7Dan schijnt uw vroeger lot slechts gering, Wordt ver door uw nieuwe staat overtroffen.
13Zo vergaat het allen, die God vergeten, Wordt de hoop van de bozen te schande!
14Een herfstdraad is zijn vertrouwen, Zijn toeverlaat een spinneweb;
138 resultados encontrados
7Dan schijnt uw vroeger lot slechts gering, Wordt ver door uw nieuwe staat overtroffen.
13Zo vergaat het allen, die God vergeten, Wordt de hoop van de bozen te schande!
14Een herfstdraad is zijn vertrouwen, Zijn toeverlaat een spinneweb;
4Zo hangt er een floers voor mijn geest, En mijn hart is ontsteld in mijn borst.
6En strek mijn handen naar U uit; Naar U smacht mijn ziel Als een dorstende bodem.
8Laat mij spoedig uw goedertierenheid smaken, Want op U blijf ik hopen! Toon mij de weg, die ik volgen moet, Want tot U verhef ik mijn geest.
16Heb ik ooit een arme een bede geweigerd, De ogen van een weduwe laten versmachten;
24Indien ik op goud mijn vertrouwen heb gesteld, Het fijnste goud mijn hoop heb genoemd;
30Heb ik mijn gehemelte niet verboden te zondigen, En door een verwensing zijn leven te eisen;
2Kinderen, hoe lang nog zwaarmoedig; Waarom ijdele verwachting, bedriegelijke hoop nagejaagd?
5Brengt uw verschuldigde offers, En stelt uw vertrouwen op Jahweh.
7Jahweh, Gij bereidt mijn hart groter vreugd, Dan hùn door overvloed van koren en most.
1De mens, geboren uit een vrouw, Leeft korte tijd en vol ellende;
7Ja, voor een boom is er hoop, als hij wordt omgehakt: Hij loopt weer uit, en zijn loten houden niet op.
19Het water de stenen uitholt, Een stortregen de aardbodem wegspoelt: Zo slaat Gij de hoop der mensen de bodem in,
7Zijn mond zit vol bedrog en geweld, Verderf en onheil kleven aan zijn tong.
12Sta op dan Jahweh! Steek uw hand uit, o God; Vergeet de ongelukkigen niet!
17Hoor het smachtend verlangen der armen, o Jahweh; Luister naar de roep van hun hart:
19God heeft mij in de modder geworpen, Ik zie er uit als stof en as.
24Maar steekt een drenkeling de hand niet uit, Roept men in zijn ellende niet om hulp?
26Ja, ik hoopte op geluk, maar het onheil kwam; Ik verwachtte het licht, maar het duister viel in.
3Toch troont Gij in het heiligdom, Gij, Israëls hoop!
4Op U hebben onze vaderen vertrouwd, Op U zich verlaten, Gij hebt ze verlost;
8"Hij heeft op Jahweh vertrouwd. Laat Die hem nu helpen, En hem verlossen, wanneer Hij hem liefheeft!"
2Zoals een slaaf, die naar de schaduw verlangt, Zoals een knecht, die op zijn loon staat te wachten:
7Bedenk, dat mijn leven een ademtocht is, Dat mijn oog nooit meer het geluk zal aanschouwen;
13Wanneer ik denk: mijn bed brengt mij troost, Mijn sponde zal mijn zuchten verlichten:
1Een bedevaartslied. Tot U hef ik mijn ogen omhoog, Tot U, die troont in de hemel!
3Ontferm U onzer, o Jahweh. Ach, erbarm U over ons! Want we zijn met hoon overkropt,
4En onze ziel is er zat van: Door de spot van de snoevers, Door de smaad van de trotsen.
11Neen, Jahweh kent de gedachten der mensen, Hij weet, dat het hersenschimmen zijn.
15Hoe de brave zijn recht weer verkrijgt, Alle oprechten van hart weer geluk!
19En wanneer zware zorgen mij innerlijk drukken, Dan verkwikt uw vertroosting mijn ziel.
1Een bedevaartslied. Uit de diepten, o Jahweh, roep ik tot U,
5Mijn ziel schouwt hunkerend naar zijn belofte, Mijn ziel smacht naar den Heer;
6Meer dan wachters naar de morgen,
8"Een helse pest kleeft hem aan; Waar hij ligt, blijft hij liggen!"
9Zelfs mijn vriend, op wien ik vertrouwde, En die mijn brood heeft gegeten, heft de hiel tegen mij op.
13Geloofd zij Jahweh, lsraëls God Van eeuwigheid tot eeuwigheid. Amen, Amen!
5Vertrouw rustig op God, mijn ziel, Want van Hem komt mijn heil;
8Blijf altijd op God vertrouwen, mijn volk, Stort uw hart voor Hem uit: onze toevlucht is God!
10Ook in afpersing stelt geen vertrouwen. Op diefstal geen ijdele hoop; En als de rijkdom vermeerdert, Hecht uw hart er niet aan.
1Halleluja! Looft Jahweh’s Naam, Looft Hem, dienaars van Jahweh:
18Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!
19Huis van Israël, zegent dan Jahweh; Huis van Aäron, zegent dan Jahweh;
8Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!
11Die Jahweh vrezen, blijven op Jahweh vertrouwen: Hij is hun hulp en hun schild!
18Maar wij, wij zullen Jahweh loven, Van nu af tot in eeuwigheid!
6Maar Gij haat, die op nietige afgoden hopen. Neen, ik blijf op Jahweh vertrouwen,
7Wil juichen en jubelen in uw genade. Want Gij ziet mijn ellende, En kent de angst van mijn ziel.
14Maar ik blijf op U hopen, o Jahweh, En zeggen: Gij zijt mijn God!
29Met U durf ik de stormloop beginnen, Met mijn God de wallen bespringen.
32God! Hij omgordt mij met kracht, En baant mij een veilige weg;
48Mij van mijn grimmigen vijand verlost, Zege over mijn bestrijders verleend, mij van geweldenaars bevrijd!