1 Broeders en zusters, mijn hartenwens en mijn gebed tot God voor de Joden is dat zij Gods redding mogen ervaren. 2 Ik kan over hen getuigen dat ze aan God toegewijd zijn, maar ze beschikken niet over inzicht. 3 Omdat ze niet weten hoe men met God in het reine komt en hun vrijspraak van schuld zelf proberen te bewerkstelligen, weigeren ze Gods recht te aanvaarden. 4 De Wet leidt uiteindelijk tot Christus; iedereen die in Hem gelooft, wordt vrijgesproken van schuld.
5 Mozes schrijft over de vrijspraak op grond van de Wet: "De mens die zo handelt, zal daardoor leven." 6 De vrijspraak op grond van geloof zegt: "Vraag je niet af wie naar de hemel zal opstijgen" – om Christus naar de aarde te halen – 7 "of wie in de afgrond zal afdalen" – om Christus uit het dodenrijk op te halen. 8 Want wat staat er? "De boodschap is dicht bij je: in je mond en in je hart." Dat gaat over de boodschap van het geloof, die wij verkondigen. 9 Want als je met je mond belijdt dat Jezus je Heer is en met je hart gelooft dat God Hem uit de dood heeft doen verrijzen, zal je gered worden. 10 Wie in zijn hart gelooft, wordt vrijgesproken van schuld en wie dat openlijk belijdt, ontvangt redding. 11 De Schriften leren: "Wie op Hem vertrouwt, zal niet beschaamd worden." 12 Er is dus geen onderscheid tussen Jood en niet-Jood: de Heer is Heer van iedereen, en iedereen die Hem aanroept, zal rijkelijk worden gezegend. 13 Want: "Ieder die de Heer aanroept, zal gered worden." 14 Maar hoe kunnen mensen Hem aanroepen als ze niet geloven? En hoe kunnen ze in Hem geloven als ze niet van Hem hebben gehoord? En hoe kunnen ze horen zonder boodschapper? 15 En hoe zal men de boodschap verspreiden zonder gezonden te zijn? In de Schriften staat: "Hoe mooi is de komst van de boodschappers van goed nieuws!" 16 Toch heeft niet iedereen naar het goede nieuws geluisterd. Jesaja zegt namelijk: "Heer, wie geloofde wat wij vertelden?" 17 Geloof is dus een gevolg van horen, en horen is een gevolg van de verspreiding van het evangelie van Christus. 18 Ik vraag echter: hebben ze het werkelijk niet gehoord? Toch wel, want: "Hun stemgeluid klonk over de gehele aarde, en hun woorden tot de uiteinden van de wereld." 19 Ik vraag verder: heeft Israël het dan niet begrepen? In de eerste plaats zegt God bij monde van Mozes: "Ik zal jullie jaloers maken op een volk dat niet van Mij is; Ik zal jullie uitdagen met een volk zonder inzicht." 20 Jesaja durft zelfs te zeggen: "Ik ben gevonden door wie Mij niet zochten; Ik heb mij vertoond aan wie niet naar Mij vroegen." 21 Maar over Israël zegt hij: "De hele dag reikte Ik mijn hand uit naar een ongehoorzaam en opstandig volk."
1 Irmãos, o bom desejo do meu coração e a oração a Deus por Israel é para sua salvação. 2 Porque lhes dou testemunho de que têm zelo de Deus, mas não com entendimento. 3 Porquanto, não conhecendo a justiça de Deus, e procurando estabelecer a sua própria justiça, não se sujeitaram à justiça de Deus. 4 Porque o fim da lei é Cristo para justiça de todo aquele que crê.
5 Ora, Moisés descreve a justiça que é pela lei, dizendo: O homem que fizer estas coisas viverá por elas. 6 Mas a justiça que é pela fé diz assim: Não digas em teu coração: Quem subirá ao céu? (isto é, a trazer do alto a Cristo.) 7 Ou: Quem descerá ao abismo? (isto é, a tornar a trazer dentre os mortos a Cristo.) 8 Mas que diz? A palavra está junto de ti, na tua boca e no teu coração; esta é a palavra da fé, que pregamos, 9 A saber: Se com a tua boca confessares ao Senhor Jesus, e em teu coração creres que Deus o ressuscitou dentre os mortos, serás salvo. 10 Visto que com o coração se crê para a justiça, e com a boca se faz confissão para a salvação. 11 Porque a Escritura diz: Todo aquele que nele crer não será confundido. 12 Porquanto não há diferença entre judeu e grego; porque um mesmo é o Senhor de todos, rico para com todos os que o invocam. 13 Porque todo aquele que invocar o nome do Senhor será salvo.
14 Como, pois, invocarão aquele em quem não creram? E como crerão naquele de quem não ouviram? E como ouvirão, se não há quem pregue? 15 E como pregarão, se não forem enviados? Como está escrito: Quão formosos os pés dos que anunciam o evangelho de paz; dos que trazem alegres novas de boas coisas.
16 Mas nem todos têm obedecido ao evangelho; pois Isaías diz: Senhor, quem creu na nossa pregação? 17 De sorte que a fé é pelo ouvir, e o ouvir pela palavra de Deus. 18 Mas digo: Porventura não ouviram? Sim, por certo, pois por toda a terra saiu a voz deles, e as suas palavras até aos confins do mundo.
19 Mas digo: Porventura Israel não o soube? Primeiramente diz Moisés: Eu vos porei em ciúmes com aqueles que não são povo, com gente insensata vos provocarei à ira.
20 E Isaías ousadamente diz: Fui achado pelos que não me buscavam, fui manifestado aos que por mim não perguntavam.
21 Mas para Israel diz: Todo o dia estendi as minhas mãos a um povo rebelde e contradizente.
Almeida Corrigida Fiel | acf ©️ 1994, 1995, 2007, 2011 Sociedade Bíblica Trinitariana do Brasil (SBTB). Todos os direitos reservados. Texto bíblico utilizado com autorização. Saiba mais sobre a SBTB. A Missão da SBTB é: Uma cópia da Bíblia Fiel ®️ para cada pessoa. Ajude-nos a cumprir nossa Missão!