17 Zo is het ook met het geloof: als het op zichzelf staat en er geen daden uit voortkomen, is het dood. 18 Maar als iemand zou zeggen: ‘Jij hebt geloof, ik heb daden’, dan vraag ik: toon mij jouw geloof zonder daden, dan zal ik mijn geloof tonen aan de hand van mijn daden. 19 Je gelooft dat er slechts één God is? Dat is goed, maar de demonen geloven dat ook en zij sidderen! 20 Jij dwaas, wil je dat ik aantoon dat geloof zonder daden nutteloos is? 21 Is onze voorvader Abraham niet van schuld vrijgesproken op grond van zijn daden toen hij zijn zoon Isaak op het altaar zou offeren? 22 Je ziet dus dat zijn geloof gepaard ging met daden en dat zijn daden zijn geloof vervolledigden. 23 Zo ging het volgende Schriftgedeelte in vervulling: "Abraham geloofde God en op grond daarvan werd hij vrijgesproken van schuld". Hij werd zelfs Gods vriend genoemd. 24 Je ziet dus dat men met God in het reine komt op grond van daden, en niet van geloof alleen. 25 Dat geldt ook voor Rachab, de prostituee. Werd zij niet met God in het reine gebracht op grond van haar daden, toen zij de verkenners verwelkomde en via een andere route wegstuurde? 26 Daarom is geloof zonder daden dood, zoals een lichaam zonder geest dood is.