20Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
200 resultados encontrados
20Hij beveiligde mij, En bracht mij redding, omdat Hij mij liefhad.
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
1Het hooglied van Salomon.
10Hoe bekoorlijk uw wangen tussen de hangers, Uw hals in de snoeren.
15Wat zijt ge verrukkelijk, mijn liefste, Uw ogen zijn duiven.
2ook dat we verlost mogen worden van onbetamelijke en slechte mensen; want niet allen bezitten het geloof.
3De Heer is getrouw; Hij zal u sterken, en u voor het kwade bewaren.
18De genade van onzen Heer Jesus Christus zij met u allen.
26De toehoorders zeiden: Wie kan dan zalig worden?
37Men vertelde hem, dat Jesus van Názaret voorbijkwam.
42Jesus zeide hem: Zie! Uw geloof heeft u gered.
19Reikhalzend toch smacht de schepping naar de openbaring der kinderen Gods.
21dat ook de schepping zelf bevrijd zal worden van de slavernij der vergankelijkheid, om deelachtig te worden aan de vrijheid der glorie van de kinderen Gods.
35Of wie zal ons scheiden van Christus’ liefde? Wederwaardigheid of benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of het zwaard?
2Genade en vrede zij u van God, onzen Vader, en van den Heer Jesus Christus.
5Want zoals in volle mate Christus’ lijden ons is toegemeten, zo ook door Christus in volle mate onze vertroosting.
10Hij heeft ons van die dood gered. Hij redt ons nog; en we vertrouwen op Hem, dat Hij ons nog verder zal redden,
2Ik ben Jahweh, uw God, die u uit Egypte, uit het slavenhuis heb geleid;
8Gedenk de sabbat, dat gij die heiligt.
13Gij zult niet doden.
2En wel op de allereerste plaats: hem zijn de Beloften van God toevertrouwd.
22Het is de gerechtigheid Gods, door het geloof in Jesus Christus, en voor allen die geloven. Neen, er bestaat geen onderscheid meer.
24om niet worden ze gerechtvaardigd door zijn genade uit kracht der verlossing door Christus Jesus.
8Want uit genade zijt gij gered door het geloof. Niet uit uzelf; Gods gave is het.
13Maar thans, nu gij in Christus Jesus zijt, thans zijt gij nabij gekomen door Christus’ Bloed, gij die eertijds verre waart.
20gebouwd op de grondslag der Apostelen en Profeten, waarvan Christus Jesus de hoeksteen is.
3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heer Jesus Christus, die in zijn grote barmhartigheid door de opstanding van Jesus Christus uit de doden ons deed wedergeboren worden tot een levende hoop,
5die in Gods kracht door het geloof wordt behouden, om tot een zaligheid te geraken, welke gereed ligt voor haar openbaring op het einde der tijden.
19maar door het kostbaar Bloed van Christus, als van een Lam zonder vlek of gebrek.
1Ik wil u prijzen, Jahweh, mijn Koning; U loven, God van mijn heil. Ik wil uw Naam roemen, stut van mijn leven,
8Toen dacht ik aan Jahweh’s barmhartigheid terug, En aan zijn goedheid van weleer: Hoe Hij redt, die op Hem vertrouwen, En hen van alle kwaad verlost!
12Daarom zal ik loven en prijzen En blijven zegenen de Naam van Jahweh!
3Zalig hij, die de woorden voorleest der Profetie; ook zij die ze horen, en die bovendien onderhouden, wat daarin geschreven staat. Want de tijd is nabij!
5en van Jesus Christus, den waarachtigen Getuige, den Eerstgeborene der doden en den Opperste van de koningen der aarde. Aan Hem, die ons bemint, die ons door zijn Bloed van de zonde verlost heeft,
6die ons ook tot een koningschap heeft gemaakt, tot priesters voor zijn God en zijn Vader: aan Hem zij de glorie en de macht in de eeuwen der eeuwen. Amen!
17De vrede werd mijn ziel ontroofd, Wat geluk is, ken ik niet meer.
26Goed is het, gelaten te wachten Op redding van Jahweh;
58Heer, Gij naamt het voor mij op, En hebt mijn leven gered!
3genade en vrede zij u van God onzen Vader en van den Heer Jesus Christus.
9wil ik daarom toch liever een beroep op uw liefde doen. Zie, ik Paulus, een oud man en thans bovendien nog geboeid voor Christus Jesus,
25De genade van den Heer Jesus Christus zij met uw geest!
6en dat de toenmalige wereld door beide wateren werd overstroomd en verging.
11En wanneer zó dit alles ineen stort, hoe moet gij dan wel uitmunten in heilige wandel en vroomheid,
18Neemt liever toe in genade en kennis van Jesus Christus onzen Heer en Verlosser. Hem zij de glorie nu en tot de Dag der Eeuwigheid.
12Ik behoud een ootmoedig en nederig volk in uw midden, Dat zijn toevlucht zoekt bij Jahweh’s Naam.
14Jubel, dochter van Sion; Israël, juich; Verheug en verblijd u, dochter van Jerusalem, met heel uw hart:
17Jahweh, uw God, is te midden van u, een reddende Held. Hij zal om u juichen van vreugde, En zijn liefde vernieuwen, Als op een feestdag huppelen van blijdschap om u!
13Hij heeft ons uit de macht der duisternis bevrijd en ons overgebracht naar het Rijk van zijn geliefden Zoon,
14door wien we de verlossing hebben verkregen, de vergiffenis der zonden.
26het heilsgeheim, dat sinds de aanvang der eeuwen en geslachten verborgen is geweest, maar thans aan zijn heiligen is geopenbaard.
13De geest van die Jahweh vrezen, zal leven, Want hun hoop is op hun Redder gesteld.
15Wie Jahweh vreest, gelukkig zijn ziel! Wie is het, op wien hij vertrouwt, en Wie is zijn steun?
17Hij verkwikt de ziel, en verlicht de ogen, Hij schenkt genezing, leven en zegen.
12Bij niemand anders is er redding. Want onder de hemel is geen andere Naam aan de mensen gegeven, waardoor we zalig moeten worden.
30door uw hand uit te strekken tot genezing, tot tekenen en wonderen, door de naam van Jesus, uw heiligen Dienaar.
33Met grote kracht legden de apostelen getuigenis af van de verrijzenis van Jesus, den Heer, en aan allen werd grote genade geschonken.
16Weest altijd blijde.
17Bidt zonder ophouden;
28De genade van onzen Heer Jesus Christus zij met u!