Pular para o conteúdo
Publicidade

Lucas 24

13 Diezelfde dag nog gingen twee van hen naar een dorp dat op elf kilometer van Jeruzalem ligt en Emmaüs heet. 14 Zij praatten met elkaar over alles wat er was gebeurd. 15 Terwijl ze aan het praten en discussiëren waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en wandelde met hen mee. 16 Maar ze werden ervan weerhouden Hem te herkennen. 17 Hij vroeg hun: "Waarover zijn jullie onderweg met elkaar aan het discussiëren?" Ze hielden halt en keken triest. 18 Een van hen hij heette Kleopas zei tegen Hem: "Bent U dan de enige vreemdeling in Jeruzalem die niet op de hoogte is van de dingen die hier onlangs zijn gebeurd?" 19 Hij vroeg hun: "Welke dingen?" Ze antwoordden: "Wat er is gebeurd met Jezus van Nazaret. In de ogen van God en het hele volk was Hij een profeet, een man die krachtig optrad en sprak. 20 Maar de hoofdpriesters en onze leiders hebben Hem laten ter dood veroordelen en kruisigen. 21 Wij hadden zo gehoopt dat Hij Degene was die Israël zou verlossen. En nu is het al de derde dag sinds die dingen zijn gebeurd. 22 Maar ook hebben enkele van de vrouwen die bij ons zijn ons versteld doen staan toen ze vanochtend vroeg naar het graf waren gegaan, 23 en zijn lichaam niet aantroffen. Ze kwamen vertellen dat er engelen aan hen waren verschenen, die zeiden dat Hij leeft. 24 Enkelen van ons zijn naar het graf gegaan en zij troffen het precies zo aan als de vrouwen hadden verteld, maar Hem hebben ze niet gezien." 25 Jezus zei tegen de mannen: "Wat zijn jullie onwetend en traag van begrip, dat jullie geen geloof hechten aan alles wat de profeten hebben gezegd! 26 Het was toch nodig dat de Messias zou lijden en zijn glorie zou binnengaan?" 27 Toen legde Hij hun uit wat er over Hem in al de Schriften staat, te beginnen met Mozes en verder in alle Profeten. 28 Toen ze het dorp naderden waarnaar ze onderweg waren, deed Jezus alsof Hij verder wilde gaan. 29 Zij drongen echter bij Hem aan: "Blijf bij ons logeren, want straks wordt het avond; het is al late namiddag." Daarom ging Hij met hen naar huis en bleef Hij bij hen. 30 Toen Jezus met hen aan tafel had plaatsgenomen, nam Hij het brood, sprak Hij een zegengebed uit, brak Hij het brood in stukken en gaf Hij hun daarvan. 31 Toen gingen hun ogen open en herkenden ze Hem, maar meteen daarna was Hij uit hun zicht verdwenen. 32 Ze zeiden tegen elkaar: "Klopten onze harten niet sneller toen Hij ons onderweg toesprak en de Schriften aan ons uitlegde?" 33 Ze stonden meteen op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar troffen ze de Elf gezamenlijk aan, samen met hun gasten. 34 De apostelen zeiden: "De Heer is werkelijk verrezen; Hij is aan Simon verschenen." 35 Toen vertelden de twee reizigers wat zij onderweg hadden ervaren en hoe ze Jezus herkenden toen Hij het brood in stukken brak.

Veja também