11Dit woord verdroot Abraham om zijn zoon.
24En Abraham zeide: Ik zweer het.
28Toen Abraham zeven lammetjes had afgezonderd,
105 resultados encontrados
11Dit woord verdroot Abraham om zijn zoon.
24En Abraham zeide: Ik zweer het.
28Toen Abraham zeven lammetjes had afgezonderd,
4Die grote wonderen doet, Hij alleen: Zijn genade duurt eeuwig!
12Met sterke hand, en vaste arm: Zijn genade duurt eeuwig!
19Sichon, den vorst der Amorieten: Zijn genade duurt eeuwig!
2Wijd Mij alle eerstgeborenen toe. Wat bij de kinderen Israëls de moederschoot opent, bij mens of dier, behoort Mij!
10Onderhoudt dit gebod jaar in jaar uit, op de tijd, die daarvoor is bepaald.
22Overdag week de wolkkolom niet van de spits van het volk, en de vuurzuil niet in de nacht.
12Maar toen Chirom er van Tyrus heen ging, om de steden te zien, die Salomon hem geschonken had, was hij er niet tevreden over,
14Toch zond Chirom nog honderd twintig talenten goud aan den koning.
18Baälat en Tamar in de woestijn van Juda;
11Onderhoud dus de geboden, de bepalingen en voorschriften, waarvan ik u heden de naleving beveel.
18Neen, vrees ze niet! Herinner u steeds, wat Jahweh, uw God, aan Farao en heel Egypte gedaan heeft:
19de grote rampen, de tekenen en wonderen, die gij met eigen oog hebt aanschouwd; de sterke hand en gespierde arm, waarmee Jahweh, uw God, u heeft weggeleid! Zo zal Jahweh, uw God, alle volken treffen, voor wie gij bevreesd zijt.
5Maar toen de Israëlieten midden tussen de Kanaänieten, Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten woonden,
6namen ze zich hun dochters tot vrouw, gaven hun eigen dochters aan hun zonen, en dienden hun goden.
11Gedurende veertig jaar genoot het land nu rust. Na de dood van Otniël
11Toen we dat hoorden, is ons de schrik om het hart geslagen, en is iedereen de moed ontzonken uit angst voor u. Want Jahweh, uw God, is God in de hemel daarboven en op de aarde beneden.
17De mannen zeiden tot haar:
21Zij antwoordde: Afgesproken, zoals ge gezegt hebt! Ze liet hen vertrekken, en bond het rode koord aan het venster.
2Maar Balak, de zoon van Sippor, had alles gezien, wat Israël de Amorieten had berokkend.
17want ik zal u vorstelijk belonen, en al wat gij mij zegt, zal ik doen. Kom slechts, en vervloek mij dat volk.
39Balaäm ging met Balak verder, en zij kwamen te Kirjat-Choesot.
7Gij, Jahweh, zijt de God, die Abram hebt uitverkoren, uit Oer der Chaldeën geleid, en hem Abraham hebt genoemd.
8Gij hebt zijn hart trouw voor uw aanschijn bevonden, en met hem een verbond gesloten, om aan zijn kroost het land der Kanaänieten, Chittieten, Amorieten, Perizzieten, Jeboesieten en Girgasjieten te geven. En Gij hebt uw woord gestand gedaan, omdat Gij gerecht zijt.
30Jaren lang hadt Gij geduld met hen, en bleeft Gij ze vermanen door uw geest, die Gij hun door uw profeten zondt; maar zij luisterden niet. Toen hebt Gij ze overgeleverd aan de volken der landen.
2Abram was zeer rijk aan vee, aan zilver en goud.
4en waar hij vroeger een altaar had gebouwd; daar riep Abram de naam van Jahweh aan.
5Ook Lot, die met Abram was meegetrokken, bezat schapen, runderen en tenten.
5Toen kwam zijn vrouw Izébel bij hem en vroeg: Waarom zijt ge toch zo verdrietig, en eet ge niet?
26schandelijk heeft hij zich gedragen door waangoden te dienen, juist zoals de Amorieten deden, die Jahweh voor Israël heeft verjaagd.
6Bij een geding moogt ge het recht van den arme niet verkrachten.
13Onderhoudt alles, wat Ik u heb gezegd. De naam van vreemde goden zult ge niet aanroepen; die mag in uw mond niet worden gehoord!
14Drie maal per jaar zult ge ter ere van Mij feest vieren.
6Weest moedig en dapper, vreest ze niet en weest niet bang! Want Jahweh, uw God, trekt zelf met u mee; Hij zal u zijn hulp niet onthouden, noch u verlaten.
8Jahweh zal zelf voor u uitgaan; Hij zal u bijstaan, en u zijn hulp niet onthouden, noch u verlaten. Vrees dus niet en wees niet kleinmoedig!
24En toen Moses de woorden van dit lied ten einde toe te boek had gesteld,
10En Ik heb u gezegd: Ik ben Jahweh, uw God; ge moogt de goden der Amorieten, in wier land ge woont, niet vereren! Maar ge hebt naar Mij niet geluisterd.
18Ga niet weg van hier, vóór ik bij U terug ben met de gave, die ik U wil aanbieden. Hij antwoordde: Ik blijf hier, tot ge terug zijt.
23Maar Jahweh sprak: Vrede zij u! Wees niet bang; ge zult niet sterven.
34Zanóach, En-Gannim, Tappóeach, Enam,
50Anab, Esjtemo, Anim,
53Janim, Bet-Tappóeach, Afeka,
13Een vluchteling kwam het Abram, den Hebreër, berichten; deze woonde toen bij de eik van Mamre, den Amoriet, den broer van Esjkol en Aner, die bondgenoten waren van Abram.
19zegende hem en sprak: Gezegend zijt gij Abram, door den allerhoogsten God, Den Schepper van hemel en aarde.
22Maar Abram zei tot den koning van Sodoma: Ik steek mijn hand tot Jahweh op, den allerhoogsten God, den Schepper van hemel en aarde:
16misdadig een beeld van een afgod te maken, onder welke gedaante dan ook: in de vorm van een man of een vrouw,
17in de vorm van een of ander beest op aarde, in de vorm van gevleugelde dieren in de lucht,
48van Aroër af, dat aan de rand van het Arnon-dal ligt tot aan de berg Sirjon (dat is de Hermon)
8Haastig wierp Moses zich op zijn knieën, boog zich ter aarde,
9en sprak: Heer, zo ik genade gevonden heb ik uw ogen, Heer, trek dan mee op, te midden van ons. Zeker het is een weerbarstig volk; maar vergeef ons onze zonde en schuld, en neem ons als uw erfdeel aan.
11Onderhoud slechts, wat Ik u heden gebied; dan drijf Ik de Amorieten, Kanaänieten, Chittieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jeboesieten voor u uit.
13de koning van Debir, de koning van Géder,
14de koning van Chorma, de koning van Arad,
15de koning van Libna, de koning van Adoellam,
10Want de ogen van Israël waren verzwakt van ouderdom, zodat hij niet kon zien. Toen Josef ze dus dicht bij hem had gebracht, kuste en omhelsde hij hen.
12Nu nam Josef ze van zijn knieën weg, en zij bogen zich ter aarde neer.
22Ik vermaak u één deel meer dan uw broeders; de bergrug, die ik op de Amorieten met mijn zwaard en mijn boog heb veroverd.