3Neemt u in acht. Als uw broeder zondigt, berisp hem; en als hij tot inkeer komt, vergeef hem.
32Denkt aan de vrouw van Lot.
36-
138 resultados encontrados
3Neemt u in acht. Als uw broeder zondigt, berisp hem; en als hij tot inkeer komt, vergeef hem.
32Denkt aan de vrouw van Lot.
36-
9De liefde zij ongeveinsd; verfoeit het kwaad, blijft gehecht aan het goede!
12Weest blijde in de hoop, geduldig in het lijden, volhardend in het gebed;
21Laat u niet door het kwade overwinnen, maar overwin het kwade door het goede!
14-
15-
12-
22Jesus gaf hun ten antwoord: Hebt Godsgeloof!
24Daarom zeg Ik u: Zo gij iets vraagt in het gebed, gelooft dan, dat gij het verkrijgt; en gij zult het verkrijgen.
26-
6Maar wie ergernis geeft aan een van deze kleinen, die in Mij geloven, het ware hem beter, dat hem een zware molensteen om de hals werd gehangen, en hij in de diepte der zee werd verdronken.
11-
15Indien uw broeder heeft gezondigd, ga en berisp hem tussen u beiden alleen. Zo hij naar u luistert, zult ge uw broeder gewonnen hebben.
1-
5Op, huis van Jakob; Laat ons wandelen in Jahweh’s licht!
15alle soorten raven,
25-
18Zie mijn Dienaar, dien Ik heb uitverkoren, Mijn Welbeminde, in wien mijn ziel behagen schept. Ik zal mijn Geest op Hem doen rusten, En Hij zal aan de volkeren het recht verkonden.
21Op zijn naam zullen de volkeren hopen!
35De goede mens brengt goed voort uit de goede schat, de kwade mens kwaad uit de kwade schat.
12de zonen van Elam, twaalfhonderd vier en vijftig;
17de zonen van Azgad, drie en twintighonderd twee en twintig;
68-
18-
2Ik zweeg, bleef sprakeloos en stom, Hoe fel mijn smart ook mocht zijn.
7Wat zou ik dan nog verwachten, o Heer! Alleen op U kan ik nog hopen!
13Houd op; opdat ik nog vreugde mag hebben, Eer ik heenga, en er niet meer zal zijn!
15Wil Hij me doden, ik wacht Hem af; Maar ik verdedig mijn wandel voor Hem!
25Wilt gij een weggewaaid blad nog verschrikken, Een verdorde halm nog vervolgen:
28-
20Want de schepping is aan de vergankelijkheid onderworpen, niet uit eigen wil, doch door de wil van Hem, die ze daaraan onderwierp; maar toch met de hoop,
24Want we zijn verlost om te hopen. Maar zien wat we hopen, is geen hopen meer; hoopt men soms nog wat men ziet?
25Doch zo we hopen wat we niet zien, dan smachten we er naar met geduld.
1-
8Wat hoopt de boze, als hij bidt, Als hij zijn ziel tot de Godheid verheft?
16Al hoopt hij zilver op als stof, En stapelt kleren op als slijk,
20-
13-
14-
15Gij weet het Jahweh! Wees mijner indachtig, Kom mij te hulp, en wreek mij op die mij vervolgen; Stort door uw lankmoedigheid mij niet in ‘t verderf, Gedenk, dat ik gehoond word om U!
30-
3Blijf Hem trouw en val niet af, Opdat ge groot moogt zijn bij uw einde.
6Blijf vertrouwen op Hem, Hij neemt u weer aan; Houd het rechte pad en blijf op Hem hopen.
9Gij, die den Heer vreest, hoopt op geluk. Op eeuwige vreugde en ontferming.
1Halleluja! Ik heb Jahweh lief, Want Hij hoort naar mijn smeken!
8Hij heeft mij gered van de dood, Mijn ogen van tranen, mijn voeten van stoten;
18-