5Laat alle mensen uw minzaamheid zien. De Heer is nabij;
20Aan onzen God en Vader zij de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen.
23De genade van den Heer Jesus Christus zij met uw geest.
200 resultados encontrados
5Laat alle mensen uw minzaamheid zien. De Heer is nabij;
20Aan onzen God en Vader zij de glorie in de eeuwen der eeuwen. Amen.
23De genade van den Heer Jesus Christus zij met uw geest.
4Hoor, Israël! Jahweh is onze God, en Jahweh alleen!
12zorg er dan voor Jahweh niet te vergeten, die u uit het land van Egypte, uit het slavenhuis heeft geleid!
16Stelt Jahweh, uw God, niet op de proef, zoals gij Hem te Massa op de proef hebt gesteld.
26in Jesjóea, Molada, Bet-Pélet,
33Chasor, Rama, Gittáim,
34Chadid, Seboïm, Neballat,
18Ook Judas viel; en nu sloeg de rest op de vlucht.
21Hoe is de held gevallen, De redder van Israël!
46Roept dus luid de Hemel aan, opdat gij uit de handen van onze vijanden moogt worden gered!
7Maar de Makkabeër, die met het volste vertrouwen op de hulp des Heren bleef hopen,
16Ontvang dit heilige zwaard als een geschenk van God. Hiermee zult ge uw vijand verslaan!
23Heer des Hemels, zend ook thans ons een goeden engel vooruit, om angst en schrik te verspreiden.
11Neen; we geloven, dat wij worden gered door de genade van den Heer Jesus Christus, juist zoals zij.
26mensen, die hun leven veil hebben voor de naam van onzen Heer Jesus Christus.
29dat gij u onthoudt van offervlees, van bloed en verstikt vlees, en van ontucht. Zo gij u daarvoor in acht neemt, handelt gij goed. Vaarwel.
3Israël heeft het heil verstoten, De vijand zal het vervolgen.
5Samaria, Ik stoot uw kalf van Mij weg: Hoelang is er mijn toorn al tegen ontbrand? Reinigen kan men het niet,
8Verslonden wordt Israël! Nu zijn ze onder de volken als een waardeloze pot,
15Ik bid U, Heer, mij uit de boeien dezer schande te bevrijden, of anders mij weg te nemen van de aarde.
16Gij weet, Heer, dat ik nooit een man heb begeerd, en mijn ziel rein heb bewaard van iedere lust.
23God van Israël, uw Naam zij gezegend voor eeuwig!
2Genade en vrede zij u van God onzen Vader en van den Heer Jesus Christus.
21Want leven is voor mij: "Christus," en sterven dus een gewin;
24Maar meer noodzakelijk is het om wille van u, dat ik blijf leven in het vlees.
1Het woord van Jahweh werd tot mij gericht:
28is hij tot beter inzicht gekomen, en bekeert hij zich van zijn zondig verleden, dan zal hij zeker in leven blijven en niet sterven.
31Werpt van u af de wandaden, waarmee ge u bezondigd hebt; vormt een nieuw hart en een nieuwe geest. Waarom zoudt ge sterven, huis van Israël?
20—een nieuwe en levende weg, die Hij ons heeft gebaand door het Voorhangsel heen, namelijk dat van zijn Vlees,
31Vreselijk is het, te vallen in de handen van den levenden God.
39Welnu, wij zijn geen mensen van terugdeinzen ten verderve, maar van geloven tot behoud onzer ziel.
8gezonde, onberispelijke taal, zodat de tegenstander beschaamd mag staan, daar hij van ons geen kwaad kan zeggen.
11Want Gods genade is verschenen, redding brengend aan alle mensen.
13om de zalige hoop te verwachten en de openbaring der glorie van onzen groten God en Zaligmaker Christus Jesus.
16want hoe weet ge, vrouw, of ge den man zult redden; en gij, man, hoe weet ge, of ge de vrouw redden zult?
21Zijt ge geroepen als slaaf, maak u daarover niet bekommerd; maar zo óók gij vrij kunt worden, maak dan liever van de gelegenheid gebruik.
40Toch is ze gelukkiger, zo ze blijft, zoals ze is; volgens mijn gevoelen althans. En ik meen toch wel, Gods Geest te hebben.
47In God, mijn Redder;
68Geloofd zij de Heer, Israëls God! Want Hij heeft zijn volk bezocht en verlost,
75Hem te dienen, vroom en rechtschapen, Voor zijn aanschijn al onze dagen.
6Heer, mijn knecht ligt thuis verlamd, en lijdt hevige pijnen.
7Jesus zeide hem: Ik zal komen, en hem genezen.
17opdat vervuld zou worden, wat door den profeet Isaias was gezegd: "Hij draagt onze kwalen en torst onze smarten".
10De God van alle genade, die u in Christus riep tot zijn eeuwige glorie, Hij zal u na kortstondig lijden oprichten en sterken, stevigen en bevestigen.
11Hem is de kracht in de eeuwen der eeuwen. Amen!
14Vrede zij u allen, die in Christus zijt!
6En gij, Pasjchoer, zult met heel uw gezin in ballingschap gaan. In Babel zult ge komen en sterven, daar worden begraven: gij met al uw vrienden, wien ge leugens hebt voorspeld!
13Zingt Jahweh ter eer, Brengt Jahweh lof: Want Hij redt het leven der armen Uit de handen der bozen!
18Waarom ben ik uit de moederschoot Ter wereld gekomen, Om kommer en jammer te zien, En mijn dagen in schande te slijten?
12Strijd de goede strijd van het geloof; ding naar het eeuwige leven, waartoe ge geroepen zijt, en voor vele getuigen de heerlijke belijdenis hebt afgelegd.
13Ik beveel u bij God, die alles ten leven verwekt, en bij Christus Jesus, die onder Póntius Pilatus de heerlijke belijdenis heeft afgelegd,
21waartoe sommigen zich hebben bekend, en het spoor in het geloof zijn bijster geworden. De genade zij met u allen!
8Opdat Gods werk niet zou verdwijnen, De genezing niet van het aanschijn der aarde.
13Ja, er komt een tijd, dat zijn hand alleen nog kan redden.
15Wie zondigt voor het aanschijn van zijn Schepper, Valt in de handen van den arts.
1Paulus, Silvanus en Timóteus, aan de kerk der Tessalonicenzen in God onzen Vader en in den Heer Jesus Christus:
2Genade en vrede zij u van God den Vader en van den Heer Jesus Christus.
8in een helvlammend vuur. Dan neemt Hij wraak over hen, die God niet kennen en niet luisteren naar het Evangelie van onzen Heer Jesus;