1Halleluja! Ik heb Jahweh lief, Want Hij hoort naar mijn smeken!
8Hij heeft mij gered van de dood, Mijn ogen van tranen, mijn voeten van stoten;
18-
105 resultados encontrados
1Halleluja! Ik heb Jahweh lief, Want Hij hoort naar mijn smeken!
8Hij heeft mij gered van de dood, Mijn ogen van tranen, mijn voeten van stoten;
18-
8Wie komen als een wolk daar aangevlogen, En als duiven naar hun til?
10Dan bouwen de vreemden uw muren op, En hun koningen zullen u dienen; Want al heb Ik u in mijn gramschap geslagen, In mijn liefde ontferm Ik Mij over u.
12-
3Laat het huis van Aäron herhalen: Zijn genade duurt eeuwig!
20-
23Jahweh heeft het gedaan: Een wonder was het in onze ogen!
2Angstige bezorgdheid en hartevrees, Zorg voor de toekomst tot aan de dag van de dood
17Maar de liefde wijkt in eeuwigheid niet, En rechtvaardigheid houdt eeuwig stand.
20Wijn en lied verblijden het hart, Maar daarboven gaat de liefde van vrienden.
14Alles geschiede bij u in liefde.
22Zo iemand den Heer niet liefheeft, hij zij vervloekt. "Marán-Atá".
24Mijn liefde is met u allen in Christus Jesus.
11Hem is de kracht in de eeuwen der eeuwen. Amen!
13De mede-uitverkorene in Babylon, en Markus mijn zoon, groeten u. Groet elkander met een liefdekus.
14Vrede zij u allen, die in Christus zijt!
7Geliefden, laat ons elkander beminnen. Want de liefde is uit God, en wie liefheeft, is uit God geboren en kent God;
8wie niet liefheeft, kent God niet. Want God is liefde!
16dan hebben we ook de liefde erkend en geloofd, die God voor ons heeft. God is liefde; en wie in de liefde blijft, blijft in God en God in hem.
9De liefde zij ongeveinsd; verfoeit het kwaad, blijft gehecht aan het goede!
10Hebt in broedermin elkander hartelijk lief, acht elkander hoger dan uzelf;
18leeft zoveel mogelijk in vrede met iedereen, zover het althans van u afhangt.
3Leg ze als een band om uw vingers, Schrijf ze op de tafel van uw hart
11Wat ziet ze er losbandig en lichtzinnig uit, In huis kunnen haar voeten het niet houden;
18Kom, laat ons dronken worden van minne, En tot de morgen zwelgen in liefde.
6Zo bracht hij Betlehem, Etam, Tekóa,
8Gat, Maresja, Zif,
9Adoráim, Lakisj, Azeka,
2Wie de liefde beoefent, draagt een spijsoffer op; Wie een aalmoes geeft, een offer van dank.
3Een Gode behaaglijk offer is het, de zonde te mijden, En een zoenoffer, zich te onthouden van kwaad.
5Het offer van den brave is als vet op het altaar, Als een lieflijke geur voor den Allerhoogste;
4Abisjóea, Naäman en Achóach.
5Gera, Sjefoefam en Choeram
19Jakim, Zikri, Zabdi,
5Beter een terechtwijzing in het openbaar, Dan liefde, die zich niet uit.
9Olie en wierook verheugen het hart; De raad van een vriend verblijdt de ziel.
17Zoals ijzer ijzer scherpt, Zo scherpt de ene mens den ander.
2Door Seraja, Azarja, Jirmeja,
3Pasjchoer, Amarja, Malki-ja,
27Malloek, Charim en Baäna.
15De steilste der kloven, Die zich uitstrekt tot de omgeving van Ar En aanleunt tegen de grenzen van Moab.
19van Mattana naar Nachaliël, van Nachaliël naar Bamot,
31Toen Israël in het land der Amorieten vaste voet had gekregen,
2Genade en vrede zij u in volle mate door de kennis van God en van Jesus onzen Heer.
6met de kennis de zelfbeheersing, met de zelfbeheersing de volharding, met de volharding de vroomheid,
7met de vroomheid de broederlijkheid, met de broederlijkheid de liefde.
5aan wien de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen!
12want ik heb het niet van een mens ontvangen of aangeleerd, maar door een openbaring van Jesus Christus.
20Voor het aanschijn Gods: zie ik lieg niet bij wat ik u schrijf.
2dat gij elkander in liefde verdraagt met alle ootmoedigheid, zachtheid en geduld;
5één Heer, één geloof, één doopsel;
16Door Hem wordt het ganse lichaam samengevoegd en samengehouden, omdat elk gewricht zijn taak vervult met de kracht, die ieder lid in ‘t bijzonder is toegemeten; en zó voltrekt zich de groei van het lichaam tot eigen opbouw in liefde.
19Esron van Aram, Aram van Amminadab.
20Amminadab van Naässon, Naässon van Salmon,
21Salmon van Bóoz, Bóoz van Obed,
8Ik dring er dus op aan, hem door een openlijk besluit weer in liefde aan te nemen.
14God zij dank! Overal toch leidt Hij ons rond tot Christus’ triomf; allerwege verspreidt Hij door ons de geur van diens kennis.
15Want Christus’ geur zijn wij voor God, zowel bij hen die worden gered, als bij hen die ten verderve gaan: