Pêche miraculeuse. Vocation de trois disciples
1 Mt 13:2.Mc 4:1.Comme Jésus se trouvait auprès du lac de Génésareth, et que la foule se pressait autour de lui pour entendre la parole de Dieu, 2 il vit au bord du lac deux barques, d’où les pêcheurs étaient descendus pour laver leurs filets. 3 Il monta dans l’une de ces barques, qui était à Simon, et il le pria de s’éloigner un peu de terre. Puis il s’assit, et de la barque il enseignait la foule. 4 Lorsqu’il eut cessé de parler, il dit à Simon: Jn 21:6.Avance en pleine eau, et jetez vos filets pour pêcher.5 Simon lui répondit: Maître, nous avons travaillé toute la nuit sans rien prendre; mais, sur ta parole, je jetterai le filet. 6 L’ayant jeté, ils prirent une grande quantité de poissons, et leur filet se rompait. 7 Ils firent signe à leurs compagnons qui étaient dans l’autre barque de venir les aider. Ils vinrent et ils remplirent les deux barques, au point qu’elles enfonçaient. 8 Quand il vit cela, Simon Pierre tomba aux genoux de Jésus, et dit: Seigneur, retire-toi de moi, parce que je suis un homme pécheur. 9 Car l’épouvante l’avait saisi, lui et tous ceux qui étaient avec lui, à cause de la pêche qu’ils avaient faite. 10 Il en était de même de Jacques et de Jean, fils de Zébédée, les associés de Simon. Alors Jésus dit à Simon: Ne crains point;Jé 16:16.Éz 47:9.Mt 4:19.Mc 1:17.désormais tu seras pêcheur d’hommes.11 Et, ayant ramené les barques à terre, Mt 4:20;19:27.Mc 10:28.Lu 18:28.ils laissèrent tout, et le suivirent.
Guérison d’un lépreux et d’un paralytique
12 Mt 8:2.Mc 1:40.Jésus était dans une des villes; et voici, un homme couvert de lèpre, l’ayant vu, tomba sur sa face, et lui fit cette prière: Seigneur, si tu le veux, tu peux me rendre pur. 13 Jésus étendit la main, le toucha, et dit: Je le veux, sois pur. Aussitôt la lèpre le quitta. 14 Puis il lui ordonna de n’en parler à personne. Mais, dit-il, va te montrer au sacrificateur, et offre pour ta purificationLé 13:2;14:2.Mt 8:4.ce que Moïse a prescrit, afin que cela leur serve de témoignage.15 Sa renommée se répandait de plus en plus, et les gens venaient en foule pour l’entendre et pour être guéris de leurs maladies. 16 Et lui, il se retirait dans les déserts, et priait.
17 Un jour Jésus enseignait. Des pharisiens et des docteurs de la loi étaient là assis, venus de tous les villages de la Galilée, de la Judée et de Jérusalem; et la puissance du Seigneur se manifestait par des guérisons. 18 Mt 9:1.Mc 2:3.Ac 9:33.Et voici, des gens, portant sur un lit un homme qui était paralytique, cherchaient à le faire entrer et à le placer sous ses regards. 19 Comme ils ne savaient par où l’introduire, à cause de la foule, ils montèrent sur le toit, et ils le descendirent par une ouverture, avec son lit, au milieu de l’assemblée, devant Jésus. 20 Voyant leur foi, Jésus dit: Homme, tes péchés te sont pardonnés.21 Les scribes et les pharisiens se mirent à raisonner et à dire: Qui est celui-ci, qui profère des blasphèmes? Ps 32:5.És 43:25.Qui peut pardonner les péchés, si ce n’est Dieu seul? 22 Jésus, connaissant leurs pensées, prit la parole et leur dit: Quelles pensées avez-vous dans vos cœurs?
23 Lequel est le plus aisé, de dire: Tes péchés te sont pardonnés, ou de dire: Lève-toi, et marche?24 Or, afin que vous sachiez que le Fils de l’homme a sur la terre le pouvoir de pardonner les péchés: Je te l’ordonne, dit-il au paralytique, lève-toi, prends ton lit, et va dans ta maison.25 Et, à l’instant, il se leva en leur présence, prit le lit sur lequel il était couché, et s’en alla dans sa maison, glorifiant Dieu. 26 Tous étaient dans l’étonnement, et glorifiaient Dieu; remplis de crainte, ils disaient: Nous avons vu aujourd’hui des choses étranges.
Vocation de Lévi (Matthieu)
27 Mt 9:9.Mc 2:14,15.Après cela, Jésus sortit, et il vit un publicain, nommé Lévi, assis au lieu des péages. Il lui dit: Suis-moi.28 Et, laissant tout, il se leva, et le suivit. 29 Lévi lui donna un grand festin dans sa maison, Mt 9:10.Mc 2:15.Lu 15:1.et beaucoup de publicains et d’autres personnes étaient à table avec eux. 30 Les pharisiens et les scribes murmurèrent, et dirent à ses disciples: Pourquoi mangez-vous et buvez-vous avec les publicains et les gens de mauvaise vie? 31 Jésus, prenant la parole, leur dit: Ce ne sont pas ceux qui se portent bien qui ont besoin de médecin, mais les malades.
32 Mt 9:13.Lu 19:10.1 Ti 1:15.Je ne suis pas venu appeler à la repentance des justes, mais des pécheurs.
Question sur le jeûne
33 Mt 9:14.Ils lui dirent: Les disciples de Jean, comme ceux des pharisiens, jeûnent fréquemment et font des prières, tandis que les tiens mangent et boivent. 34 Il leur répondit: És 62:5.2 Co 11:2.Pouvez-vous faire jeûner les amis de l’époux pendant que l’époux est avec eux?
35 Les jours viendront où l’époux leur sera enlevé, alors ils jeûneront en ces jours-là.36 Il leur dit aussi une parabole: Personne ne déchire d’un habit neuf un morceau pour le mettre à un vieil habit; car, il déchire l’habit neuf, et le morceau qu’il en a pris n’est pas assorti au vieux.
37 Et personne ne metMt 9:17.Mc 2:22.du vin nouveau dans de vieilles outres; autrement, le vin nouveau fait rompre les outres, il se répand, et les outres sont perdues;38 mais il faut mettre le vin nouveau dans des outres neuves.39 Et personne, après avoir bu du vin vieux, ne veut du nouveau, car il dit: Le vieux est bon.
1 Op een dag, toen Jezus bij het Meer van Gennesaret stond en de menigte zich rondom Hem verdrong om naar de boodschap van God te luisteren, 2 zag Hij twee boten bij de oever liggen. De vissers waren uitgestapt om de netten te spoelen. 3 Hij stapte in een van de boten, die van Simon, en vroeg hem een eindje het meer op te varen. Hij ging zitten en onderwees de menigte vanuit de boot. 4 Toen Hij was uitgesproken, zei Hij tegen Simon: "Vaar naar het diepe water en laat jullie netten zakken om iets te vangen." 5 Simon antwoordde: "Heer, we hebben de hele nacht gezwoegd en niets gevangen. Maar omdat U het zegt, zal ik de netten laten zakken." 6 Toen ze dat hadden gedaan, vingen ze zo’n grote hoeveelheid vis, dat de netten begonnen te scheuren. 7 Ze wuifden naar de vissers in de andere boot, om duidelijk te maken dat die hen moesten komen helpen. Dat deden ze, en beide boten raakten zo vol dat ze begonnen te zinken. 8 Toen Simon Petrus dat zag, viel hij voor Jezus op zijn knieën en zei hij: "Ga bij mij weg, Heer, want ik ben een zondig mens." 9 Petrus en iedereen die bij hem was, waren namelijk verbijsterd over de hoeveelheid vis die ze hadden gevangen. 10 Hetzelfde gold voor Jakobus en Johannes, zonen van Zebedeüs die met Simon samenwerkten. Toen zei Jezus tegen Simon: "Wees niet bang. Vanaf nu zal je mensen vangen." 11 Ze brachten de boten aan land, lieten alles achter en volgden Jezus.
12 Op een dag, toen Jezus in een van de steden was, was er een man die volledig bedekt was met een huidziekte die hem onrein maakte. Toen hij Jezus zag, liet hij zich voor Hem neervallen en smeekte hij Hem: "Heer, als U wil, kan U mij rein maken." 13 Jezus stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: "Ik wil het, word rein." Meteen verdween de huidziekte. 14 Jezus droeg hem op: "Vertel het aan niemand, maar ga je aan de priester tonen en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft opgelegd, bij wijze van getuigenis voor de mensen." 15 Het nieuws over Jezus verspreidde zich echter nog meer en de mensen kwamen in drommen naar Hem toe om te luisteren en zich van hun aandoeningen te laten genezen. 16 Hij trok zich echter dikwijls naar eenzame plaatsen terug om te bidden.
17 Op een dag was Jezus aan het onderwijzen in het bijzijn van farizeeën en Wetgeleerden, die uit alle dorpen in Galilea en Judea en uit Jeruzalem waren gekomen. De kracht van de Heer om mensen te genezen rustte op Jezus 18 en er kwamen mannen met een verlamde op een draagbed. Ze probeerden hem naar binnen te brengen en voor Jezus neer te leggen. 19 Maar er waren zoveel mensen, dat ze geen manier vonden om hem naar binnen te brengen. Daarom gingen ze het dak op en lieten ze hem op zijn draagberrie door een opening in het tegeldak naar beneden zakken, tot vlak voor Jezus en tussen de mensen in. 20 Jezus zag hun geloof en zei: "Vriend, je zonden zijn je vergeven." 21 De farizeeën en Schriftgeleerden begonnen zich af te vragen: "Wie is dit, dat Hij zo godslasterlijk spreekt? De enige die zonden kan vergeven is God!" 22 Jezus wist wat ze dachten en vroeg hun: "Waarom denken jullie deze dingen? 23 Wat is gemakkelijker, zeggen: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op en wandel? 24 Maar, opdat jullie beseffen dat de Mensenzoon het gezag heeft om op aarde zonden te vergeven …" Toen zei Hij tegen de verlamde man: "Tegen jou zeg Ik: sta op, neem je draagberrie op en ga naar huis!" 25 Op hetzelfde moment stond de man voor hun ogen op. Hij nam zijn bed op en vertrok naar huis terwijl hij God verheerlijkte. 26 Ze waren allemaal buiten zichzelf van verbazing en verheerlijkten God. Ze werden vervuld van ontzag en zeiden: "Vandaag hebben we wonderlijke dingen gezien!"
27 Daarna ging Jezus de stad uit en zag Hij een belastinginner die Levi heette bij het tolhuis zitten. Jezus zei tegen hem: "Volg Mij." 28 Levi stond op, liet alles achter en volgde Hem.
29 Levi hield in zijn huis een groot feestmaal voor Jezus. Er nam ook een grote groep belastinginners en anderen aan de maaltijd deel. 30 De farizeeën en hun Schriftgeleerden mopperden tegen Jezus' leerlingen: "Waarom eten en drinken jullie met belastinginners en zondaars?" 31 Jezus antwoordde: "Het zijn niet de gezonde mensen die een dokter nodig hebben, maar de zieken. 32 Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen op te roepen om tot inkeer te komen, maar zondaars."
33 Er werd tegen Jezus gezegd: "De leerlingen van Johannes vasten en bidden dikwijls, en ook de leerlingen van de farizeeën, maar die van U eten en drinken er maar op los." 34 Jezus antwoordde: "Je kan de gasten van de bruidegom toch niet laten vasten terwijl de bruidegom bij hen is? 35 Er komt echter een tijd dat de bruidegom bij hen wordt weggehaald en dan zullen ze vasten." 36 Ook vertelde Hij hun een parabel: "Niemand scheurt een stuk van een nieuwe mantel af om het op een oude mantel te naaien, want dan is de nieuwe mantel beschadigd en zit op de oude mantel een stuk stof dat er niet bij past. 37 Ook giet niemand nieuwe wijn in oude wijnzakken, want dan doet de nieuwe wijn de wijnzakken barsten, stroomt de wijn weg en zijn de wijnzakken kapot. 38 Nee, nieuwe wijn moet in nieuwe wijnzakken worden gegoten. 39 En niemand die oude wijn heeft gedronken, wil de nieuwe, want hij zal zeggen dat de oude beter is."