2Al denkt de mens, dat al zijn wegen recht zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst.
8Kronkelig is de weg van een bedrieger; Wie eerlijk is, handelt oprecht.
21Wie naar rechtvaardigheid en goedheid streeft, Zal leven vinden en aanzien.
167 resultados encontrados
2Al denkt de mens, dat al zijn wegen recht zijn, Het is Jahweh, die de harten toetst.
8Kronkelig is de weg van een bedrieger; Wie eerlijk is, handelt oprecht.
21Wie naar rechtvaardigheid en goedheid streeft, Zal leven vinden en aanzien.
17beval Jesse zijn zoon David: Neem voor uw broers een efa van die geroosterde korrels en deze tien broden mee, en breng ze vlug in het legerkamp naar uw broers;
21en Israëlieten en Filistijnen zich tegenover elkander in slagorde stelden.
56Daarom beval de koning: Ga dan eens vragen, van wien die jongen de zoon is.
17En toen hij uitgesproken had, wierp hij het kinnebak weg, en noemde de plaats Ramat-Léchi.
19Toen kliefde God de rotsspleet van Léchi, en er kwam water uit; hij dronk ervan, zijn krachten keerden terug, en hij leefde weer op. Daarom heet die bron En-Hakkore; ze bevindt zich ook nu nog in Léchi.
20Zo was hij ten tijde der Filistijnen gedurende twintig jaar rechter over Israël.
7Wanneer de duizend jaar voleind zullen zijn, dan zal de Satan worden losgelaten uit zijn kerker.
8Dan zal hij uittrekken, om de volkeren te verleiden aan de vier hoeken der aarde, —"Gog en Magog", —en om ze te verzamelen tot de strijd; hun getal zal zijn als het zand aan de zee.
15En wie niet geschreven stond in het Boek des Levens, ook hij werd in de vuurpoel geworpen.
9een ander het geloof door denzelfden Geest, een ander de gaven der genezing door den énen Geest.
15Al zei de voet: omdat ik geen hand ben, behoor ik niet tot het lichaam; toch behoort hij tot het lichaam.
27Welnu, gij zijt het lichaam van Christus, en ieder in het bijzonder zijn leden.
3en aan alle vier zijden twintig voet breed waren, en hij maakte haar poorten even hoog als de torens.
9aan allen die in Samaria woonden en over de Jordaan tot aan Jerusalem toe, en aan de gehele landstreek Gésjem tot aan de grens van Ethiopië.
11maar allen weigerden eenstemmig, zonden hen onverrichterzake terug en wezen hen oneerbiedig af.
7Wijs dus de profane oudewijven-fabels van u af. Oefen ook uzelf in godsvrucht.
12Zeker, niemand mag uw jeugd verachten; maar wees gij dan ook een voorbeeld voor de gelovigen in woord en in wandel, in liefde, in geloof en in onschuld.
16Geef acht op uzelf en op het onderricht; blijf daarin volharden. Want zo ge het doet, redt ge uzelf en uw hoorders.
3De oorlog wordt door Hem beslist: De Heer is zijn naam;
15Nu laat ons voor den Heer een loflied zingen, Een nieuwe lofzang voor onzen God!
19Wie den Heer blijft vrezen, is altijd groot;
1In drie dingen vindt mijn ziel behagen; Want lieflijk zijn ze voor God en de mensen: Eendracht onder broeders, liefde voor den evenmens, En man en vrouw, die bij elkander goed passen.
11De vreze des Heren gaat alles te boven; Wie haar bezit, met wien zal men hem vergelijken?
12De vreze des Heren is het begin van de liefde; Maar het geloof is het begin van onze verbinding met Hem.
10legde de hogepriester hem uit, dat het hier ging over een geldbelegging van weduwen en wezen,
29Want daar lag hij neergesmakt door Gods kracht, sprakeloos en zonder de minste hoop op herstel.
38Als ge een vijand hebt of een oproermaker, stuur hem er heen, en ge krijgt hem terug, gegeseld en wel, àls hij er tenminste het leven nog afbrengt. Waarachtig, daar woont een goddelijke macht!
3Want Jehosjóea stond met besmeurde kleren voor den engel.
7Wanneer gij mijn wegen bewandelt, En trouw in mijn bediening zijt, Dan zult gij ook mijn huis besturen, En mijn voorhoven bewaken. Dan verleen Ik u, te mogen verkeren Onder hen, die hier staan!
10Op die dag, is de godsspraak van Jahweh der heirscharen, Nodigt gij allen elkander uit Onder de wijnstok en vijg!
10Hij, die iedere levende ziel in zijn hand heeft, En de adem van alle menselijk vlees!
11Of kan het oor geen woorden meer toetsen, Het gehemelte geen spijzen meer proeven;
22-
11En Isj-Bósjet durfde Abner geen woord meer zeggen, zo bang was hij voor hem.
25Begrijpt gij dan niet, dat Abner, de zoon van Ner, gekomen is, om u te misleiden, om uw doen en laten te bespieden, en alles te weten te komen wat gij onderneemt?
29Het moge neerkomen op het hoofd van Joab en van heel zijn familie. Steeds moge er in de familie van Joab iemand zijn, die aan vloeiing of melaatsheid lijdt, die op krukken gaat, door het zwaard komt te vallen of broodsgebrek heeft!
3De ene mens koestert toorn tegen den ander; Toch verwacht hij genezing van God.
7Denk aan de geboden en wrok niet tegen uw naaste, Aan het verbond van den Allerhoogste en vergeef zijn fout.
16Wie er geloof aan slaat, heeft geen rust, Geen vrede meer in zijn huis.
29Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
32God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
47Gij hebt mij gewroken, o God, Volkeren aan mij onderworpen;
10Ge moet een juiste weegschaal gebruiken, volwaardige maten en vaten.
13De volgende belasting moet ge heffen: een zesde efa van elke chómer tarwe, en een zesde efa van elke chómer gerst.
24bovendien een meeloffer van een efa per var en een efa per ram, en bij elke efa een hin olie.
4Hij riep de zonen van Aäron en de levieten bijeen;
17De levieten wezen dus Heman aan, den zoon van Joël, met zijn stamgenoot Asaf, den zoon van Berekjáhoe, en van de Merarieten, hun ambtgenoten, Etan, den zoon van Koesjajáhoe.
21Mattitjáhoe, Elifeléhoe, Miknejáhoe, Obed-Edom, Jeïël en Azazjáhoe met citers, om een octaaf lager te begeleiden.
7Verdraag het dus als een kastijding; God behandelt u als zonen. Want is er wel een zoon, die door zijn vader niet wordt gekastijd?
23tot de gemeente der eerstgeborenen, opgeschreven in de hemel; tot God den Rechter van allen; tot de geesten der rechtvaardigen, die hun voleinding hebben bereikt;
29Want onze God is een verterend vuur!
2Daar kwamen de opperpriesters en de aanzienlijksten onder de Joden Paulus bij hem aanklagen,
3en verzochten als gunst, dat hij hem naar Jerusalem zou laten ontbieden. Want ze wilden hem een hinderlaag leggen, om hem onderweg te vermoorden.
19doch ze twistten met hem over enige punten van hun eigen geloof, en over een zekeren Jesus, die gestorven is, en van wien Paulus beweert, dat Hij leeft.
2Gij weet toch wel, welke voorschriften we u uit naam van den Heer Jesus hebben gegeven.
5niet in hartstochtelijke begeerlijkheid, zoals de heidenen, die God niet kennen;
18Vertroost dus elkander met deze woorden.