1Als ik spreek in de talen van mensen en van engelen, maar geen liefde heb, dan ben ik slechts een luide gong of een schallend cimbaal.
4Liefde is geduldig, liefde is vriendelijk, niet afgunstig, ze pocht niet en is niet verwaand.
5Liefde doet anderen geen kwaad, is niet egoïstisch, raakt niet snel geïrriteerd, en koestert geen wrok.