L’homme à la main sèche
1 Mt 12:9.Lu 6:6.Jésus entra de nouveau dans la synagogue. Il s’y trouvait un homme qui avait la main sèche. 2 Ils observaient Jésus, pour voir s’il le guérirait le jour du sabbat: c’était afin de pouvoir l’accuser. 3 Et Jésus dit à l’homme qui avait la main sèche: Lève-toi, là au milieu.4 Puis il leur dit: Est-il permis, le jour du sabbat, de faire du bien ou de faire du mal, de sauver une personne ou de la tuer? Mais ils gardèrent le silence. 5 Alors, promenant ses regards sur eux avec indignation, et en même temps affligé de l’endurcissement de leur cœur, il dit à l’homme: Étends ta main. Il l’étendit, 1 R 13:6.et sa main fut guérie. 6 Mt 12:14.Jn 10:39;11:53.Les pharisiens sortirent, et aussitôt ils se consultèrent avec les hérodiens sur les moyens de le faire périr.
7 Jésus se retira vers la mer avec ses disciples. Mt 4:25.Lu 6:17.Une grande multitude le suivit de la Galilée; 8 et de la Judée, et de Jérusalem, et de l’Idumée, et d’au-delà du Jourdain, et des environs de Tyr et de Sidon, une grande multitude, apprenant tout ce qu’il faisait, vint à lui. 9 Il chargea ses disciples de tenir toujours à sa disposition une petite barque, afin de ne pas être pressé par la foule. 10 Car, comme il guérissait beaucoup de gens, tous ceux qui avaient des maladies se jetaient sur lui pour le toucher. 11 Les esprits impurs, quand ils le voyaient, se prosternaient devant lui, et s’écriaient: Tu es le Fils de Dieu. 12 Mais il leur recommandait très sévèrement de ne pas le faire connaître.
Choix des douze apôtres
13 Mt 10:1.Mc 6:7.Lu 6:13;9:1.Il monta ensuite sur la montagne; il appela ceux qu’il voulut, et ils vinrent auprès de lui. 14 Il en établit douze, pour les avoir avec lui, 15 et pour les envoyer prêcher avec le pouvoir de chasser les démons. 16 Voici les douze qu’il établit: Simon, qu’il nomma Pierre; 17 Jacques, fils de Zébédée, et Jean, frère de Jacques, auxquels il donna le nom de Boanergès, qui signifie fils du tonnerre; 18 André; Philippe; Barthélemy; Matthieu; Thomas; Jacques, fils d’Alphée; Thaddée; Simon le Cananite; 19 et Judas Iscariot, celui qui livra Jésus.
Attaque des scribes et réponse de Jésus. Le péché contre le Saint-Esprit
20 Ils se rendirent à la maison, et la foule s’assembla de nouveau, en sorte Mc 6:31.qu’ils ne pouvaient pas même prendre leur repas. 21 Les parents de Jésus, ayant appris ce qui se passait, vinrent pour se saisir de lui; car ils disaient: Il est hors de sens. 22 Et les scribes, qui étaient descendus de Jérusalem, dirent: Mt 9:34;12:24.Lu 11:15.Jn 8:48.Il est possédé de Béelzébul; c’est par le prince des démons qu’il chasse les démons. 23 Jésus les appela, et Mt 12:25.leur dit sous forme de paraboles: Comment Satan peut-il chasser Satan?
24 Si un royaume est divisé contre lui-même, ce royaume ne peut subsister;25 et si une maison est divisée contre elle-même, cette maison ne peut subsister.26 Si donc Satan se révolte contre lui-même, il est divisé, et il ne peut subsister, mais c’en est fait de lui.27 Mt 12:29.Personne ne peut entrer dans la maison d’un homme fort et piller ses biens,Col 2:15.sans avoir auparavant lié cet homme fort; alors il pillera sa maison.28 Je vous le dis en vérité,1 S 2:25.Mt 12:31.Lu 12:10.1 Jn 5:16.tous les péchés seront pardonnés aux fils des hommes, et les blasphèmes qu’ils auront proférés;29 1 Jn 5:16.mais quiconque blasphémera contre le Saint-Esprit n’obtiendra jamais de pardon: il est coupable d’un péché éternel.30 Jésus parla ainsi parce qu’ils disaient: Il est possédé d’un esprit impur.
La mère et les frères de Jésus
31 Mt 12:46.Lu 8:19.Survinrent sa mère et ses frères, qui, se tenant dehors, l’envoyèrent appeler. 32 La foule était assise autour de lui, et on lui dit: Voici, ta mère et tes frères sont dehors et te demandent. 33 Et il répondit: Qui est ma mère, et qui sont mes frères?34 Puis, jetant les regards sur ceux qui étaient assis tout autour de lui: Voici, dit-il, ma mère et mes frères.
35 Jn 15:14.2 Co 5:16,17.Car, quiconque fait la volonté de Dieu, celui-là est mon frère, ma sœur, et ma mère.
1 Jezus ging opnieuw naar de synagoge en daar was iemand met een hand die hij niet kon bewegen. 2 De mensen keken goed of Jezus hem op de sabbat zou genezen, zodat ze Hem zouden kunnen beschuldigen. 3 Maar Hij zei tegen de man met de hand die hij niet kon bewegen: "Kom in het midden staan." 4 Toen vroeg Hij de mensen: "Wat is toegestaan op de sabbat: goed doen of kwaad doen, een leven redden of een leven wegnemen?" Maar ze zwegen. 5 Hij keek hen kwaad aan, ontzet over de starheid van hun hart. Vervolgens zei Hij tegen de man: "Steek de hand uit." De man stak zijn hand uit en die genas. 6 Toen gingen de farizeeën naar buiten om samen met de aanhangers van Herodes een plan te beramen om Jezus om te brengen.
7 Jezus trok zich echter met zijn leerlingen terug bij het meer. Een groot aantal mensen uit Galilea volgde hen. Ook uit Judea, 8 Jeruzalem, Idumea, het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen de mensen in drommen naar Hem toe, omdat ze hadden gehoord wat Hij allemaal deed. 9 Hij vroeg zijn leerlingen om een bootje klaar te houden wegens de menigte, voor het geval het gedrang te sterk zou worden. 10 Hij had namelijk veel mensen genezen en daarom drongen veel mensen die iets mankeerden naar voren om Hem aan te raken. 11 En wanneer de onreine geesten Hem zagen, vielen ze voor Hem neer terwijl ze schreeuwden: "U bent de Zoon van God." 12 Maar Hij verbood hun nadrukkelijk, bekend te maken wie Hij was.
13 Toen ging Jezus een berg op en riep Hij wie Hij bij zich wilde hebben. Die mensen kwamen naar Hem toe. 14 Hij stelde twaalf personen aan – Hij noemde hen apostelen – om bij Hem te horen en door Hem te worden uitgezonden om te preken 15 met het gezag om demonen uit te drijven. 16 Dit zijn de twaalf die hij aanstelde: Simon, aan wie Hij de naam Petrus gaf, 17 Jakobus, de zoon van Zebedeüs, zijn broer Johannes – aan hen gaf Hij de naam Boanerges, wat "zonen van de donder" betekent – 18 Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon de Zeloot, 19 en Judas Iskariot, die Hem uiteindelijk verraden heeft.
20 Jezus ging naar huis. Opnieuw stroomde daar veel volk samen, zodat ze zelfs niet konden eten. 21 Toen zijn familie ervan hoorde, gingen ze op pad om Hem op te halen, want ze zeiden: "Hij is niet goed bij zijn verstand." 22 De Schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, zeiden: "Beëlzebul, de heerser over de demonen, zit in Hem en daarom kan Hij de demonen uitdrijven." 23 Jezus riep hen echter bij zich en zei tegen hen in de vorm van parabels: "Het kan toch niet dat Satan Satan uitdrijft? 24 Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan het niet standhouden. 25 En als een familie innerlijk verdeeld is, kan ze niet standhouden. 26 En als Satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld is, kan hij niet standhouden maar is het voor hem afgelopen. 27 Ook kan niemand het huis van een sterk persoon binnendringen om zijn bezit te plunderen zonder eerst die sterke man vast te binden. Pas dan kan hij het huis leegplunderen. 28 Ik verzeker jullie, alle zonde en alle godslastering die mensen begaan, kan hun worden vergeven. 29 Maar voor wie lastert tegen de Heilige Geest, komt er nooit vergeving; hij is schuldig aan een eeuwige zonde." 30 De mensen hadden namelijk gezegd dat Jezus een onreine geest in zich had.
31 Toen arriveerden Jezus' moeder en broers. Ze bleven buiten en stuurden iemand naar binnen om Hem te roepen. 32 Er zaten veel mensen om Hem heen en ze zeiden tegen Hem: "Uw moeder en broers en zussen staan buiten en zoeken U." 33 Maar Hij vroeg hun: "Wie zijn mijn moeder en mijn broers?" 34 Hij keek naar de mensen die in een kring om Hem heen zaten en zei: "Dit zijn mijn moeder en broers. 35 Want wie doet wat God wil, die is mijn broer, zus of moeder."