8Wie zijn bezit vermeerdert met rente en toeslag, Spaart het op voor hem, die goed is voor de armen.
18Wie onberispelijk wandelt, wordt gered; Wie verkeerde wegen gaat, valt in een kuil.
26Wie op zichzelf vertrouwt, is een domoor; Wie in wijsheid wandelt, wordt gered.