1 Kort daarna reisde Jezus langs steden en dorpen, om daar het goede nieuws van Gods koninkrijk te verkondigen. De Twaalf waren bij Hem, 2 en ook enkele vrouwen die Hij had genezen van boze geesten en van aandoeningen: Maria die ‘van Magdala’ werd genoemd, bij wie zeven demonen waren uitgedreven; 3 Johanna, de vrouw van Chusas, het hoofd van de hofhouding van Herodes; Susanna en nog veel anderen. Met gebruik van eigen middelen voorzagen deze vrouwen in het onderhoud van Jezus en de Twaalf.