29 De volgende dag zag Johannes Jezus naar zich toe komen. Hij zei: "Daar is het lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt. 30 Hij is het van wie ik heb gezegd: ‘Na mij komt Iemand die boven mij staat, want Hij bestond al voordat ik er was.’ 31 Ik wist niet wie Hij was, maar ik kwam dopen met water zodat Hij aan Israël kon worden geopenbaard." 32 Johannes getuigde: "Ik zag dat de Geest uit de hemel neerdaalde als een duif en op Hem bleef rusten. 33 Ik wist niet wie Hij was, maar Degene die mij had gestuurd om met water te dopen, zei tegen mij: ‘De persoon op wie je de Geest ziet neerdalen en blijven rusten, Hij is het die doopt met de Heilige Geest.’ 34 Ik heb het zelf gezien; ik verklaar: Hij is de Zoon van God."
35 De volgende dag stond Johannes er opnieuw met twee van zijn leerlingen. 36 Hij keek naar Jezus, die daar langs kwam en zei: "Daar is het lam van God."