1 Hver sjel være lydig mot de foresatte øvrigheter! for det er ikke øvrighet uten av Gud, men de som er, de er innsatt av Gud, 2 så at den som setter sig imot øvrigheten, står Guds ordning imot; men de som står imot, skal få sin dom. 3 For de styrende er ikke til redsel for den gode gjerning, men for den onde. Men vil du slippe å frykte for øvrigheten? Gjør det som godt er, så skal du ha ros av den; 4 for den er Guds tjener, dig til gode. Men gjør du det som ondt er, da frykt! for den bærer ikke sverdet for intet; for den er Guds tjener, en hevner til straff over den som gjør det som ondt er. 5 Derfor er det nødvendig å være lydig mot den, ikke bare for straffens skyld, men også for samvittighetens. 6 Derfor betaler I jo også skatt; for de er Guds tjenere, som nettop tar vare på dette.
7 Gi alle det I er dem skyldige: den skatt som skatt tilkommer, den toll som toll tilkommer, den frykt som frykt tilkommer, den ære som ære tilkommer! 8 Bli ingen noget skyldige, uten det å elske hverandre! for den som elsker den annen, har opfylt loven. 9 For det ord: Du skal ikke drive hor, du skal ikke slå ihjel, du skal ikke stjele, du skal ikke begjære, og hvad andre bud det kan være, det samles til ett i dette ord: Du skal elske din næste som dig selv. 10 Kjærligheten gjør ikke næsten noget ondt; derfor er kjærligheten lovens opfyllelse.
11 Og dette må vi gjøre, da vi kjenner tiden, at timen er kommet da vi skal våkne op av søvne; for frelsen er oss nærmere nu enn dengang vi kom til troen. 12 Det lider med natten, og det stunder til dag; la oss derfor avlegge mørkets gjerninger, men iklæ oss lysets våben! 13 La oss vandre sømmelig, som om dagen, ikke i svir og drikk, ikke i løsaktighet og skamløshet, ikke i kiv og avind, 14 men iklæ eder den Herre Jesus Kristus, og bær ikke således omsorg for kjødet at det vekkes begjærligheter!
1 Iedereen moet het gezag van de bevoegde overheden erkennen. Er bestaat namelijk geen overheid die niet door God is gegeven en de bestaande overheden zijn door God aangesteld. 2 Wie zich dus tegen de overheid verzet, werkt Gods besluit tegen en wie dat doet zal worden gestraft. 3 Wie zich goed gedraagt, hoeft de gezagsdragers niet te vrezen, maar wie zich slecht gedraagt wel. Wil je niet in vrees voor de overheid leven? Doe dan wat goed is en je zal haar goedkeuring krijgen. 4 Zij staat namelijk in Gods dienst ten behoeve van jou. Maar als je doet wat slecht is, wees dan bang, want zij draagt het zwaard niet voor niets. Als dienares van God is zij de uitvoerder van Gods straf voor wie kwaad doet. 5 Men moet dus haar gezag erkennen, niet alleen wegens de straf maar ook omwille van het geweten. 6 Daarom betalen jullie ook belasting aan functionarissen die als dienaren van God hun taak uitvoeren. 7 Betaal dus aan iedereen wat je hem verschuldigd bent: belasting aan wie je belasting verschuldigd bent, andere heffingen aan wie je andere heffingen verschuldigd bent, ontzag aan wie je ontzag verschuldigd bent en eer aan wie je eer verschuldigd bent.
8 Zorg dat je bij niemand in de schuld staat, behalve op het gebied van onderling liefdebetoon, want wie zijn naaste liefdevol behandelt, voldoet aan alle vereisten van de Wet. 9 De geboden "pleeg geen echtbreuk", "pleeg geen moord", "steel niet", "wees niet begerig naar wat van een ander is" en alle andere geboden kunnen als volgt worden samengevat: heb je naaste lief zoals je jezelf liefhebt. 10 Liefdebetoon doet de ander geen kwaad aan; daarom voldoet liefdebetoon aan alle vereisten van de Wet.
11 Nog iets: jullie moeten weten hoe laat het is. Het is tijd om wakker te worden, want onze redding is nu dichterbij dan toen we tot geloof kwamen. 12 De nacht loopt ten einde en de dag breekt aan. Laten we ons daarom ontdoen van de activiteiten die bij de duisternis horen en ons toerusten met de wapens van het licht. 13 Laten we ons eerzaam gedragen, als mensen van de dag, en ons onthouden van wilde feesten, dronkenschap, seksuele immoraliteit, losbandigheid, rivaliteit en afgunst. 14 Zorg daarentegen dat je toegerust bent met de Heer Jezus Christus en geef niet toe aan de begerigheid van je zondige natuur.