1 Toen Davids einde naderde, gaf hij zijn zoon Salomon deze vermaningen: 2 Ik ga de weg van al wat leeft. Wees sterk, en toon u een man! 3 Let op uw plichten jegens Jahweh, uw God; bewandel zijn wegen en onderhoud zijn wetten, geboden, verordeningen en voorschriften, zoals die in de wet van Moses beschreven staan, opdat Hij u voorspoed schenke bij al wat ge doet en waarheen ge ook gaat. 4 Dan zal Jahweh het woord gestand doen, dat Hij tot mij gesproken heeft, toen Hij zeide: Wanneer uw zonen acht geven op hun gedrag, en getrouw voor mijn aanschijn wandelen met geheel hun hart en geheel hun ziel, dan zal op Israëls troon nooit een afstammeling van u ontbreken.
Domínio Público. Esta tradução bíblica de domínio público é trazida a você por cortesia de eBible.org.