Pular para o conteúdo
Publicidade

Tiago 2

GBV

L’acception de personnes condamnée

1 Mes frères, que votre foi en notre glorieux Seigneur Jésus-Christ soit exempte Lé 19:15.De 16:19.Pr 24:23.Mt 22:16.de toute acception de personnes. 2 Supposez, en effet, qu’il entre dans votre assemblée un homme avec un anneau d’or et un habit magnifique, et qu’il y entre aussi un pauvre misérablement vêtu; 3 si, tournant vos regards vers celui qui porte l’habit magnifique, vous lui dites: Toi, assieds-toi ici à cette place d’honneur! Et si vous dites au pauvre: Toi, tiens-toi debout! Ou bien: Assieds-toi au-dessous de mon marchepied! 4 ne faites-vous pas en vous-mêmes une distinction, et ne jugez-vous pas sous l’inspiration de pensées mauvaises? 5 Jn 7:48. 1 Co 1:26, etc.Écoutez, mes frères bien-aimés: Dieu n’a-t-il pas choisi les pauvres aux yeux du monde, pour qu’ils soient riches en la foi, et héritiers du royaume qu’il a Ex 20:6.1 S 2:30.Pr 8:17.Mt 5:3.promis à ceux qui l’aiment? 6 Et vous, vous avilissez le pauvre! Ne sont-ce pas les riches qui vous oppriment, et qui vous traînent devant les tribunaux? 7 Ne sont-ce pas eux qui outragent le beau nom que vous portez? 8 Si vous accomplissez la loi royale, selon l’Écriture: Lé 19:18.Mt 22:39.Mc 12:31.Ro 13:9.Ga 5:14.Ép 5:2.1 Th 4:9.Tu aimeras ton prochain comme toi-même, vous faites bien. 9 Mais si vous faites acception de personnes, vous commettez un péché, vous êtes condamnés par la loi comme des transgresseurs. 10 De 27:26.Mt 5:19.Ga 3:10.Car quiconque observe toute la loi, mais pèche contre un seul commandement, devient coupable de tous. 11 En effet, celui qui a dit: Ex 20:14.Mt 5:27.Tu ne commettras point d’adultère, a dit aussi: Tu ne tueras point. Or, si tu ne commets point d’adultère, mais que tu commettes un meurtre, tu deviens transgresseur de la loi. 12 Parlez et agissez comme devant être jugés par une loi de liberté, 13 Mt 6:15;18:35.Mc 11:25.Lu 16:25.car le jugement est sans miséricorde pour qui n’a pas fait miséricorde. La miséricorde triomphe du jugement.

La foi sans les œuvres

14 Mt 7:26.Ja 1:23.Mes frères, que sert-il à quelqu’un de dire qu’il a la foi, s’il n’a pas les œuvres? La foi peut-elle le sauver? 15 Lu 3:11.1 Jn 3:17.Si un frère ou une sœur sont nus et manquent de la nourriture de chaque jour, 16 et que l’un d’entre vous leur dise: Allez en paix, chauffez-vous et vous rassasiez! Et que vous ne leur donniez pas ce qui est nécessaire au corps, à quoi cela sert-il? 17 Il en est ainsi de la foi: si elle n’a pas les œuvres, elle est morte en elle-même. 18 Mais quelqu’un dira: Toi, tu as la foi; et moi, j’ai les œuvres. Montre-moi ta foi sans les œuvres, et moi, je te montrerai la foi par mes œuvres. 19 Tu crois qu’il y a un seul Dieu, tu fais bien; Mc 1:24.les démons le croient aussi, et ils tremblent. 20 Veux-tu savoir, ô homme vain, que la foi sans les œuvres est inutile? 21 Abraham, notre père, ne fut-il pas justifié par les œuvres, Ge 22:10.lorsqu’il offrit son fils Isaac sur l’autel? 22 Tu vois que la foi agissait avec ses œuvres, et que par les œuvres la foi fut rendue parfaite. 23 Ainsi s’accomplit ce que dit l’Écriture: Ge 15:6.Ro 4:3.Ga 3:6.Abraham crut à Dieu, et cela lui fut imputé à justice; et il fut appelé ami de Dieu. 24 Vous voyez que l’homme est justifié par les œuvres, et non par la foi seulement. 25 Jos 2:1;6:23.Hé 11:31.Rahab la prostituée ne fut-elle pas également justifiée par les œuvres, lorsqu’elle reçut les messagers et qu’elle les fit partir par un autre chemin? 26 Comme le corps sans âme est mort, de même la foi sans les œuvres est morte.

1 Mijn broeders en zusters, jullie geloof in onze hemelse Heer Jezus Christus staat geen discriminatie toe. 2 Stel dat er iemand naar jullie samenkomst komt die een gouden ring en prachtige kledij draagt, en ook een arme in schamele kleren. 3 Als jullie dan veel aandacht besteden aan de persoon in prachtige kledij, door te zeggen: Gaat u hier zitten, op deze goede plaats, terwijl jullie tegen de arme zeggen: Ga jij daar staan, of kom aan mijn voeten zitten, 4 dan discrimineren jullie toch? Dan zijn jullie toch rechters met verkeerde motieven geworden? 5 Luister, mijn geliefde broeders en zusters, heeft God de armen van deze wereld niet uitgekozen om rijk te zijn in het geloof en om deel te krijgen aan het koninkrijk dat Hij heeft beloofd aan wie Hem liefhebben? 6 Maar jullie vernederen de arme. Zijn het niet de rijken die jullie onderdrukken en jullie voor het gerecht slepen? 7 Zijn zij het niet die de verheven naam die jullie dragen belasteren? 8 Als je de wet van Gods koninkrijk naleeft zoals die in de Schriften is vervat heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt dan handel je juist. 9 Maar als je discrimineert, zondig je en word je door de Wet als overtreder beschouwd. 10 Immers, wie zich aan de hele Wet houdt maar op één punt struikelt, is volledig schuldig. 11 Hij die zei: "Pleeg geen echtbreuk", heeft immers ook gezegd: "Pleeg geen moord". Dus als je bijvoorbeeld geen echtbreuk maar wel moord pleegt, ben je een overtreder van de Wet geworden. 12 Jullie moeten dus spreken en handelen als mensen die worden beoordeeld op grond van de wet die bevrijdt. 13 In het Oordeel zal er namelijk geen mededogen zijn voor wie geen mededogen heeft betoond. Mededogen is echter sterker dan het Oordeel.

14 Wat baat het, mijn broeders en zusters, als iemand gelovig zegt te zijn maar als dat niet blijkt uit zijn daden? Kan zijn geloof hem dan redden? 15 Stel dat een van onze broeders en zusters niet over fatsoenlijke kledij beschikt en gebrek heeft aan voldoende eten. 16 Als een van jullie dan tegen die persoon zegt: Ga in vrede, hou je warm en eet voldoende, zonder te geven wat die persoon fysiek nodig heeft, dan heeft je advies toch geen nut? 17 Zo is het ook met het geloof: als het op zichzelf staat en er geen daden uit voortkomen, is het dood. 18 Maar als iemand zou zeggen: Jij hebt geloof, ik heb daden, dan vraag ik: toon mij jouw geloof zonder daden, dan zal ik mijn geloof tonen aan de hand van mijn daden. 19 Je gelooft dat er slechts één God is? Dat is goed, maar de demonen geloven dat ook en zij sidderen! 20 Jij dwaas, wil je dat ik aantoon dat geloof zonder daden nutteloos is? 21 Is onze voorvader Abraham niet van schuld vrijgesproken op grond van zijn daden toen hij zijn zoon Isaak op het altaar zou offeren? 22 Je ziet dus dat zijn geloof gepaard ging met daden en dat zijn daden zijn geloof vervolledigden. 23 Zo ging het volgende Schriftgedeelte in vervulling: "Abraham geloofde God en op grond daarvan werd hij vrijgesproken van schuld". Hij werd zelfs Gods vriend genoemd. 24 Je ziet dus dat men met God in het reine komt op grond van daden, en niet van geloof alleen. 25 Dat geldt ook voor Rachab, de prostituee. Werd zij niet met God in het reine gebracht op grond van haar daden, toen zij de verkenners verwelkomde en via een andere route wegstuurde? 26 Daarom is geloof zonder daden dood, zoals een lichaam zonder geest dood is.

Veja também

Tiago
Ver todos os capítulos de Tiago