, waar ze verdronken. De varkenshoeders renden weg en brachten verslag uit in de stad en op het land. Daarom kwamen de mensen kijken wat er was gebeurd.
Maar jullie beweren dat als iemand tegen zijn vader of moeder zegt: ‘Wat ik aan jullie had kunnen geven, is korban’ – dat wil zeggen: aan God gewijd – dat hij dan niets meer voor zijn vader of moeder mag doen. Zo gebruiken jullie de traditie die aan jullie is doorgeven, om hetgeen God heeft gezegd ongeldig te verklaren. En jullie doen veel dergelijke dingen."
Jezus riep de menigte weer bij zich en zei: "Luister, iedereen, en begrijp het volgende: Niets dat van buitenaf bij iemand naar binnen gaat, kan hem verontreinigen. Integendeel, het zijn de dingen die uit een mens naar buiten komen, die hem verontreinigen."
Jezus vertrok uit die plaats en ging naar de omgeving van Tyrus. Daar ging Hij een huis binnen en wilde niet dat iemand daarvan wist. Hij kon echter niet onopgemerkt blijven. Er was namelijk een vrouw die een dochtertje had met een onreine geest. Zodra zij over Hem hoorde, kwam ze naar Hem toe en liet ze zich voor zijn voeten neervallen. De vrouw was een niet-Joodse, afkomstig van Syrofenicië. Ze smeekte Jezus om de demon uit haar dochter te drijven. Maar Hij zei tegen haar: "Laat eerst de kinderen voldoende eten, want het is niet goed om het brood van de kinderen af te nemen en aan de hondjes te geven." Zij antwoordde: "Heer, de hondjes onder de tafel eten toch van wat de kinderen morsen?" Hij zei tegen haar: "Omdat je dat antwoord geeft, kun je gerust naar huis; de demon is uit je dochter weggegaan." Zij ging naar huis en zag dat haar kind in bed lag en de demon was weggegaan.
Iemand uit de menigte antwoordde: "Leraar, ik kwam mijn zoon bij U brengen; hij heeft een geest in zich waardoor hij niet kan praten. Overal waar deze hem overmant, gooit hij hem tegen de grond. Dan staat het schuim op zijn lippen, knarst hij met zijn tanden en verstijft hij. Ik heb uw leerlingen gevraagd om de geest uit te drijven, maar dat lukte hun niet." Jezus antwoordde: "O, ongelovige mensen, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Mij." Toen brachten ze de jongen bij Hem. Zodra de geest Jezus zag, zorgde hij dat de jongen begon te stuiptrekken. Hij viel op de grond en rolde heen en weer met het schuim op zijn lippen. Jezus vroeg aan de vader: "Hoe lang gebeurt dit al met hem?" De vader zei: "Van kleins af aan. De geest heeft hem zelfs vaak in het vuur of het water gegooid om hem om te brengen. Maar als U iets kan doen, help ons dan, heb medelijden met ons." Jezus zei tegen hem: "Waarom zeg je: ‘Als U iets kan doen’? Voor wie gelooft is alles mogelijk." De vader van het kind riep meteen uit: "Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!" Toen Jezus zag dat er veel mensen op hen afkwamen, beval Hij de onreine geest: "Jij doofstomme geest, Ik gebied je om uit hem weg te gaan en nooit weer in hem binnen te gaan." Met veel stuiptrekkingen en geschreeuw ging de geest uit hem weg. De jongen bleef voor dood liggen. Veel mensen zeiden: "Hij is gestorven." Maar Jezus nam hem bij de hand en hielp hem overeind. En hij stond op.
Jezus verliet de synagoge en ging naar het huis van Simon. Simons schoonmoeder had hoge koorts en men vroeg Jezus om iets voor haar te doen. Hij boog zich over haar heen en sprak de koorts bestraffend toe. Die verdween op hetzelfde moment en de vrouw stond op om hen te bedienen.
Toen Jezus aan wal stapte, kwam er een man naar Hem toe, die demonen in zich had. Hij was uit de stad afkomstig, maar woonde tussen de graven in plaats van in een huis en hij droeg sinds lang geen kleren meer. Toen hij Jezus zag, viel hij voor Hem op zijn knieën en riep hij: "Waarom bemoeit U zich met mij, Jezus, Zoon van de Allerhoogste God? Ik smeek U, folter mij alstublieft niet!" Jezus had de onreine geest namelijk bevolen om uit de man weg te gaan. De man was al vele malen door de onreine geest overmand en hoewel hij geketend aan handen en voeten werd bewaakt, brak hij dan zijn boeien stuk en werd hij door de demon naar eenzame plaatsen gedreven. Jezus vroeg hem: "Hoe heet je?" Hij antwoordde: "Legio", want er waren veel demonen in hem komen wonen. Ze smeekten Hem om hen niet naar de hel te verbannen. Nu was er op de berg een grote kudde varkens aan het grazen. De demonen smeekten Jezus, toe te laten dat ze die varkens zouden binnendringen, en Hij liet het toe. De demonen kwamen uit de man naar buiten en drongen de varkens binnen; de kudde stormde de helling af, het meer in, en ze verdronken. Toen de varkenshoeders zagen wat er was gebeurd, renden ze weg en brachten ze verslag uit in de stad en de omliggende dorpen. Daarom kwamen de mensen kijken wat er gebeurd was. Toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze de man uit wie de demonen naar buiten waren gekomen, gekleed en bij zijn volle verstand aan Jezus' voeten zitten en ze werden bang.
Maar Ik verzeker jullie, sommigen die hier staan zullen niet sterven voordat ze Gods koninkrijk hebben gezien."
Ongeveer acht dagen nadat Hij dit had gezegd, nam Hij Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee om op een berg te gaan bidden. Terwijl Hij bad, veranderde de aanblik van zijn gezicht en zijn kledij werd verblindend wit. Plots waren er twee mannen met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia. Ze waren verschenen in hemelse pracht en spraken over Jezus' heengaan – de taak die Hij binnenkort in Jeruzalem zou uitvoeren.
Petrus en zijn vrienden raakten door slaap overmand en toen ze wakker werden, zagen ze Jezus' hemelse pracht en de mannen die bij Hem stonden. Toen die aanstalten maakten om bij Hem weg te gaan, zei Petrus tegen Jezus: "Heer, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie hutten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." Hij wist niet wat hij zei.
Een man riep vanuit de mensenmassa: "Leraar, ik smeek U om naar mijn zoon te kijken; hij is mijn enig kind. Hij wordt steeds door een geest overmand en dan schreeuwt hij plots; dan laat hij hem stuiptrekken met een schuimende mond, en hij laat hem pas met rust wanneer hij hem volledig heeft uitgeput. Ik heb uw leerlingen gesmeekt om hem uit te drijven, maar ze konden het niet." Jezus antwoordde: "O ongelovige en tegendraadse mensen, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn en zal Ik jullie verdragen? Breng je zoon hier." Terwijl het kind naar Hem toekwam, gooide de demon hem stuiptrekkend op de grond. Jezus sprak de onreine geest bestraffend toe, genas het kind en droeg hem over aan zijn vader. Iedereen was diep onder de indruk van Gods grootheid.
Terwijl iedereen ontdaan was over alles wat Jezus deed, zei Hij tegen zijn leerlingen:
Jezus dreef eens een demon uit die niet kon spreken. Toen de demon was weggegaan, begon die persoon te spreken. De mensen stonden versteld,
Een van hen viel de dienaar van de hogepriester aan en hakte zijn rechteroor af. Maar Jezus zei: "Stop daarmee." Hij raakte de man aan op de plaats van het oor en genas hem.
Toen de boodschappers waren vertrokken, zei Jezus over Johannes tegen de mensenmassa: "Wat zijn jullie gaan bekijken in de wildernis? Riet dat wuift in de wind? Nee! Wat gingen jullie bekijken: een man in mooie kleren? Nee, zij die dure kledij dragen en in luxe leven, bevinden zich in paleizen. Wat gingen jullie dan wel bekijken? Een profeet? Jazeker, zeg Ik jullie, iemand die meer is dan een profeet. Hij is het over wie werd geschreven: ‘Ik stuur mijn boodschapper voor Je uit, die de weg voor Je zal banen.’ Ik zeg jullie: onder hen die uit een vrouw zijn geboren, is niemand belangrijker dan Johannes de Doper, maar in Gods koninkrijk is de geringste belangrijker dan Hij. Door zich te laten dopen met de doop van Johannes erkende heel het volk dat naar hem had geluisterd, ook de belastinginners, dat Gods eisen juist zijn. De farizeeën en Wetgeleerden lieten zich echter niet door hem dopen en weigerden te doen wat God van hen wilde.