1 Intussen waren er zoveel mensen toegestroomd, dat ze elkaar verdrongen. Jezus begon te spreken, in de eerste plaats tot zijn leerlingen: "Wees op je hoede voor de desem – dat wil zeggen: de hypocrisie – van de farizeeën. 2 Er is niets verborgen dat niet zal worden onthuld en er is niets geheim dat niet zal worden bekendgemaakt. 3 Wat jullie in het donker hebben gezegd, zal in het licht worden gehoord, en wat jullie in de binnenkamer hebben gefluisterd, zal van de daken worden verkondigd.
4 Mijn vrienden, Ik zeg jullie: wees niet bang voor wie wel het lichaam doden maar verder niets kunnen doen. 5 Ik zal jullie vertellen voor wie jullie wel bang moeten zijn: wees bang voor Degene die de macht heeft om je in de hel te gooien nadat je lichaam is gedood. Jazeker, Ik zeg jullie: voor Hem moeten jullie bang zijn. 6 Worden mussen niet per vijf verkocht voor twee kopermuntjes? Toch is er niet één die niet door God wordt opgemerkt. 7 En alle haren op je hoofd zijn geteld. Wees dus niet bang; jullie zijn veel meer waard dan mussen.
8 Ik zeg jullie: ieder die Mij erkent bij de mensen, zal door de Mensenzoon worden erkend bij Gods engelen. 9 Maar wie Mij verloochent bij de mensen, zal worden verloochend bij Gods engelen. 10 Ieder die iets lelijks zegt over de Mensenzoon, kan worden vergeven, maar wie de Heilige Geest belastert, zal niet worden vergeven.
11 Wanneer jullie voor de synagogen, heersers en gezaghebbers worden gesleept, maak je dan niet bezorgd over hoe je jezelf moet verdedigen of wat je moet zeggen, 12 want de Heilige Geest zal je op dat moment leren wat je moet zeggen."
13 Iemand in de menigte zei tegen Jezus: "Leraar, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen." 14 Maar Jezus antwoordde: "Wie heeft Mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?" 15 Toen zei Jezus tegen hen: "Pas op; wees op je hoede voor iedere vorm van hebzucht, want zelfs als iemand veel bezittingen heeft, is hij niet meester van zijn leven." 16 Jezus vertelde hun een parabel: "Er was eens een rijk man, met land dat een grote oogst had opgeleverd. 17 Hij begon zich af te vragen: Wat zal ik doen? Ik heb geen plaats om mijn oogst op te slaan. 18 Toen zei hij: ‘Ik zal het volgende doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen. Daarin zal ik al mijn graan en mijn voorraden bewaren. 19 Dan zal ik tegen mezelf zeggen: Jongen, je hebt veel voorraden opgeslagen waar je vele jaren van kan leven. Ontspan je: eet, drink en geniet.’ 20 Maar God zei tegen hem: ‘Jij dwaas, vannacht zal Ik je leven van je opeisen; wie krijgt dan wat je voor jezelf hebt opgespaard?’ 21 Zo zal het de persoon vergaan die rijkdom voor zichzelf vergaart maar in Gods ogen niet rijk is."
22 Jezus zei tegen zijn leerlingen: "Daarom zeg Ik jullie: wees niet ongerust over je leven, over wat je zal eten of drinken, of over je lichaam, over hoe je je zal kleden. 23 Het leven is immers meer dan eten en het lichaam is meer dan kledij. 24 Kijk naar de raven: zij zaaien of oogsten niet en ze hebben geen opslagruimte of schuur, maar toch geeft God hun te eten. Jullie zijn toch meer waard dan de vogels? 25 Wie van jullie kan door ongerust te zijn een uur aan zijn leven toevoegen? 26 Als jullie zelfs zoiets kleins niet kunnen, waarom zouden jullie dan bezorgd zijn over het overige? 27 Kijk hoe de wilde bloemen groeien: ze spinnen en weven niet en toch, zeg Ik jullie, was zelfs Salomo in al zijn pracht niet zo mooi gekleed als zij. 28 Als God het gras dat vandaag op het veld staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo mooi kleedt, zal Hij jullie, kleingelovigen, dan niet nog beter kleden? 29 Vraag je niet voortdurend af wat je zal eten en drinken; wees niet bezorgd. 30 Dat zijn allemaal zaken die de volken van deze wereld najagen; je Vader weet dat je ze nodig hebt. 31 Geef daarentegen prioriteit aan Gods koninkrijk; dan zullen ook deze dingen aan jullie worden gegeven. 32 Wees niet bang, kleine kudde, want jullie Vader heeft in zijn goedheid besloten het koninkrijk aan jullie te geven. 33 Verkoop je bezittingen en geef aan de armen; zo maak je voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar geen dief in de buurt komt en die niet door motten wordt aangetast. 34 Want waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn.
35 Zorg dat jullie klaarstaan en dat je lamp brandt. 36 Wees als mensen die hun baas opwachten wanneer hij terugkeert van het huwelijksfeest, zodat ze meteen kunnen opendoen wanneer hij arriveert en aanklopt. 37 De knechten die de baas bij zijn terugkomst aantreft terwijl ze op de uitkijk staan, zijn gezegend. Ik verzeker jullie dat hij hen aan tafel zal laten plaatsnemen, zich zal klaarmaken en hen zal komen bedienen. 38 Ze zijn gezegend, of hij nu komt rond middernacht of in de vroege uurtjes. 39 Dit moeten jullie weten: als de huiseigenaar zou weten hoe laat de dief komt, zou hij niet in zijn huis laten inbreken. 40 Ook jullie moeten voorbereid zijn, want de Mensenzoon komt op een onverwacht tijdstip." 41 Petrus vroeg: "Heer, is deze parabel voor ons bedoeld, of voor iedereen?" 42 De Heer antwoordde: "Wie is de trouwe en verstandige beheerder die door zijn heer over het personeel is aangesteld om hun op tijd hun portie eten te geven? 43 De dienaar die door zijn heer bij diens thuiskomst aan het werk wordt aangetroffen, is gezegend. 44 Ik verzeker jullie dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen. 45 Als de dienaar echter denkt: mijn heer komt nog lang niet, en als hij dan de knechten en dienstbodes begint te mishandelen en zelf eet, drinkt en dronken wordt, 46 dan zal de heer van die dienaar komen op een dag en een tijdstip die de dienaar niet verwacht of kent, hem de doodstraf opleggen en hem dezelfde bestemming geven als de misdadigers. 47 De dienaar die weet wat zijn heer wil, en er niet naar handelt en geen voorbereidingen treft, zal veel slaag krijgen. 48 Maar wie zonder het te beseffen dingen doet waarvoor hij straf verdient, zal weinig slaag krijgen. Want van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist, en van de mensen aan wie veel is toevertrouwd, zal veel worden gevraagd.
49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen en Ik zou graag willen dat het nu reeds wordt aangestoken. 50 Maar er is een doop die Ik moet ondergaan en dat weegt zwaar op Mij zolang het nog niet is gebeurd. 51 Denken jullie dat Ik ben gekomen om vrede op aarde te brengen? Nee, zeg Ik jullie, Ik breng verdeeldheid. 52 Voortaan zal het zo zijn dat een familie van vijf personen verdeeld zal zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. 53 Vaders zullen tegen hun zoon zijn en zonen tegen hun vader, moeders tegen hun dochter en dochters tegen hun moeder, schoonmoeders tegen hun schoondochter en schoondochters tegen hun schoonmoeder."
54 Jezus zei tegen de mensenmassa: "Als jullie een wolk uit het westen zien komen, zeggen jullie meteen: ‘Er komt een bui.’ En dan gebeurt dat. 55 En als de wind uit het zuiden komt, zeggen jullie: ‘Vandaag wordt het heet.’ En dan gebeurt dat. 56 Jullie hypocrieten, jullie kunnen de dingen die jullie op aarde en in de lucht zien wel interpreteren; hoe is het mogelijk dat jullie de huidige tijd niet kunnen interpreteren? 57 Waarom kunnen jullie niet zelf beoordelen wat rechtvaardig is?
58 Wanneer je met je tegenstander onderweg bent naar de autoriteiten, probeer dan met hem tot een vergelijk te komen; anders kan je voor de rechter worden gesleept, zodat de rechter je aan de gerechtsdienaar uitlevert en de gerechtsdienaar je in de gevangenis gooit. 59 Ik verzeker je, je zal daar in geen geval uitkomen voordat je de laatste cent hebt betaald."
1 那时有成千上万的人聚在一起,甚至彼此践踏。耶稣就先对门徒说:"你们要提防法利赛人的酵,就是虚伪。2 没有甚么掩盖的事不被揭露,也没有甚么隐藏的事不被人知道。3 所以,你们在暗处所说的,必在明处被人听见;在内室附耳所谈的,必在房顶上宣扬出来。
4 "我的朋友,我告诉你们,那杀身体以后不能再作甚么的,不要怕他们。5 我要指示你们当怕的是谁:当怕那杀身体以后,有权把人投入地狱里的;我告诉你们,应当怕他。6 五只麻雀,不是卖两个大钱吗?但在 神面前,一只也不被忘记。7 甚至你们的头发都一一数过了。不要怕,你们比许多麻雀贵重得多呢。
8 "我告诉你们,凡在人面前承认我的,人子在 神的使者面前也承认他;9 在人面前不认我的,我在 神的使者面前也不认他。10 凡说话得罪人子的,还可以赦免;但亵渎圣灵的,必不得赦免。11 人把你们拉到会堂、官长和当权者的面前,你们不要思虑怎样申辩或说甚么话。12 到了时候,圣灵必把当说的话教导你们。"
13 群众中有一个人对耶稣说:"老师,请吩咐我的兄弟和我分家业。"14 耶稣说:"你这个人,谁立我作你们的审判官和分家业的人呢?"15 于是他对众人说:"你们要谨慎,远离一切贪心,因为人的生命并不在于家道丰富。"16 就对他们讲了一个比喻,说:"有一个富翁的田地丰收。17 他自己心里说:‘怎么办呢?因为我没有足够的地方收藏出产了!’18 又说:‘我要这样办:我要拆掉这些仓房,建造更大的,好在那里收藏我的一切粮食和货物。19 然后,我要对我的灵魂说:灵魂啊,你拥有许多好东西,足够多年享用,只管安安逸逸地吃喝快乐吧!’20 神却对他说:‘无知的人哪,今天晚上,你的灵魂必被取去,你所预备的要归给谁呢?’21 凡为自己积财,在 神面前却不富足的,也是这样。"
22 耶稣又对门徒说:"所以我告诉你们,不要为生命忧虑吃甚么,也不要为身体忧虑穿甚么。23 因为生命比饮食重要,身体比衣服重要。24 你们想想乌鸦:牠们不种也不收,无仓又无库, 神尚且养活牠们;你们比飞鸟贵重得多了。25 你们中间谁能用忧虑使自己的寿命延长一刻呢?26 既然连这极小的事都不能作,为甚么还忧虑其他的事呢?27 你们想想百合花,怎样不劳苦,也不纺织。但我告诉你们,就是所罗门最荣华的时候所穿的,也比不上这花中的一朵呢。28 小信的人哪,田野的草,今天还在,明天就投进炉里, 神尚且这样给它装饰,何况你们呢?29 你们不要求吃甚么,喝甚么,也不要忧虑,30 因为这一切都是世上不信的人所寻求的。你们的父原知道你们需要这一切。31 你们只管求他的国,这些东西都必加给你们。32 你们这小群,不要怕,因为你们的父乐意把国赐给你们。33 当变卖你们所有的施舍给人,为自己制造不朽坏的钱囊,积蓄用不尽的财宝在天上,就是贼不能近、虫不能蛀的地方。34 因为你们的财宝在哪里,你们的心也在哪里。
35 "你们的腰当束起来,灯也该点着,36 像等候自己的主人从婚筵回来一样,好叫你们在主人回来敲门时,立刻给他开门。37 主人来到了,看见仆人警醒,这些仆人就有福了。我实在告诉你们,主人必亲自束腰,招待他们吃饭,进前来侍候他们。38 主人也许半夜之前,或天亮之前回来,看见他们这样,这些仆人就有福了。39 你们都知道,家主若晓得窃贼甚么时候来,就不会让他摸进屋里。40 你们也要准备妥当,因为在想不到的时候,人子就来了。"
41 彼得说:"主啊,你说这比喻,是为我们还是为众人呢?"42 主说:"谁是那忠心精明的管家,被主人指派管理家里的仆人,按时分粮呢?43 主人来到的时候,看见他这样作,那仆人就有福了。44 我实在告诉你们,主人要指派他管理主人的一切财产。45 如果那仆人心里说:‘我的主人不会那么快回来’,就动手打其他的仆人使女,并且吃喝醉酒;46 在他想不到的日子、不知道的时间,那仆人的主人要来,严厉地处罚他,使他和不信的人同在一起。47 那仆人知道主人的意思,却不预备,也不照他的意思行,必多受责打;48 但那不知道的,虽然作了该受责打的事,也必少受责打。多给谁就向谁多取,多托谁就向谁多要。
49 "我来要把火投在地上,如果烧了起来,那是我所愿意的。50 我有应当受的洗,我是多么迫切地期待这事完成。51 你们以为我来是要地上有和平吗?不是的,我告诉你们,是要有纷争。52 从今以后,一家五口将起纷争,三个反对两个,两个反对三个。53 他们将起纷争:
父亲反对儿子,
儿子反对父亲,
母亲反对女儿,
女儿反对母亲,
婆婆反对媳妇,
媳妇反对婆婆。"
54 耶稣又对众人说:"你们一看见西边有云彩升起来,就说:‘要下大雨’,果然这样;55 起了南风,就说:‘天要热了’,也果然这样。56 伪君子啊!你们知道分辨天地的气象,怎么不知道分辨这个时代呢?
57 "你们为甚么自己不能判断甚么是对的呢?58 你和你的对头去见官长,还在路上的时候,应当尽力向他求和,免得他把你拉到法官面前,法官把你交给差役,差役把你关在监里。59 我告诉你,除非你还清最后的一个小钱,否则决不能从那里出来。"