12Een oor dat hoort, en een oog dat ziet: Jahweh heeft ze beide gemaakt.
22Zeg niet: Ik zal u het kwaad vergelden! Vertrouw op Jahweh; Hij zal u helpen.
24Door Jahweh zijn de schreden der mensen bepaald; Hoe zou ook de mens zijn weg kunnen zien?
130 resultados encontrados
12Een oor dat hoort, en een oog dat ziet: Jahweh heeft ze beide gemaakt.
22Zeg niet: Ik zal u het kwaad vergelden! Vertrouw op Jahweh; Hij zal u helpen.
24Door Jahweh zijn de schreden der mensen bepaald; Hoe zou ook de mens zijn weg kunnen zien?
21Verwonder u niet over de zondaars; Vertrouw op Jahweh en wacht op zijn licht! Want gemakkelijk is het in de ogen van Jahweh, Plotseling den arme rijk te maken.
22De zegen Gods is het loon van den rechtvaardige; Te zijner tijd ontluikt zijn hoop.
27De tijd van ongeluk doet de vreugde vergeten, En 's mensen einde openbaart, wat hij is.
81Mijn ziel smacht naar uw heil, Ik vertrouw op uw woord;
116Sterk mij naar uw bestel, opdat ik blijf leven, En laat mijn hoop niet worden beschaamd;
170Moge mijn gebed voor uw aangezicht komen, Breng mij redding naar uw bestel.
6Was dan uw vroomheid niet uw hoop, Uw onberispelijke wandel niet uw vertrouwen?
17Is een mens ooit rechtvaardig voor God, Een mensenkind rein voor zijn Schepper?
21Die, als hun tentpin wordt uitgerukt, Gaan sterven, eer zij het weten!
14Jattir, Esjtemóa,
15Cholon, Debir,
36Uit de stam Ruben: Béser, Jáhas,
15Een vriendelijk gezicht van den koning betekent leven, Zijn welgevallen is als een wolk vol lenteregen.
18Hoogmoed komt vóór de val, Hooghartigheid, voordat men struikelt.
20Wie op zijn woorden let, heeft het goed; Gelukkig hij, die op Jahweh vertrouwt!
1Ik wil u prijzen, Jahweh, mijn Koning; U loven, God van mijn heil. Ik wil uw Naam roemen, stut van mijn leven,
8Toen dacht ik aan Jahweh’s barmhartigheid terug, En aan zijn goedheid van weleer: Hoe Hij redt, die op Hem vertrouwen, En hen van alle kwaad verlost!
12Daarom zal ik loven en prijzen En blijven zegenen de Naam van Jahweh!
2Op U blijf ik hopen; laat mij niet worden beschaamd, En den vijand niet de spot met mij drijven.
15Mijn ogen zijn altijd op Jahweh gericht; Want Hij trekt mijn voet uit de strikken.
21Maar mogen onschuld en deugd mij beschermen; Want op U blijf ik hopen, o Jahweh!
5Kunt ge met hem als met een vogeltje spelen, Bindt ge hem voor uw dochtertjes vast;
9Want uw hoop komt vast bedrogen uit! Reeds bij zijn aanblik wordt men neergeslagen
22In zijn nek zetelt kracht, Ontsteltenis danst voor hem uit;
14Een verstandig hart streeft naar kennis, De mond der dommen vermeit zich in dwaasheid.
23Men kan plezier hebben in zijn eigen antwoord; Maar hoe treffend is een woord, dat van pas komt!
33Het ontzag voor Jahweh voedt op tot wijsheid, Aan de eer gaat ootmoed vooraf.
6Vreugde en blijdschap zal hij vinden, En eeuwige roem doet zij hem erven.
15Als ge wilt, kunt ge de geboden bewaren. Als ge wijs zijt, volbrengt ge zijn wil.
17Vóór den mens ligt de keus tussen leven en dood; Wat hij verlangt, dat wordt hem gegeven.
3Hoelang nog zullen de zondaars, o Jahweh, Hoelang nog zullen de boosdoeners juichen?
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
11Die de nederigen op de hoogte verheft, En treurenden het hoogste geluk doet smaken.
16Zodat er weer hoop voor den zwakke is, En het onrecht de mond sluit.
18Want Hij wondt, maar verbindt, Hij kwetst, maar zijn handen genezen.
26Op het ontzag voor Jahweh mag de sterke vertrouwen, Ook zijn kinderen vinden daarin een toevlucht.
27Het ontzag voor Jahweh is een bron van leven; Daardoor vermijdt men de strikken des doods.
29De lankmoedige is rijk aan doorzicht, De ongeduldige stapelt dwaasheden op.
20Onze ziel blijft opzien tot Jahweh: Hij is onze hulp en ons schild;
21In Hem verheugt zich ons hart, Wij vertrouwen op zijn heilige Naam.
22Uw genade, o Jahweh, dale over ons neer, Naarmate wij op U blijven hopen!
7Dan schijnt uw vroeger lot slechts gering, Wordt ver door uw nieuwe staat overtroffen.
13Zo vergaat het allen, die God vergeten, Wordt de hoop van de bozen te schande!
14Een herfstdraad is zijn vertrouwen, Zijn toeverlaat een spinneweb;
20Ziet ge iemand, die overijld spreekt: Voor een dwaas is er meer hoop dan voor hem.
23Hoogmoed brengt een mens ten val, Ootmoed brengt hem tot eer.
25Menselijk opzicht spant een strik; Maar wie op Jahweh vertrouwt, is veilig.
2Kinderen, hoe lang nog zwaarmoedig; Waarom ijdele verwachting, bedriegelijke hoop nagejaagd?
5Brengt uw verschuldigde offers, En stelt uw vertrouwen op Jahweh.
6Velen zeggen: "Wie verleent ons geluk; Laat het licht van uw aanschijn over ons opgaan!"
2Zoals een slaaf, die naar de schaduw verlangt, Zoals een knecht, die op zijn loon staat te wachten:
7Bedenk, dat mijn leven een ademtocht is, Dat mijn oog nooit meer het geluk zal aanschouwen;
13Wanneer ik denk: mijn bed brengt mij troost, Mijn sponde zal mijn zuchten verlichten:
8Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!
11Die Jahweh vrezen, blijven op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild!
18Maar wij, wij zullen Jahweh loven, Van nu af tot in eeuwigheid!