12 And to the rest I speak -- not the Lord -- if any brother hath a wife unbelieving, and she is pleased to dwell with him, let him not send her away;

13 and a woman who hath a husband unbelieving, and he is pleased to dwell with her, let her not send him away;

14 for the unbelieving husband hath been sanctified in the wife, and the unbelieving wife hath been sanctified in the husband; otherwise your children are unclean, but now they are holy.

12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: Indien enig broeder een ongelovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate.

13 En een vrouw, die een ongelovige man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.

14 Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door den man; want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig.