12Weest blijde in de hoop, geduldig in het lijden, volhardend in het gebed;
18leeft zoveel mogelijk in vrede met iedereen, zover het althans van u afhangt.
21Laat u niet door het kwade overwinnen, maar overwin het kwade door het goede!
130 resultados encontrados
12Weest blijde in de hoop, geduldig in het lijden, volhardend in het gebed;
18leeft zoveel mogelijk in vrede met iedereen, zover het althans van u afhangt.
21Laat u niet door het kwade overwinnen, maar overwin het kwade door het goede!
5Verachting voor de beproefden: denkt het gelukskind, En een trap voor hen, wier voeten wankelen;
10Hij, die iedere levende ziel in zijn hand heeft, En de adem van alle menselijk vlees!
22-
14de wouw en de verschillende soorten valken;
15alle soorten raven,
25-
6Maar wie ergernis geeft aan een van deze kleinen, die in Mij geloven, het ware hem beter, dat hem een zware molensteen om de hals werd gehangen, en hij in de diepte der zee werd verdronken.
11-
15Indien uw broeder heeft gezondigd, ga en berisp hem tussen u beiden alleen. Zo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen hebben.
14Men veegde ze op hopen, zodat het land er van stonk.
8gezonde, onberispelijke taal, zodat de tegenstander beschaamd mag staan, daar hij van ons geen kwaad kan zeggen.
11Want Gods genade is verschenen, redding brengend aan alle mensen.
13om de zalige hoop te verwachten en de openbaring der glorie van onzen groten God en Zaligmaker Christus Jesus.
6Blijf vertrouwen op Hem, Hij neemt u weer aan; Houd het rechte pad en blijf op Hem hopen.
9Gij, die den Heer vreest, hoopt op geluk. Op eeuwige vreugde en ontferming.
13Wee het bange hart, dat geen vertrouwen meer heeft, En daarom geen beschutting zal vinden.
4Moses deed, wat Jahweh hem had bevolen. En toen het volk aan de ingang van de openbaringstent bijeen was gekomen,
20-
32Wat er overblijft van het vlees en het brood, moet ge in het vuur verbranden.
4De liefde is geduldig, De liefde is goedertieren, De liefde is niet afgunstig, Niet pronkzuchtig, niet verwaand.
7Alles bedekt zij, alles gelooft zij, Alles hoopt zij, alles duldt zij.
13Zo blijven bestaan Geloof, hoop en liefde, Drie in getal; Maar de grootste daarvan is de liefde.
1Het geloof is een vaste grond voor wat men hoopt; een overtuiging over dingen, die men niet ziet.
2Om het geloof zijn de Ouden met ere vermeld;
17Door het geloof heeft Abraham, toen hij op de proef werd gesteld, Isaäk opgeofferd en zijn ééngeborene opgedragen,
4Toch is er hoop, zolang men tot de levenden hoort; Daarom beter een levende hond dan een dode leeuw.
8Laat uw klederen altijd wit zijn, En de balsem nooit op uw hoofd ontbreken;
18Wijsheid is meer waard dan wapentuig; Want een enkele domheid bederft veel goeds.
7en morgen zult ge de glorie van Jahweh aanschouwen, ofschoon Jahweh het gemor tegen Hem heeft gehoord. Want wat betekenen wij, dat gij zoudt morren tegen ons.
30Zo hield het volk op de zevende dag sabbat.
36De ómer is het tiende van een efa.
2Dezen zullen bij dat gezicht van grote vreze worden bevangen, Geheel ontsteld over dat onverwachte heil;
9Het ging alles voorbij als een schaduw, Voorbij als een loos gerucht;
14Ja, de hoop van den zondaar is als kaf, meegesleurd door de wind, Als het lichte schuim, voortgedreven door de storm, Als rook, door een windvlaag verspreid; Ze vervliegt als de herinnering aan een gast van één dag.
11Man Gods, gij moet u daarvoor wachten! Streef liever naar gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, geduld en zachtmoedigheid.
12Strijd de goede strijd van het geloof; ding naar het eeuwige leven, waartoe ge geroepen zijt, en voor vele getuigen de heerlijke belijdenis hebt afgelegd.
21waartoe sommigen zich hebben bekend, en het spoor in het geloof zijn bijster geworden. De genade zij met u allen!
13Daar staat dan de koning, dien gij gekozen en om wien gij gevraagd hebt. Jahweh hééft u een koning gegeven!
16Blijft nu nog staan, en let op het grote wonder, dat Jahweh voor uw ogen gaat doen.
17Want ofschoon wij midden in de tarweoogst zijn, zal Jahweh het op mijn gebed laten donderen en regenen. Erkent dan, hoe zwaar gij misdaan hebt in de ogen van Jahweh, door een koning te verlangen.
6En nu weet gij, wat hem tegenhoudt, zodat hij eerst te zijner tijd zich openbaren zal.
16Onze Heer Jesus Christus zelf en God onze Vader, die ons heeft liefgehad, en door zijn genade eeuwige troost en goede hoop heeft geschonken,
17Hij trooste uw harten en make ze sterk in ieder goed werk en goed woord.
3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jesus Christus, die in zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jesus Christus uit de doden ons deed wedergeboren worden tot een levende hoop,
5die in Gods kracht door het geloof wordt behouden, om tot een zaligheid te geraken, welke gereed ligt voor haar openbaring op het einde der tijden.
13Omgordt dus de lenden van uw verstand en weest bezonnen; richt heel uw hoop op de genade, die u geschonken wordt, als Jesus Christus verschijnt.
7Zó koesteren wij goede hoop met betrekking tot u, in de overtuiging, dat gij deel zult hebben aan de vertroosting, zoals gij deel hebt aan het lijden.
10Hij heeft ons van die dood gered. Hij redt ons nog; en we vertrouwen op Hem, dat Hij ons nog verder zal redden,
13We schrijven u toch niets anders, dan wat gij leest en verstaat. Ik hoop dus, dat gij het ééns geheel en al zult verstaan,
16Weest altijd blijde.
17Bidt zonder ophouden;
28De genade van onzen Heer Jesus Christus zij met u!
20Wanneer het u en uw kinderen goed gaat en alles bij u naar wens verloopt, dan dank ik daar God allerhartelijkst voor. Want op de Hemel is mijn hoop gevestigd.
22Wel wanhoop ik nog niet aan mijn herstel, en heb zelfs de beste verwachtingen, dat ik deze ziekte te boven zal komen.
27Ik ben er van overtuigd, dat hij mijn richtlijnen mild en menslievend zal volgen, en in goede verstandhouding met u zal leven.