Mal
A existência do mal é realidade que a Bíblia confronta diretamente. Deus não é autor do mal, mas nos dá armas para vencê-lo e promete que o bem sempre prevalecerá.
Separar-se do mal
O temor do Senhor é aborrecer o mal. A Bíblia nos exorta a odiar o pecado, guardar os pés do mal e fugir de toda aparência maligna.
13 De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.
10 Gij liefhebbers des HEEREN! haat het kwade; Hij bewaart de zielen Zijner gunstgenoten; Hij redt hen uit der goddelozen hand.
14 Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
133 Maak mijn voetstappen vast in Uw Woord, en laat geen ongerechtigheid over mij heersen.
16 Wast u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijn ogen weg, laat af van kwaad te doen.
7 Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den HEERE, en wijk van het kwade.8 Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.
Vencer o mal com o bem
Não te deixes vencer do mal, mas vence o mal com o bem. A luz brilha nas trevas, e as trevas não prevalecem contra ela.
21 Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.
9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt een afkeer van het boze, en hangt het goede aan.
17 En ik bid u, broeders, neemt acht op degenen, die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer, die gij van ons geleerd hebt; en wijkt af van dezelve.
5 En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.
15 Ziet, dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde; maar jaagt allen tijd het goede na, zo jegens elkander als jegens allen.
21 Beproeft alle dingen; behoudt het goede.22 Onthoudt u van allen schijn des kwaads.
Proteção contra o mal
Deus nos livra do mal e guarda nossos passos. Devemos nos revestir da armadura de Deus para resistir às forças das trevas.
13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen.
15 Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.
7 De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren.8 De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.
18 En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
11 Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.
12 Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.
26 Wordt toornig, en zondigt niet; de zon ga niet onder over uw toornigheid;27 En geeft den duivel geen plaats.
Deus transforma o mal em bem
O que o mal pretendeu contra nós, Deus transformou em bem. Ele tira pureza da aflição e confessa a restauração dos arrependidos.
20 Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.
21 Daarom, afgelegd hebbende alle vuiligheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het Woord, dat in u geplant wordt, hetwelk uw zielen kan zaligmaken.
9 Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve, en ons reinige van alle ongerechtigheid.
20 En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.21 Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,22 Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.23 Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.
12 Haat verwekt krakelen; maar de liefde dekt alle overtredingen toe.
9 Alzo sprak de HEERE der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden, de een aan den ander;10 En verdrukt de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw hart de een des anderen kwaad.