1-
3Zolang er nog een zucht in mij is, En Gods adem in mijn neus
10Kan hij zich in den Almachtige verlustigen, Ten allen tijde roepen tot God?
167 resultados encontrados
1-
3Zolang er nog een zucht in mij is, En Gods adem in mijn neus
10Kan hij zich in den Almachtige verlustigen, Ten allen tijde roepen tot God?
52de zonen van Besai; de zonen van Meoenim; de zonen van Nefoesjesim;
56de zonen van Nesiach; de zonen van Chatifa.
68-
1Uw hart worde niet ontsteld. Gij gelooft in God; gelooft ook in Mij.
11Gelooft het van Mij: Ik ben in den Vader, en de Vader is in Mij.
27Vrede laat Ik u na, mijn vrede geef Ik u; niet zoals de wereld die geeft, geef Ik hem u. Uw hart zij ontsteld, noch bevreesd. —
1Halleluja! Ik heb Jahweh lief, Want Hij hoort naar mijn smeken!
8Hij heeft mij gered van de dood, Mijn ogen van tranen, mijn voeten van stoten;
18-
9die acht el diep was; en haar deurposten, die twee el breed waren. De poorthal lag aan de binnenkant.
30-
12-
16De melk der volkeren zult ge drinken, En koninklijke borsten zuigen. Dan zult ge weten, dat Ik, Jahweh, het ben, die u redt, Jakobs Sterke, die u verlost!
19De zon zal des daags uw licht niet meer zijn, De glans der maan u ‘s nachts niet beschijnen; Maar Jahweh zal een eeuwig Licht voor u zijn, En uw God wordt uw Luister!
9Weerstaat hem, sterk door het geloof! Denkt er aan, dat aan uw broeders, over de wereld verspreid, het lijden is toegemeten in dezelfde mate.
11Hem is de kracht in de eeuwen der eeuwen. Amen!
14Vrede zij u allen, die in Christus zijt!
4Eén lichaam en één geest, zoals gij ook geroepen zijt tot één hoop, die aan uw roeping ontspruit;
5één Heer, één geloof, één doopsel;
23gij moet u vernieuwen naar de inwendige geest;
2Door Seraja, Azarja, Jirmeja,
13Hodija, Bani en Beninoe.
27Malloek, Charim en Baäna.
6Verder nog deze negen zonen: Jibchar, Elisjama, Elifélet,
7Nóga, Néfeg, Jafia,
8Elisjama, Eljada en Elifélet.
6dat namelijk de heidenen door het Evangelie medeerfgenamen zijn, medeleden en deelgenoten aan de Belofte in Christus Jesus.
17dat Hij Christus in uw harten doe wonen door het geloof; dat gij geworteld moogt blijven en gegrondvest in liefde.
21aan Hem zij de glorie in de Kerk en in Christus Jesus ten allen tijde, van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen!
19Ge gelooft, dat er slechts één God bestaat? Ge doet wèl; maar ook de duivels geloven het…, en sidderen!"
20Wilt ge zien, lege mens, hoe het geloof zonder de werken onvruchtbaar is?
24Ge ziet: uit wèrken wordt de mens gerechtvaardigd, en niet uit geloof alleen.
1Toen Samson eens naar Timna afdaalde. zag hij daar een filistijns meisje.
11Maar daar men bang voor hem was, koos men dertig feestgenoten uit, om bij hem te blijven.
18En op de zevende dag, juist toen hij de bruidskamer wilde binnengaan, zeiden hem de bewoners der stad: Wat is zoeter dan honing; Wat is sterker dan een leeuw? Hij gaf hun ten antwoord: Hadt gij niet met mijn koe geploegd, ge hadt mijn raadsel niet opgelost.
7Beseft het dus wel: Wie uit het geloof zijn geboren, zijn kinderen van Abraham!
9Wie dus uit het geloof zijn geboren, worden met den gelovigen Abraham gezegend.
26Want kinderen van God zijt gij allen door het geloof in Christus Jesus;
3dat, edele Felix, erkennen we met grote dankbaarheid altijd en overal.
13noch in de stad. Ook kunnen ze u niet bewijzen, waarvan ze mij nu beschuldigen.
16En daarom doe ik mijn best, altijd een onbesmet geweten te hebben voor God en voor de mensen.
11waartoe ik ben aangesteld als heraut, apostel en leraar.
13In geloof en in liefde tot Christus Jesus: houd vast aan wat ge van mij hebt gehoord, als aan een richtsnoer van gezonde lering;
18Geve de Heer, dat hij zelf barmhartigheid mag vinden bij den Heer op die Dag. En welke diensten hij in Éfese heeft bewezen, weet ge beter dan ik.
3De Heer is getrouw; Hij zal u sterken, en u voor het kwade bewaren.
5En de Heer neige uw harten tot de liefde voor God en tot de verwachting van Christus.
18De genade van onzen Heer Jesus Christus zij met u allen.
26en wie leeft en in Mij gelooft, zal niet sterven voor eeuwig. Gelooft ge dit?
35En Jesus weende.
40Jesus sprak tot haar: Heb Ik u niet gezegd: Wanneer ge gelooft, zult ge Gods heerlijkheid zien?
3Toen ik voor mijn vader nog een kind was, Een teer en enig kind onder het oog van mijn moeder,
24Verwijder van u een onbetrouwbare mond, Houd verre van u venijnige lippen;
26Effen de weg voor uw voet, Geef richting aan uw wegen;
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
34Hij maakt mijn voeten vlug als hinden, En doet mij de hoogste toppen beklimmen;