9Weerstaat hem, sterk door het geloof! Denkt er aan, dat aan uw broeders, over de wereld verspreid, het lijden is toegemeten in dezelfde mate.
11Hem is de kracht in de eeuwen der eeuwen. Amen!
14Vrede zij u allen, die in Christus zijt!
130 resultados encontrados
9Weerstaat hem, sterk door het geloof! Denkt er aan, dat aan uw broeders, over de wereld verspreid, het lijden is toegemeten in dezelfde mate.
11Hem is de kracht in de eeuwen der eeuwen. Amen!
14Vrede zij u allen, die in Christus zijt!
7Als een boosdoener sterft, vervliegt zijn hoop; De verwachting der zondaars loopt uit op niets
23De wens der rechtvaardigen loopt uit op geluk, De verwachting der bozen op toorn.
27Wie naar het goede streeft, vindt welbehagen; Wie het kwaad najaagt, hem zal het treffen.
1Uw broeder zal men noemen: "Mijn volk"; Uw zuster: "Ontferming"!
15Dan geef Ik ze haar wijngaarden terug, Het Akordal als poort der hoop.
19Ik zal Mij verloven met u, Verloven voor eeuwig: Naar recht en naar wet, In goedheid en liefde;
3Want Jahweh’s naam wil ik verkonden; Geeft eer aan onzen God!
19God zag het, en verwierp Uit gramschap zijn zonen en dochters.
40Waarachtig, Ik hef mijn hand naar de hemel, En zeg: Zowaar Ik eeuwig leef!
28Wij wensen, dat het u goed gaat. Wij persoonlijk maken het uitstekend.
33Moge het u goed gaan! De vijftiende Xántikus van het jaar 148.
38Moge het u goed gaan! De vijftiende Xántikus van het jaar 148.
4Door Christus hebben we dit zelfvertrouwen bij God.
8hoe veel te meer moet dan de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn!
12In het bezit van zulk een hoop, tonen we ook grote openhartigheid;
3Wie deze hoop op Hem stelt, houdt zich rein, zoals Hij rein is.
14We weten, dat we uit de dood tot het leven zijn overgegaan, omdat we de broeders beminnen; die niet bemint, blijft in de dood.
21Geliefden, als ons hart ons niet aanklaagt, dan hebben we vertrouwen op God,
13in afwachting "tot zijn vijanden neergelegd zijn als voetbank voor zijn voeten."
23Laat ons onwrikbaar vasthouden aan de belijdenis der hoop; want Hij die de belofte deed, is getrouw.
35Werpt dus uw vast vertrouwen niet weg, dat een grote beloning in zich sluit.
4Noë. Sem, Cham en Jáfet.
25Éber en Páleg; Ragaoe,
26Seroeg, Nachor, Tara
2Eens toen de gemeenschap geen water had, liep men tegen Moses en Aäron te hoop.
16Wij hebben tot Jahweh geroepen, en Hij heeft ons gehoord, en zijn engel gezonden, om ons uit Egypte te leiden. Nu zijn wij in Kadesj, een stad aan de grens van uw gebied,
25Neem Aäron en zijn zoon Elazar met u mee, en laat ze de berg Hor bestijgen.
2Steeds danken we God voor u allen, zo dikwijls we u herdenken in onze gebeden.
3Zonder ophouden toch zijn we voor God, onzen Vader, uw werkdadig geloof indachtig, uw zwoegende liefde, uw geduldige hoop op onzen Heer Jesus Christus.
4Van God geliefde broeders, van uw uitverkiezing zijn we overtuigd.
30Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
31God! Volmaakt zijn Zijn wegen, Jahweh’s woord is gelouterd. Hij is voor allen een schild, Die vluchten tot Hem.
33God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
17Nu ontspon zich een verschrikkelijk gevecht, en aan beide zijden vielen ze bij hopen.
21Hoe is de held gevallen, De redder van Israël!
46Roept dus luid de Hemel aan, opdat gij uit de handen van onze vijanden moogt worden gered!
29Baäla, Ijjim, Esem,
50Anab, Esjtemo, Anim,
52Arab, Doema, Esjan,
7en wier vervulling onze twaalf stammen vol hoop tegemoet blijven zien, door God dag en nacht met ijver te dienen. Om die verwachting, o koning, word ik door de Joden beschuldigd.
8Wat ongelovigs vindt gij er in, dat God doden doet verrijzen?
27Gelooft ge aan de profeten, koning Agrippa? Ik weet, dat ge er aan gelooft.
15Jibchar, Elisjóea, Néfeg en Jafia,
16Elisjama, Eljada en Elifélet.
18Toen de Filistijnen gekomen waren en zich over het dal der Refaïeten verspreid hadden,
2Opent de poorten: een vroom volk gaat er binnen, Dat de trouw heeft bewaard, standvastig van hart.
3Gij schenkt het een heerlijke vrede, Omdat het op U heeft gehoopt.
8Zelfs op het pad van uw straffen, o Jahweh, Blijven ze nog op U hopen! Naar uw Naam en uw glorie Verlangt onze ziel;
18leven voor leven.
21Wie een dier doodt, moet het vergoeden; wie een mens doodt, moet worden gedood.
22Diezelfde wet moet bij u gelden voor den vreemdeling zowel als voor den ingezetene. Want Ik ben Jahweh, uw God!
1Ijdele en bedriegelijke hoop is goed voor een zot, En droomgezichten brengen de dwazen van streek;
5Waarzeggerij, wichelarij en dromen zijn ijdel; Want het hart beeldt zich in, wat het hoopt.
17Hij verkwikt de ziel, en verlicht de ogen, Hij schenkt genezing, leven en zegen.
6Dit laatste echter bedoel ik als een verlof, en niet als bevel.
32en daarom wil ik, dat gij zonder zorgen zijt. —De òngehuwde is bezorgd over de dingen des Heren, hoe hij behagen zal aan den Heer;
40Toch is ze gelukkiger, zo ze blijft, zoals ze is; volgens mijn gevoelen althans. En ik meen toch wel, Gods Geest te hebben.