7Nóga, Néfeg, Jafia,
8Elisjama, Eljada en Elifélet.
18Malkiram, Pedaja, Sjenassar, Jekamja, Hosjama en Nedabja.
138 resultados encontrados
7Nóga, Néfeg, Jafia,
8Elisjama, Eljada en Elifélet.
18Malkiram, Pedaja, Sjenassar, Jekamja, Hosjama en Nedabja.
4Abisjóea, Naäman en Achóach.
5Gera, Sjefoefam en Choeram
22Jisjpan, Éber, Eliël,
4Ik heb groot vertrouwen op u, veel over u te roemen; ik ben vervuld van troost, overstelpt van blijdschap bij al onze wederwaardigheden.
6Maar God, de Trooster der bedrukten, troostte ons door Titus’ komst;
7en niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost, die hijzelf bij u had gevonden. Want hij verhaalde ons van uw verlangen, uw deernis, uw ijver voor mij. Daardoor werd ik nog veel blijder gestemd.
6En thans sta ik terecht om de verwachting van de Belofte, die God aan onze vaderen deed,
7en wier vervulling onze twaalf stammen vol hoop tegemoet blijven zien, door God dag en nacht met ijver te dienen. Om die verwachting, o koning, word ik door de Joden beschuldigd.
27Gelooft ge aan de profeten, koning Agrippa? Ik weet, dat ge er aan gelooft.
2Opent de poorten: een vroom volk gaat er binnen, Dat de trouw heeft bewaard, standvastig van hart.
3Gij schenkt het een heerlijke vrede, Omdat het op U heeft gehoopt.
8Zelfs op het pad van uw straffen, o Jahweh, Blijven ze nog op U hopen! Naar uw Naam en uw glorie Verlangt onze ziel;
13Zo verkracht gij Gods woord door uw overlevering, die gij blijft leren. En dergelijke dingen doet gij bij hopen.
16Zo iemand oren heeft om te horen, hij hore!
34Hij zag op naar de hemel, slaakte een zucht, en zeide tot hem: Effetá, dat is: ga open.
2dat gij elkander in liefde verdraagt met alle ootmoedigheid, zachtheid en geduld;
4Eén lichaam en één geest, zoals gij ook geroepen zijt tot één hoop, die aan uw roeping ontspruit;
5één Heer, één geloof, één doopsel;
6Naar Egypte steken wij de handen uit, Naar Assjoer om brood!
21Ach Jahweh, breng ons tot U terug: wij willen bekeren; Maak onze dagen weer als voorheen!
22Neen, Gij hebt ons niet voor immer verworpen, Gij blijft op ons niet zo hevig verbolgen!
5Door den Geest immers verwachten we de gehoopte gerechtigheid uit kracht van het geloof;
22Maar de vrucht van de geest is: liefde, blijdschap en vrede; lankmoedigheid, welwillendheid en goedhartigheid; betrouwbaarheid,
26niet begerig naar ijdele glorie, elkander niet tartend, elkaar niet benijdend.
4Ge moet hun zeggen: Zo spreekt Jahweh! Staat iemand, die valt, nooit meer op; Keert iemand, die heengaat, niet terug?
15Op heil nog hopen? Geen goed te verwachten! Op een tijd van genezing? Neen, van verschrikking!
20De oogst is voorbij, de zomer ten einde, En we zijn nòg niet gered.
7De goede strijd heb ik gestreden, de wedloop volbracht, het geloof bewaard.
15en ook gij moet u voor hem wachten. Zeer heftig toch heeft hij ons pleidooi bestreden.
22De Heer zij met uw geest. De genade zij met u allen!
7Maar de Makkabeër, die met het volste vertrouwen op de hulp des Heren bleef hopen,
16Ontvang dit heilige zwaard als een geschenk van God. Hiermee zult ge uw vijand verslaan!
23Heer des Hemels, zend ook thans ons een goeden engel vooruit, om angst en schrik te verspreiden.
3Zonder ophouden toch zijn we voor God, onzen Vader, uw werkdadig geloof indachtig, uw zwoegende liefde, uw geduldige hoop op onzen Heer Jesus Christus.
4Van God geliefde broeders, van uw uitverkiezing zijn we overtuigd.
10en om uit de hemel zijn Zoon te verwachten, dien Hij van de doden heeft opgewekt: Jesus, die ons verlost van de komende Toorn.
6Ge moet ze in twee stapels van zes op de tafel van zuiver goud leggen voor het aanschijn van Jahweh.
17Wanneer iemand een mens, wien ook, doodt, moet hij worden gedood;
18leven voor leven.
12Ik behoud een ootmoedig en nederig volk in uw midden, Dat zijn toevlucht zoekt bij Jahweh’s Naam.
17Jahweh, uw God, is te midden van u, een reddende Held. Hij zal om u juichen van vreugde, En zijn liefde vernieuwen, Als op een feestdag huppelen van blijdschap om u!
20In die tijd leid Ik u terug, In die tijd verzamel Ik u! Waarachtig, dan schenk Ik u glorie en eer Onder alle volken der aarde, Als Ik uw lot voor uw ogen Ten beste heb gekeerd, spreekt Jahweh!
29Baäla, Ijjim, Esem,
50Anab, Esjtemo, Anim,
52Arab, Doema, Esjan,
1Ik wil u prijzen, Jahweh, mijn Koning; U loven, God van mijn heil. Ik wil uw Naam roemen, stut van mijn leven,
8Toen dacht ik aan Jahweh’s barmhartigheid terug, En aan zijn goedheid van weleer: Hoe Hij redt, die op Hem vertrouwen, En hen van alle kwaad verlost!
29Wanneer uw ziel in mijn leer haar genot vindt, Stelt mijn lofzang u niet teleur.
5Verachting voor de beproefden: denkt het gelukskind, En een trap voor hen, wier voeten wankelen;
6Maar vrede voor de tenten der rovers, Onbezorgdheid voor hen, die God durven tarten, En die God naar hun hand willen zetten!
22-
7Jahweh, luister naar mijn smeken, Ontferm U mijner, en wil mij verhoren.
13O, als ik er eens niet zeker van was, Nog in het land der levenden Jahweh’s goedheid te zien!
14Vertrouw maar op Jahweh; wees welgemoed! Sterk zij uw hart; blijf hopen op Jahweh!
13in afwachting "tot zijn vijanden neergelegd zijn als voetbank voor zijn voeten."
27maar slechts een vreselijke verwachting van oordeel en vuurgloed, die de weerspannigen zal verslinden.
35Werpt dus uw vast vertrouwen niet weg, dat een grote beloning in zich sluit.