Publicidade

Atos 27

MRI2012

1 Nadat besloten was dat we naar Italië zouden varen, werden Paulus en enkele andere gevangenen overgedragen aan een centurio die Julius heette; hij was van de keizerlijke afdeling. 2 We gingen aan boord van een schip uit Adramyttium dat de havens aan de kust van Asia zou aandoen en voeren weg. Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, was bij ons. 3 De volgende dag kwamen we aan in de haven van Sidon. Julius behandelde Paulus vriendelijk en liet toe dat hij zijn vrienden bezocht om zich door hen te laten verzorgen. 4 We vervolgden onze zeereis en voeren Cyprus aan de beschutte kant voorbij, omdat we de wind tegen hadden. 5 Nadat we de open zee bij Cilicië en Pamfylië waren overgestoken, kwamen we aan bij Myra in Lycië. 6 Daar vond de centurio een Alexandrijns schip dat naar Italië zou gaan en hij scheepte ons in. 7 We vorderden traag en met moeite; het was pas na vele dagen dat we Knidus bereikten. En omdat we de wind tegen hadden, voeren we Kreta aan de beschutte kant, de kant van Salmone, voorbij. 8 We voeren het met moeite voorbij en kwamen bij een plaats die Schone Haven heet, vlak bij Lasea. 9 Omdat er zoveel tijd was verlopen en de vastenperiode ook al voorbij was, werd het gevaarlijk om verder te varen. Paulus waarschuwde: 10 "Mannen, ik voorzie dat onze zeereis met moeilijkheden en veel verlies gepaard zal gaan, en niet alleen voor de lading en het schip. Ook onze levens staan op het spel." 11 In plaats van Paulus' woorden ter harte te nemen, liet de centurio zich overtuigen door de stuurman en de eigenaar van het schip. 12 En omdat de haven niet geschikt was om er te overwinteren, werd door de meerderheid besloten om verder te varen en te kijken of ze Fenix konden bereiken om daar te overwinteren. Fenix is een haven op Kreta met uitzicht op het zuid- en het noordwesten.

13 Dus toen er een zachte zuidenwind opstak, dachten ze dat het wel zou lukken. Ze lichtten het anker en voeren dicht langs de kust van Kreta verder. 14 Maar kort daarna stak vanaf het eiland een zware stormwind op, die Eurakylon wordt genoemd. 15 Omdat het schip werd meegesleurd en de kop niet in de wind kon houden, gaven we ons gewonnen en lieten we ons meedrijven. 16 We voeren langs de beschutte kant van een eilandje dat Kauda heet, waar we met moeite de sloep onder controle konden krijgen. 17 De bemanningsleden hesen hem aan boord en verstevigden de romp van het schip met touwen. Omdat ze bang waren om bij Syrtis vast te lopen, wierpen ze het drijfanker uit en lieten ze het schip drijven. 18 De storm ging zo hard tekeer dat ze de volgende dag lading overboord gooiden. 19 En op de derde dag gooiden ze eigenhandig het scheepstuig overboord. 20 Dagenlang zagen we geen licht van de zon of de sterren. De storm bleef woeden en we hadden geen enkele hoop op redding meer. 21 Nadat er aan boord lange tijd niet was gegeten, ging Paulus tussen de bemanningsleden staan en zei: "Mannen, jullie hadden naar mij moeten luisteren en niet uit Kreta moeten vertrekken. Dan waren deze moeilijkheden en dit verlies jullie bespaard gebleven. 22 Maar nu spoor ik jullie aan om moed te houden, want geen van jullie zal zijn leven verliezen. Alleen het schip zal vergaan. 23 Vannacht kwam er namelijk een engel van de God aan wie ik toebehoor en die ik vereer, bij mij staan. 24 Hij zei: Wees niet bang, Paulus, je moet voor de keizer terechtstaan en God zal, als een gunst aan jou, al je medeopvarenden in leven houden.25 Daarom, mannen, houd moed, want ik vertrouw erop dat God zal zorgen dat het precies zo zal verlopen als mij verteld is. 26 Maar we moeten stranden bij een eiland."

27 Toen brak de veertiende nacht aan. We waren nog altijd op drift in de Adriatische Zee, maar midden in de nacht vermoedden de bemanningsleden dat we land naderden. 28 Ze peilden de diepte: 40 meter. Toen ze iets verder waren gevorderd, peilden ze opnieuw: 30 meter. 29 Omdat ze bang waren dat we op de klippen zouden lopen, wierpen ze vier ankers uit van de achtersteven en ze baden dat het licht zou worden. 30 De bemanning wilde van het schip ontsnappen en liet de sloep in zee zakken onder het voorwendsel dat ze vanaf de voorsteven ankers wilden uitwerpen. 31 Maar Paulus zei tegen de centurio en de soldaten: "Als zij niet aan boord blijven, kunnen jullie niet worden gered." 32 Daarom kapten de soldaten de touwen van de sloep door en lieten ze die wegdrijven. 33 Vlak voordat het licht werd, spoorde Paulus iedereen aan om te eten. Hij zei: "Vandaag is al de veertiende dag dat jullie afwachten zonder te eten en doorwerken zonder een maaltijd te nuttigen. 34 Daarom raad ik jullie aan om te eten, want dat hebben jullie nodig om te overleven. Niemand van jullie zal zelfs maar een hoofdhaar verliezen." 35 Nadat hij dit had gezegd, nam hij brood, dankte God waar ze allen bij waren, brak het en begon te eten. 36 Ze raakten er allen door bemoedigd en begonnen zelf ook te eten. 37 We waren in totaal met 276 opvarenden. 38 Toen ze voldoende hadden gegeten, maakten ze het schip lichter door het graan in zee te gooien. 39 Toen het licht werd, herkenden ze het land niet. Wel zagen ze een inham met een strand en besloten ze een poging te wagen het schip daar te laten vastlopen. 40 Ze maakten de ankers los en lieten die in de zee achter. Tegelijkertijd maakten ze de touwen los waarmee het dubbelroer was vastgezet. Toen hesen ze het voorzeil en zetten ze voor de wind koers naar het strand. 41 Het schip kwam in ondiep water terecht en ze lieten het vastlopen. De voorsteven kwam onwrikbaar vast te zitten, maar door de kracht van de golven begon de achtersteven te breken. 42 De soldaten waren van plan de gevangenen te doden om te voorkomen dat er iemand zwemmend zou ontsnappen. 43 Maar de centurio wilde Paulus sparen en weerhield hen van hun plan. Hij beval dat wie kon zwemmen, het eerst overboord zou springen om aan land te gaan. 44 De rest zou volgen op planken of andere stukken van het schip. En zo kwam iedereen veilig aan land.

Ka Whakawhiti a Pāora ki Rōma

1 Ā, ka takoto te tikanga kia rere mātou ki Itari, ka tukua a Pāora me ērā atu herehere ki tētahi keneturio ko Huriu te ingoa, te hapū o Ākuhata. 2 , eke ana mātou ki tētahi kaipuke o Ataramitiuma, e tika ana ngā kāinga o Āhia, rere ana mātou; ko Aritaku o Teharonika, he tangata Makeronia, mātou hoa.

3 tahi ka ū mātou ki Hairona. , ka ngāwari te mahi a Huriu ki a Pāora, tukua ana ia kia haere ki ōna hoa kia atawhaitia. 4 Rere atu ana i reira, ka miri haere mātou i te taha o Kaiperu, te mea i te hau. 5 Whiti ana mātou i te moana o Kirikia, o Pamapuria, ka ū ki Maira, he Raikia. 6 , ka mau i te keneturio he kaipuke ki reira Arēhānaria, e rere ana ki Itari; ka utaina mātou e ia ki runga. 7 Ā, ka maha i pūhoi ai te rere, ka whiti whakauaua ki te ritenga atu o Hiniru, ā, tukua mātou e te hau, ka miri haere mātou i te taha o Kariti i te ritenga atu o Haramone; 8 ā, ka pahemo whakauaua a reira, ka ū mātou ki tētahi kāinga, ko Ngā Kokoru Ātaahua te ingoa; e tata ana a reira ki te o Rāhia.

9 Ā, ka maha ngā ka pahemo, , kua kino te rerenga, te mea kua pahemo te Nohopuku, ā, ka whakatūpato a Pāora, 10 ka mea ki a rātou, "E mara , e kite ana ahau i te kino, i te nui o te mate e mai i tēnei rerenga, ehara i te mea ko te utanga anake me te kaipuke, engari, ko tātou anō." 11 Otirā, nui atu te aro o te keneturio ki te kāpene rāua ko te tangata nōna te kaipuke i tāna ki ngā mea i kōrero ai a Pāora. 12 Ā, i te mea kīhai i pai taua kokoru hei tūnga i te hōtoke, ka mea te tokomaha kia rere atu anō i reira, me kore e ū ki Pinike, ki reira ai i te hōtoke; he kokoru ia Kariti, e anga ana ki te uru tonga, ki te uru raki.

Te Marangai i te Moana

13 Ā, ka rekareka te tonga, ka mea rātou kua taea rātou i whakaaro ai, ka hūtia te punga; ā, miri haere ana i Kariti. 14 , kīhai i roa ka puta he hau nui whakaharahara, ko Urokarairona te ingoa. 15 Ā, ka kāhakina te kaipuke, ngongo ki te hau, , ka tukua e mātou ki tāna, ā, ka pāea. 16 , ka miri i te taha ruru o tētahi motu, tōna ingoa ko Karaura; ka riro whakauaua mai te poti i a mātou. 17 Ā, ka hūtia ake, ka hanga ki te whakaū, meatia he awhi te tangere o te puke; ā, ka mataku kei eke ki te tahuna, ki Hatihi, ka tukua te , ā, ka pāea haeretia. 18 Ā, ka tino ākina mātou e te tūpuhi, i te aonga ake ka ākiritia ngā utanga; 19 ā, i te toru o ngā ka makā atu e rātou ki ō rātou ringa ngā mea ake o te kaipuke. 20 Ā, he maha ngā i kore ai e puta te me ngā whetū, kīhai anō i iti te tūpuhi i ākina ai mātou, , ka mahue katoa mātou whakaaro ki te ora.

21 Heoi, ka roa te nohopuku, , ka a Pāora i waenganui o rātou, ka mea, "E mara , engari me i rongo koutou ki ahau, kia kaua e rere mai i Kariti, kei mai tēnei kino, tēnei mate. 22 , ko tāku kupu tēnei ki a koutou, Kia mārama te ngākau; e kore hoki e mate tētahi o koutou, ko te kaipuke anake. 23 I hoki ki tōku taha i tēnei he anahera te Atua, nāna nei ahau, ko ia tāku e karakia atu nei, 24 i mea mai, Aua e mataku, e Pāora; me koe ki te aroaro o Hīhā; nāna, kua hoatu ki a koe e te Atua te hunga katoa e rere tahi koutou.25 , kia mārama te ngākau, e mara ; e whakapono ana hoki ahau ki te Atua, e rite anō ki tāna i kōrero mai ai ki ahau. 26 Otirā, kua takoto te tikanga kia eke tātou ki tētahi motu."

27 , i te tekau whā o ngā , i a mātou e kāhakihakina ana i te moana o Aria, i waenganui , ka mea ngā hēramana kei te whakatata rātou ki tētahi whenua. 28 , ka whakatātūtū rātou, ka kite e rua tekau mārō, ā, ka neke tata atu, ka whakatātūtū anō, ka kite kotahi tekau rima mārō. 29 , ka mataku kei pāea mātou ki ngā toka, ka tukua ngā punga e whā i te kei, ka hiahia ki te awatea. 30 Ā, i ngā hēramana e mea ana kia oma atu i te kaipuke, e tuku ana hoki i te poti ki te moana, he whakaware, kia kīia ai e tukua ana ētahi punga i te ihu. 31 Ka mea a Pāora ki te keneturio rātou ko ngā hōia, "Ki te kore ēnei e noho ki te kaipuke, e kore koutou e taea te whakaora." 32 Kātahi, ka tapahia ngā whakaheke o te poti e ngā hōia, ā, tukua ana kia taka atu.

33 Ā, i te mea meāke pūao te , ka tohe a Pāora ki a rātou katoa kia kai, ka mea, "Ko te tekau whā tēnei o ngā e tatari nei koutou, e nohopuku nei, ō te kai. 34 Koia ahau ka tohe nei kia kai; ko tētahi mea hoki tēnei e ora ai koutou. E kore hoki e ngahoro tētahi huruhuru o te upoko o tētahi o koutou."

35 Ā, tāna kōrerotanga i ēnei kupu, ka mau ki te taro, ka whakawhetai ki te Atua i te aroaro o te katoa; ā, ka whawhati, ka tīmata te kai. 36 , ka mārama ngā ngākau o rātou katoa, ka kai anō rātou. 37 , e rua rau e whitu tekau ono mātou katoa i te kaipuke. 38 Ā, ka mākona i te kai, ka whakamāmā rātou i te kaipuke, ka ākiritia te wīti ki te moana.

Te Pākarutanga o te Kaipuke

39 Ā, ka ao te kīhai rātou i mōhio ki tērā whenua; engari, i kite rātou i tētahi kokoru he one reira, ā, ka mea rātou me kore e āhei te āki atu i te kaipuke ki roto. 40 , tapahia ana e rātou ngā punga, tukua ana ki te moana, i whakakorokoroa anō ngā here o te urungi, ka hūtia anō te nui ki te hau, ka tika atu ki te one. 41 Ā, ka puta atu ki tētahi wāhi, he tai papakirua, ka whakaekea te kaipuke; ā, titi tonu te ihu, mau tonu, ko te kei i pakaru i te kaha o te ngaru.

42 Ā, ki ngā hōia whakaaro, me whakamate ngā herehere, kei kau tētahi ki uta, kei oma. 43 Ko te keneturio ia i mea kia whakaorangia a Pāora, kīhai hoki i tukua ki rātou i whakaaro ai; , ka mea ia, kia mātua peke atu te hunga e mātau ana ki te kau, kia kau ki uta; 44 ko ērā atu, ko ētahi i runga i ngā papa, ko ētahi i runga i ētahi o ngā mea o te kaipuke. Heoi, tae ora katoa ana rātou ki uta.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-