19 De vrouw zei Hem: Heer, ik zie, dat Gij een profeet zijt. 20 Onze vaderen aanbaden God op deze berg, en gij allen beweert, dat in Jerusalem de plaats is gelegen, waar men Hem aanbidden moet. 21 Jesus sprak tot haar: Geloof Mij, vrouw; er komt een uur, waarin gij noch op deze berg noch te Jerusalem den Vader zult aanbidden. 22 Gij aanbidt wat gij niet kent; wij aanbidden wat we kennen; want het Heil komt uit de Joden. 23 Maar toch, er komt een uur, en het is er reeds, waarin de ware aanbidders den Vader in geest en waarheid zullen aanbidden. Want de Vader verlangt zulke aanbidders; 24 God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten in geest en waarheid aanbidden. 25 De vrouw zeide Hem: Ik weet, dat de Messias komt, (die Christus genoemd wordt); wanneer Die komt, dan zal Hij ons alles verkondigen. 26 Jesus zeide haar: Dat ben Ik, die met u spreek.
Domínio Público. Esta tradução bíblica de domínio público é trazida a você por cortesia de eBible.org.