Pular para o conteúdo
Publicidade

Tiago 1

GBV

Adresse et salutation

1 Jacques, serviteur de Dieu et du Seigneur Jésus-Christ, aux douze tribus Ac 8:1.1 Pi 1:1.qui sont dans la dispersion, salut!

Les épreuves et les tentations

2 Mt 5:11.Ro 5:3.1 Pi 1:6.Mes frères, regardez comme un sujet de joie complète les diverses épreuves auxquelles vous pouvez être exposés, 3 Ro 5:3.1 Pi 1:7.sachant que l’épreuve de votre foi produit la patience. 4 Mais il faut que la patience accomplisse parfaitement son œuvre, afin que vous soyez parfaits et accomplis, sans faillir en rien. 5 Pr 2:3.Si quelqu’un d’entre vous manque de sagesse, qu’il la demande à Dieu, qui donne à tous simplement et sans reproche, Jé 29:12.Mt 7:7;21:22.Mc 11:24.Jn 16:24.1 Jn 3:22;5:14.et elle lui sera donnée. 6 Mais qu’il la demande avec foi, sans douter; car celui qui doute est semblable au flot de la mer, agité par le vent et poussé de côté et d’autre. 7 Qu’un tel homme ne s’imagine pas qu’il recevra quelque chose du Seigneur: 8 c’est un homme irrésolu, inconstant dans toutes ses voies.

9 Que le frère de condition humble se glorifie de son élévation. 10 Que le riche, au contraire, se glorifie de son humiliation; car il passera comme la fleur de l’herbe. 11 És 40:6.1 Co 7:31.Ja 4:14.1 Pi 1:24.1 Jn 2:17.Le soleil s’est levé avec sa chaleur ardente, il a desséché l’herbe, sa fleur est tombée, et la beauté de son aspect a disparu: ainsi le riche se flétrira dans ses entreprises. 12 Job 5:17.Heureux l’homme qui supporte patiemment la tentation; car, après avoir été éprouvé, il recevra 2 Ti 4:8.1 Pi 5:4.Ap 2:10.la couronne de vie, que le Seigneur a Mt 10:22;19:28,29.promise à ceux qui l’aiment.

13 Que personne, lorsqu’il est tenté, ne dise: C’est Dieu qui me tente. Car Dieu ne peut être tenté par le mal, et il ne tente lui-même personne. 14 Mais chacun est tenté quand il est attiré et amorcé par sa propre convoitise. 15 Puis la convoitise, lorsqu’elle a conçu, enfante le péché; et le péché, étant consommé, produit la mort.

Mettre en pratique la parole de Dieu

16 Ne vous y trompez pas, mes frères bien-aimés: 17 Pr 2:6.1 Co 4:7.toute grâce excellente et tout don parfait descendent d’en haut, du Père des lumières, És 14:27;46:10.Mal 3:6.Ro 11:29.chez lequel il n’y a ni changement ni ombre de variation. 18 1 Co 4:15.Ga 4:19.1 Pi 1:23.Il nous a engendrés selon sa volonté, par la parole de vérité, afin que nous soyons en quelque sorte les prémices de ses créatures. 19 Sachez-le, mes frères bien-aimés. Pr 17:27.Ec 5:1.Ainsi, que tout homme soit prompt à écouter, lent à parler, lent à se mettre en colère; 20 car la colère de l’homme n’accomplit pas la justice de Dieu. 21 Ro 13:12.Col 3:8.C’est pourquoi, rejetant toute souillure et tout excès de malice, recevez avec douceur la parole qui a été plantée en vous, et qui peut sauver vos âmes. 22 Mt 7:21.Lu 11:28.Ro 2:13.1 Jn 3:7.Mettez en pratique la parole, et ne vous bornez pas à l’écouter, en vous trompant vous-mêmes par de faux raisonnements. 23 Lu 6:47.Car, si quelqu’un écoute la parole et ne la met pas en pratique, il est semblable à un homme qui regarde dans un miroir son visage naturel, 24 et qui, après s’être regardé, s’en va, et oublie aussitôt quel il était. 25 Mt 5:19.Mais celui qui aura plongé les regards dans la loi parfaite, la loi de la liberté, et qui aura persévéré, n’étant pas un auditeur oublieux, mais se mettant à l’œuvre, celui-là sera heureux dans son activité. 26 Ps 34:14.Ja 3:6.1 Pi 3:10.Si quelqu’un croit être religieux, sans tenir sa langue en bride, mais en trompant son cœur, la religion de cet homme est vaine. 27 La religion pure et sans tache, devant Dieu notre Père, consiste à visiter les orphelins et les veuves dans leurs afflictions, et à se préserver des souillures du monde.

1 Van: Jakobus, dienaar van God en van de Heer Jezus Christus.

Aan: de twaalf stammen in de diaspora. Gegroet!

2 Broeders en zusters, beschouw het als grote vreugde wanneer je allerlei beproevingen doormaakt, 3 want je weet dat de beproeving van je geloof volharding voortbrengt. 4 Zorg ervoor dat die volharding volledig kan doorwerken, opdat je volwassen en volgroeid zal zijn, zonder tekortkomingen. 5 Als het iemand van jullie aan praktische wijsheid ontbreekt, moet hij erom vragen aan God, want God geeft aan iedereen, onvoorwaardelijk en zonder verwijten. Hij zal ook hem die wijsheid geven. 6 Maar hij moet vragen vanuit geloof, zonder te twijfelen, want wie twijfelt is als een golf in de zee: hij wordt heen en weer geslingerd. 7 Wie twijfelt moet niet verwachten dat hij iets van de Heer zal ontvangen, 8 want hij is een wispelturig mens, onstandvastig in alles wat hij doet.

9 Christenen met een geringe sociale status behoren zich gelukkig te prijzen om hun hoge positie, 10 en rijke christenen om hun geringheid omdat ze zo vergankelijk zijn als veldbloemen. 11 Immers, wanneer de verzengende zon opkomt, verdort het gras en valt de bloem af zodat haar schoonheid vergaat. Zo is het ook met de rijke: hij sterft terwijl hij druk bezig is.

12 Wie volhardt wanneer hij beproevingen ondergaat is gezegend, want wie de proef heeft doorstaan wordt bekroond met het leven dat God heeft beloofd aan de mensen die Hem liefhebben. 13 Laat niemand die in verleiding komt, zeggen dat hij door God in verleiding wordt gebracht. God wordt namelijk niet door het kwaad in verleiding gebracht en Hij brengt zelf ook niemand in verleiding. 14 Iedereen wordt door zijn eigen begerigheid in verleiding gebracht wanneer hij zich laat lokken en bekoren. 15 Wanneer die begerigheid is bevrucht, baart zij zonde, en wanneer de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.

16 Vergis je niet, mijn geliefde broeders en zusters: 17 iedere goede gave, ieder volmaakt geschenk, komt van boven. Het daalt neer van de Vader van de zon, maan en sterren, bij wie geen zweem van verandering is; Hij blijft altijd dezelfde. 18 Hij heeft ervoor gekozen ons het nieuwe leven te schenken via de verkondiging van de waarheid; daardoor zijn we de eerste oogst in zijn schepping geworden.

19 Jullie moeten weten, mijn geliefde broeders en zusters, dat ieder mens snel bereid moet zijn om te luisteren, maar niet snel moet willen spreken en ook niet snel kwaad moet worden, 20 want menselijke woede leidt niet tot de rechtvaardigheid die God van ons verlangt. 21 Ontdoe je dus van alle vuil en wildgroei aan slechtheid, en ontvang zachtmoedig de boodschap die als een zaadje in jullie is geplant en je leven kan redden. 22 Naar die boodschap moet je niet alleen luisteren, je moet er ook naar leven; anders misleid je jezelf. 23 Want wie de boodschap van God hoort maar niet doet wat Hij zegt, is als iemand die zijn gezicht in een spiegel bekijkt, 24 en die, nadat hij zichzelf zorgvuldig heeft bekeken, weggaat en meteen vergeet hoe hij eruitziet. 25 Wie daarentegen de volmaakte wet, de wet die bevrijdt, voortdurend aandachtig bestudeert wie geen vergeetachtige luisteraar is, maar het geleerde toepast zal worden gezegend in hetgeen hij doet. 26 Iemand die vindt dat hij zijn geloof in praktijk brengt maar zijn tong niet in bedwang houdt, bedriegt zichzelf en zijn geloofspraktijk is waardeloos. 27 De geloofspraktijk die door God als zuiver en onberispelijk wordt beschouwd is: wezen en weduwen in nood bijstaan en je niet door de wereld laten bederven.

Veja também

Tiago
Ver todos os capítulos de Tiago