Publicidade

Atos 13

MRI2012

1 In de kerkgemeenschap in Antiochië bevonden zich profeten en leraars: Barnabas, Simeon die Niger wordt genoemd, Lucius van Cyrene, Manaën die met de tetrarch Herodes was opgegroeid, en Saulus. 2 Ze waren de Heer aan het aanbidden en aan het vasten, toen de Heilige Geest zei: "Maak Barnabas en Saulus vrij voor de taak waarvoor Ik hen heb geroepen." 3 Ze vastten en baden voor hen, legden hun de handen op en stuurden hen op pad.

4 Barnabas en Saulus, die dus door de Heilige Geest waren uitgezonden, gingen naar Seleucië en voeren daarvandaan naar Cyprus. 5 In Salamis aangekomen verkondigden ze het Woord van God in de Joodse synagogen. Ze hadden Johannes bij zich als assistent. 6 Ze trokken door het hele eiland, naar Pafos, waar ze een Joodse magiër aantroffen, een valse profeet die Barjezus heette. 7 Hij maakte deel uit van de entourage van de proconsul Sergius Paulus, een verstandig man die Barnabas en Saulus bij zich uitnodigde omdat hij graag naar het Woord van God wilde luisteren. 8 Elymas de magiër dat is de vertaling van zijn naam werkte hen echter tegen: hij probeerde de proconsul van het geloof af te houden. 9 Maar Saulus ook Paulus genoemd raakte vervuld van de Heilige Geest, keek Elymas strak aan en zei: 10 "Jij duivelszoon vol van allerlei bedrog en sluwheid, vijand van alle gerechtigheid, stop jij dan nooit met het verdraaien van de rechte wegen van de Heer? 11 Daarom zal de Heer je straffen: je zal een tijdlang blind zijn en het zonlicht niet zien." Op hetzelfde moment werd Elymas overvallen door nevel en duisternis en zocht hij al rondtastend naar iemand die hem bij de hand kon leiden. 12 Toen de proconsul zag wat er gebeurd was, was hij zo diep onder de indruk van de leer over de Heer, dat hij tot geloof kwam.

13 Paulus en zijn entourage voeren weg van Pafos. Maar toen ze in Perge in Pamfylië waren aangekomen, verliet Johannes hen om naar Jeruzalem terug te keren. 14 Zij reisden echter vanuit Perge verder naar Antiochië in Pisidië. Daar gingen ze op de sabbat naar de synagoge en namen plaats. 15 Na de voorlezing uit de Wet en de Profeten stuurden de synagogebestuurders iemand naar hen toe om te vragen: "Volksgenoten, als jullie een bemoedigend woord hebben voor de mensen, spreek dan maar." 16 Paulus stond op, maakte een handgebaar en zei: "Israëlieten en anderen die ontzag voor God hebben, luister. 17 De God van ons volk Israël heeft onze voorouders uitverkoren en ons volk machtig gemaakt toen het in het land Egypte verbleef. Met veel machtsvertoon leidde Hij hen weg 18 en in de wildernis verdroeg Hij veertig jaar lang hun gedrag. 19 In het land Kanaän roeide Hij zeven volken uit om het land aan ons volk in eigendom te geven. 20 Dat duurde ongeveer 450 jaar. Vervolgens gaf Hij rechters, tot de tijd van de profeet Samuel. 21 Toen vroeg ons volk om een koning en God gaf Saul, de zoon van Kis, uit de stam Benjamin. Dat duurde veertig jaar. 22 God zette hem af en stelde David aan als hun koning. Hij verklaarde over hem: In David, de zoon van Isaï, heb ik een man naar mijn hart gevonden, die alles zal doen wat Ik wil.23 Uit Davids afstammelingen heeft God zoals beloofd een redder voor Israël voortgebracht: Jezus. 24 Maar voordat Jezus kwam, verkondigde Johannes aan het hele volk Israël een doop van inkeer. 25 En toen hij zijn opdracht bijna had voltooid, zei Johannes: Ik ben niet de persoon die jullie denken dat ik ben. Maar let goed op, na mij komt er Iemand anders en ik ben het niet waard om zijn schoenen voor Hem los te maken.26 Volksgenoten, afstammelingen van Abraham, en ook jullie anderen die ontzag voor God hebben, het nieuws van deze redding is aan ons bekendgemaakt. 27 De inwoners van Jeruzalem en hun leiders hebben Hem niet herkend. Door Jezus te veroordelen, vervulden zij de woorden van de profeten die elke sabbat worden voorgelezen. 28 Hoewel ze geen enkele grond voor een doodvonnis konden vinden, vroegen ze Pilatus om zijn doodstraf. 29 En na alles te hebben uitgevoerd dat over Hem was geschreven, haalden ze Hem van het kruis en legden Hem in een graf. 30 God heeft Hem echter uit de dood doen verrijzen. 31 In de loop van vele dagen verscheen Hij aan de mensen die met Hem samen uit Galilea naar Jeruzalem waren gereisd en die nu over Hem getuigen aan het Joodse volk. 32 En wij verkondigen jullie het goede nieuws: wat God aan onze voorouders had beloofd, 33 heeft Hij voor ons, hun afstammelingen, vervuld door Jezus te doen verrijzen. Zo staat het ook in Psalm 2:

Jij bent mijn Zoon, vandaag heb Ik Je verwekt.

34 Dat God Jezus uit de dood zou doen verrijzen zodat Hij niet tot ontbinding zou overgaan, had Hij reeds voorspeld met deze woorden:

De betrouwbare, heilige zegeningen die aan David waren beloofd, zal Ik aan jullie geven.

35 En elders zegt Hij:

U zal uw toegewijde niet tot ontbinding laten overgaan.

36 David zelf is gestorven, nadat hij de mensen van zijn eigen volk had gediend volgens Gods plan. Hij is bij zijn voorouders begraven en zijn lichaam is vergaan. 37 Maar het lichaam van de Persoon die God heeft doen verrijzen, is niet vergaan. 38 Daarom, vrienden, moeten jullie weten dat dankzij Hem de vergeving van zonden aan jullie wordt verkondigd. 39 Ieder die in Hem gelooft, wordt vrijgesproken van alle schuld waarvoor geen vrijspraak mogelijk was op basis van de Wet van Mozes. 40 Pas dus op dat jullie niet overkomt wat in de Profeten als volgt wordt omschreven: 41 Kijk, spotters, verwonder je en verdwijn, want Ik ga in jullie tijd iets doen dat jullie niet zullen geloven wanneer iemand het jullie vertelt."

42 Toen Paulus en Barnabas naar buiten gingen, drong men er bij hen op aan, de volgende sabbat opnieuw over dit onderwerp te spreken. 43 Na afloop van de samenkomst gingen veel van de Joden en van de mensen die God vereerden en zich tot het jodendom hadden bekeerd, met Paulus en Barnabas mee. Die spraken met hen om hen aan te sporen zich aan Gods genade vast te houden. 44 De volgende sabbat kwam bijna de hele stad bijeen om het Woord van de Heer te horen. 45 Toen de Joden de mensenmassa zagen, werden ze door afgunst overmand. Ze spraken de woorden van Paulus tegen en belasterden hem. 46 Paulus en Barnabas zeiden echter vrijmoedig: "Het was nodig om het Woord van God eerst aan jullie te vertellen. Maar nu jullie het afwijzen en zelf aangeven dat jullie het eeuwig leven niet waard zijn, richten wij ons voortaan tot de niet-Joden. 47 Want de Heer heeft ons opgedragen: Ik heb je aangesteld tot een licht voor de volken, om redding te brengen tot aan de uithoeken van de aarde."

48 Toen de niet-Joden dit hoorden, verheugden ze zich en verheerlijkten ze het Woord van de Heer. Iedereen die voor het eeuwig leven bestemd was, kwam tot geloof. 49 Het Woord van de Heer raakte in de hele omgeving bekend. 50 Toen stookten de Joden de voorname vrouwen die God vereerden en de leiders van de stad op tegen Paulus en Barnabas, ontketenden een vervolging en verdreven hen uit hun gebied. 51 Maar Paulus en Barnabas schudden het stof van hun voeten als een teken van afkeuring en gingen naar Ikonium. 52 De nieuwe volgelingen van Jezus waren echter vervuld van vreugde en van de Heilige Geest.

Ka Whiriwhiria, ka Tonoa ko Pānapa rāua ko Haora

1 , tērā ētahi poropiti me ētahi kaiwhakaako i Anatioka, i te hāhi i reira, ko Pānapa, ko Himiona i huaina nei ko Nikera, ko Rukiu Hairini, ko Manaena, he mea whakatupu ngātahi nei rāua ko Herora tetaraki, me Haora. 2 Ā, i a rātou e karakia ana ki te Ariki, e nohopuku ana, ka mea te Wairua Tapu, "Motuhia mai ki ahau a Pānapa rāua ko Haora ki te mahi i karangatia ai rāua e ahau."

3 , ka mutu rātou nohopuku me te īnoi, ā, ka popoki iho i ō rātou ringa ki a rāua ka tonoa atu rāua kia haere.

I Kaiperu

4 , ka tonoa nei rāua e te Wairua Tapu, ka haere ki Herukia; ā, rere atu ana i reira ki Kaiperu. 5 , i a rāua i Harami, ka kauwhautia e rāua te kupu a te Atua i roto i ngā whare karakia o ngā Hūrai. I a rāua anō a Hoani hei kaimahi.

6 Ā, rātou putanga i te motu katoa ki Papaho, ka kitea tētahi tangata mākutu, he poropiti teka, he Hūrai, ko Paraīhu te ingoa. 7 I te tino kāwana ia, i a Herekiu Pāora; he tangata mahara a Herekiu. Ā, karangatia ana e ia a Pānapa rāua ko Haora, ā, ka whai kia rongo i te kupu a te Atua. 8 Otirā, i tautohe ki a rāua a Erima te kaimākutu, ko te whakamāoritanga hoki tēnei o tōna ingoa, i mea kia tahuri te tino kāwana i te whakapono. 9 Otirā, ko Haora, e huaina nei anō ko Pāora, tonu i te Wairua Tapu, i whakamau i ōna kanohi ki a ia, 10 ā, i mea, "E te tangata tonu i te tinihanga, i ngā tini mahi pokanoa, e te tama a te rēwera, hoariri o ngā mahi tika katoa, e kore ianei e mutu tāu whakaputa i ngā ara tika a te Ariki? 11 Nanā, āianei ai te ringa o te Ariki ki a koe, ka matapōtia koe, e kore e kite i te ā taka noa tētahi ."

, taka tonu iho ki a ia he kohu, he pōuri; ā, hāereere noa ia ki te rapu kaiārahi mōna. 12 Ā, te kitenga o te tino kāwana i taua meatanga, ka whakapono ia, i mīharo hoki ki te ako a te Ariki.

Kei Anitioka o Pihiria

13 , ka rere atu a Pāora rātou ko ōna hoa i Papaho, ka ū ki Pereka i Pamapuria. Ā, whakarere ana a Hoani i a rāua, hoki ana ki Hiruhārama. 14 Ko rāua ia haere atu ana i Pereka, tae tonu atu ki Anatioka i Pihiria, ā, tomo ana ki te whare karakia i te hāpati, noho ana. 15 Ā, ka mutu te kōrerotanga o te ture, o ngā poropiti, ka tono tāngata ngā rangatira o te whare karakia ki a rāua, ka mea, "E hoa , ki te mea he kupu whakaako kōrua ki te hunga nei, kōrerotia."

16 , ka a Pāora ki runga, ka tāwhiri tōna ringa, ka mea: "E ngā tāngata o Īharaira, e te hunga e wehi ana ki te Atua, whakarongo mai. 17 te Atua o tēnei iwi, o Īharaira i whiriwhiri ō tātou mātua, ā, whakanuia ana e ia tēnei iwi, i a rātou e noho manene ana i te whenua o Īhipa, i runga tonu anō te ringa i ārahina mai ai rātou e ia i reira. 18 , me te mea e whā tekau ngā tau i whakamanawanui ai ki rātou āhua i te koraha. 19 Ā, ka whitu ngā iwi ka ngaro i a ia i te whenua o Kanaana, ka hoatu e ia ki a rātou rātou whenua hei whenua pūmau, ngā tau me te mea e whā rau e rima tekau.

20 "Ā muri iho i ēnei mea, ka hoatu e ia ki a rātou he kaiwhakawā, taea noatia a Hamuera poropiti. 21 Ā muri iho ka tono rātou ki tētahi kīngi; ā, hoatu ana e te Atua ki a rātou a Haora, tama a Kihi, he tangata te o Pineamine, ā, e whā tekau ngā tau. 22 Ā, ka oti ia te whakataka, ka whakaarahia ake e ia a Rāwiri hei kīngi rātou; i whakaaturia hoki ia e ia, i kōrerotia, Kua kitea e ahau a Rāwiri tama a Hehe, he tangata e whakaaetia ana e tōku ngākau; ka meatia e ia ngā mea katoa e pai ai ahau.23 He uri tēnei tangata te Atua i hōmai ai ki a Īharaira, he Kaiwhakaora, ko Īhu, hei whakarite i te mea i kōrerotia ai i mua; 24 mua tata anō hoki i tōna haerenga mai te kauwhautanga a Hoani i te iriiri rīpenetā, ki te iwi katoa o Īharaira. 25 Ā, ka tutuki a Hoani ki tōna tutukitanga, ka mea ia, Ko wai koia ahau ki koutou whakaaro? Ehara ahau i a ia. Engari, tērā te haere mai ana tētahi i muri i ahau, ko ōna e kore ahau e tau hei wewete.

26 "E ōku tuākana, e ngā tama o te kāwei o Āperahama, e te hunga i roto i a koutou e wehi ana ki te Atua, kua hōmai te kupu o tēnei ora kia whakapuakina ki a tātou. 27 , ko te hunga e noho ana Hiruhārama, me ō rātou rangatira, i te mea kīhai rātou i mōhio ki a ia, ki ngā reo rānei o ngā poropiti e kōrerotia ana i ngā hāpati katoa, rātou i whakarite aua reo, i a rātou i tuku i a ia ki te mate. 28 Ahakoa kīhai i kitea e rātou he mea e mate ai ia, ka tohe rātou ki a Pirato kia whakamatea ia. 29 Ā, ka rite i a rātou ngā mea katoa i tuhituhia mōna, tangohia iho ana ia i te rākau, whakatakotoria ana ki roto ki te urupā. 30 Heoi, te Atua ia i whakaara ake i te hunga mate. 31 Ā, he maha ngā i kitea ai ia e te hunga i haere tahi i a ia i Karirī ki Hiruhārama, ko rātou nei ngā kaiwhakaatu mōna ki te iwi.

32 ", he kauwhau tēnei māua ki a koutou i te rongopai, i kōrerotia i mua ki ngā mātua, 33 arā, kua mana tēnei i te Atua, hei mea ā tātou tamariki, i a ia whakaara nei i a Īhu; ko te mea hoki tēnā i tuhituhia i te rua o ngā waiata:

Ko tāku Tama koe;

nāianei koe whakatupuria ai e ahau.

34 Ko tāna kōrero anō tēnei mōna whakaarahia nei e ia i te hunga mate, hoki anō ki te pirau i muri iho:

Ka hoatu e ahau ki a koutou ngā mea tapu,

ngā manaakitanga pono o Rāwiri.

35 Koia hoki ia i mea ai i tētahi atu waiata,

E kore koe e tuku i tāu Mea Tapu kia kite i te pirau.

36 "Ko Rāwiri hoki i mahi i te Atua i pai ai i tōna whakatupuranga anō, ā, moe iho, whakatakotoria ana ki ōna mātua, kite ana i te pirau. 37 Ko tēnei ia i whakaarahia ake nei e te Atua, kīhai ia i kite i te pirau.

38 ", kia mōhio koutou, e ōku tuākana, tēnei tangata te murunga hara e kauwhautia nei ki a koutou; 39 māna hoki ngā tāngata katoa e whakapono ana, ka whakatikaia ai i ngā mea katoa, e kore nei koutou e whakatikaia i runga i Mohi ture. 40 , kia mahara, kei ki a koutou te mea i kōrerotia e ngā poropiti:

41 Titiro mai, e te hunga whakahāwea,

ka mīharo ai, ā, whakangaromia iho!

Ka mahia hoki e ahau he mahi i ō koutou ,

he mahi e kore e whakaponohia e koutou,

ki te whakapuakina e te tangata ki a koutou!"

42 , i a rātou e puta ana ki waho, ka tohe rātou kia kauwhautia anō aua kupu ki a rātou i muri iho hāpati. 43 Heoi, ka pākarukaru te huihui, he tokomaha ngā Hūrai me ngā porohiraiti karakia i aru i a Pāora rāua ko Pānapa; ā, ka kōrero rāua ki a rātou, ka ako kia mau tonu rātou ki te aroha noa o te Atua.

44 , i muri iho hāpati ka huihui mai te , me te mea ko rātou katoa, ki te whakarongo ki te kupu a te Atua. 45 te kitenga ia o ngā Hūrai i te huihui, ka rātou i te hae, ka whakakāhore ki ngā mea i kōrerotia e Pāora, ka whakateka, ka kohukohu.

46 Kātahi a Pāora rāua ko Pānapa ka kōrero māia atu, ka mea: "I takoto te tikanga kia mātua kōrerotia te kupu a te Atua ki a koutou. , ka peia nei e koutou, ka whakaaro koutou e kore koutou e tau te ora tonu, , ka tahuri atu nei māua ki ngā tauiwi. 47 I pēnei hoki te ako a te Ariki ki a mātou:

Kua waiho koe e ahau hei mārama ki ngā tauiwi,

kia ai koe hei oranga puta noa i ngā pito o te whenua."

48 , i te rongonga o ngā tauiwi, ka hari, ka whakakorōria i te kupu a te Ariki; ka whakapono anō te hunga i rite te ora tonu.

49 Ā, pakū ana te kupu a te Ariki puta noa i taua whenua. 50 Otirā, i whakaohokia e ngā Hūrai ngā wāhine karakia, rangatira, me ngā tāngata nunui o te , ā, ara ana i a rātou he whakatoi Pāora rāua ko Pānapa, peia ana rāua i ō rātou wāhi. 51 Heoi, ruia atu ana e rāua te puehu o ō rāua waewae ki a rātou, ā, haere ana ki Ikoniuma. 52 , tonu ngā ākonga i te hari, i te Wairua Tapu.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-