Publicidade

Atos 10

MRI2012

1 Er was in Caesarea iemand die Cornelius heette, een centurio van wat de Italiaanse legerafdeling werd genoemd. 2 Hij en zijn hele huishouden hadden eerbied en ontzag voor God, en hij gaf veel aan de armen van het volk en bad aanhoudend tot God. 3 Op een dag, rond drie uur 's middags, had Cornelius een visioen waarin hij duidelijk zag dat er een engel van God bij hem binnenkwam en tegen hem zei: "Cornelius!" 4 Hij keek hem verschrikt aan en vroeg: "Wat is er, meneer?" De engel antwoordde: "Je gebeden en je giften voor de armen hebben God bereikt en Hij heeft er acht op geslagen. 5 Stuur dus mannen naar Joppe om een zekere Simon op te halen, die Petrus wordt genoemd. 6 Hij logeert bij een zekere Simon de leerlooier, die in een huis aan zee woont." 7 Zodra de engel die met hem had gesproken was vertrokken, riep Cornelius twee van zijn huisslaven en een soldaat die in zijn dienst was en ontzag voor God had. 8 Nadat hij hun alles had uitgelegd, stuurde hij hen naar Joppe.

9 De volgende dag, toen ze onderweg waren en in de buurt van de stad kwamen, was Petrus het dakterras opgegaan om te bidden. Het was ongeveer twaalf uur. 10 Hij kreeg honger en wilde iets eten. Terwijl men iets voor hem klaarmaakte, kreeg hij een visioen. 11 Hij zag dat de hemel openging en er een voorwerp naar beneden kwam dat op een groot laken leek en aan de vier hoeken naar de aarde werd neergelaten. 12 Er zaten allerlei viervoetige dieren en wilde reptielen en vogels in. 13 Hij hoorde een stem tegen hem zeggen: "Ga je gang, Petrus, slacht en eet." 14 Maar Petrus antwoordde: "Dat nooit, Heer, want ik heb nog nooit iets gegeten dat verwerpelijk of onrein is." 15 Petrus hoorde de stem nogmaals: "Wat God rein heeft verklaard, mag jij niet als onrein behandelen." 16 Dit gebeurde driemaal. Meteen daarna werd het voorwerp naar de hemel opgetrokken. 17 Terwijl Petrus zich verwonderd afvroeg wat het visioen dat hij had gezien betekende, stonden de mannen die door Cornelius waren gestuurd en die naar het huis van Simon hadden gevraagd, al voor de poort. 18 Ze riepen: "Logeert Simon die Petrus wordt genoemd hier?" 19 Terwijl Petrus nog over het visioen nadacht, zei de Geest tegen hem: "Luister, er zijn drie mannen naar je op zoek. 20 Sta op, ga naar beneden en ga zonder aarzelen met hen mee, want Ik heb hen gestuurd." 21 Petrus ging naar beneden en zei tegen de mannen: "Ik ben degene die jullie zoeken. Wat is de reden van jullie komst?" 22 Ze zeiden: "Cornelius, een centurio, een integere man met ontzag voor God, en die een goede reputatie heeft bij het hele Joodse volk, heeft van een engel van God de opdracht ontvangen om u naar zijn huis uit te nodigen en te luisteren naar wat u te zeggen hebt." 23 Petrus liet hen binnen en verleende hun onderdak.

De volgende ochtend ging hij met hen op pad. Enkele gelovigen uit Joppe reisden mee. 24 De dag erna kwamen ze in Caesarea aan. Cornelius was Petrus aan het opwachten en had zijn familie en beste vrienden bijeengeroepen. 25 Toen Petrus op het punt stond om naar binnen te gaan, kwam Cornelius naar hem toe en liet zich aan Petrus' voeten vallen om hem te eren. 26 Maar die deed hem opstaan door te zeggen: "Ga maar staan, ik ben slechts een mens." 27 Terwijl hij met hem praatte, ging Petrus mee naar binnen, waar hij zag dat er een groot aantal mensen was bijeengekomen. 28 Hij zei tegen hen: "Zoals u weet is het voor een Jood verboden om met vreemdelingen om te gaan of hen te bezoeken. Maar God heeft mij getoond dat ik geen enkel mens verwerpelijk of onrein moet noemen. 29 Dus toen ik werd uitgenodigd, ben ik zonder bezwaar gekomen. Daarom vraag ik u, om welke reden hebt u mij laten ophalen?" 30 Cornelius antwoordde: "Drie dagen geleden was ik rond deze tijd, rond drie uur 's middags, thuis aan het bidden, toen er plots een man in blinkende kleren voor me stond. 31 Hij zei: Cornelius, God heeft je gebed gehoord en Hij heeft acht geslagen op je giften voor de armen. 32 Stuur daarom iemand naar Joppe om Simon op te halen, die Petrus wordt genoemd. Hij logeert in het huis van Simon de leerlooier, bij de zee.33 Ik heb u meteen laten ophalen en u hebt er goed aan gedaan om te komen. Wij allen zijn hier in Gods tegenwoordigheid aanwezig om te luisteren naar alles wat de Heer u beveelt aan ons te zeggen." 34 Toen nam Petrus het woord. Hij zei: "Nu begrijp ik werkelijk dat er bij God geen favoritisme is, 35 maar dat iedereen, uit welk volk ook, die ontzag voor Hem heeft en een rechtvaardig leven leidt, welkom bij Hem is. 36 De boodschap die Hij aan de Israëlieten heeft gezonden, de verkondiging van het evangelie van vrede door Jezus Christus, is als volgt: Hij is Heer over alle mensen. 37 U weet wat er in heel Judea is gebeurd, vanaf het begin in Galilea na de doop die Johannes verkondigde, 38 hoe God Jezus van Nazaret met de Heilige Geest en met macht heeft gezalfd en hoe Jezus al rondtrekkende goede daden deed en mensen genas die in de macht van de duivel waren, omdat God met Hem was. 39 Wij zijn ooggetuigen van alles wat Hij heeft gedaan in het Joodse land en in Jeruzalem. Hij werd gedood door kruisiging, 40 maar God heeft Hem op de derde dag doen verrijzen en heeft ervoor gezorgd dat Hij werd gezien. 41 Niet door het hele volk, maar door ooggetuigen die reeds door God waren uitgekozen, door ons die met Jezus hebben gegeten en gedronken nadat Hij uit de dood was verrezen. 42 Hij heeft ons opgedragen, aan het volk te verkondigen en te getuigen dat Hij degene is die door God is aangesteld tot rechter van de levenden en de doden. 43 Alle profeten getuigen over Hem dat ieder die in Hem gelooft, dankzij Hem vergeving van zonden ontvangt." 44 Terwijl Petrus nog sprak, kwam de Heilige Geest over alle mensen die naar zijn woorden luisterden. 45 De besneden gelovigen die met Petrus waren meegekomen, stonden ervan versteld dat de Heilige Geest nu ook als een geschenk over niet-Joden was uitgestort. 46 Ze hoorden hen namelijk in tongentaal spreken en God de hoogste eer geven. Toen zei Petrus: 47 "Wie zou deze mensen, die net als wij de Heilige Geest hebben ontvangen, ervan kunnen weerhouden om in water te worden gedoopt?" 48 Hij droeg hun op, zich in de naam van Jezus Christus te laten dopen. Toen vroegen ze hem om enkele dagen te blijven.

Ko Pita rāua ko Koroniria

1 , i Hiharia tētahi tangata, ko Koroniria te ingoa, he keneturio te i kīia nei ko Itari. 2 He tangata karakia ia, e wehi ana i te Atua, rātou ko tōna whare katoa, he maha āna mahi atawhai ki te iwi, me te īnoi tonu ki te Atua. 3 I kite nui ia, he whakarehu, i te mea ka tata ki te iwa o ngā hāora o te , i tētahi anahera a te Atua, e haere mai ana ki a ia, e mea ana hoki ki a ia, "E Koroniria!"

4 , ka titiro matatau atu ia ki a ia, ka wehi, ka mea, "He aha, e te Ariki?"

Ka tērā ki a ia, "Kua puta ake āu īnoi me āu mahi atawhai, hei whakamahara ki te aroaro o te Atua. 5 , tonoa āianei he tangata ki Hopa, ki te tiki i a Haimona, ko te rua nei o ōna ingoa ko Pita. 6 He manuhiri ia Haimona kaimahi hiako, i te taha nei o te moana tōna whare."

7 Ā, te rironga atu o te anahera i kōrero nei ki a ia, ka karangatia e ia tokorua o āna pononga tāne, me tētahi hōia karakia te hunga e mahi tonu ana ki a ia; 8 ā, ka oti ngā mea katoa te kōrero ki a rātou, ka tonoa rātou e ia ki Hopa.

9 i te aonga ake, i a rātou e haere ana, e whakatata atu ana ki te , ka kake a Pita ki runga ki te tuanui, i te ono o ngā hāora, ki te īnoi. 10 ka ki a ia te matekai, ka mea ki te kai; otirā, i a rātou e taka mai ana, ka tau iho te wairua matakite ki a ia. 11 , ka kite ia i te rangi kua tuwhera, me tētahi mea e heke iho ana, he mea tuku iho ngā pito e whā, ki te whenua. 12 I roto i taua mea ngā momo kararehe waewae whā katoa, ngā mea ngōkingōki katoa o te whenua, me ngā manu o te rangi. 13 I reira, ka puta mai he reo ki a ia, "Whakatika, e Pita; patua, kainga."

14 Ko Pita ia i mea, "Kāhore, e te Ariki; kīanō ahau i kai i te mea noa, i te mea poke rānei."

15 Ka puta mai anō he reo ki a ia, ka tuaruatia, "Ko ā te Atua i mea ai kia , kaua e whakanoatia e koe." 16 E toru meatanga o tēnei; ā, i reira tonu ka tangohia atu taua mea ki te rangi.

17 I taua tonu, i a Pita e whakaaroaro ana i roto i a ia ki te tikanga o tēnei whakakitenga, , ko ngā tāngata i tonoa mai e Koroniria, tērā kua uiui ki te whare o Haimona, ana i mua i te kūwaha. 18 Karanga ana mai, ui ana, kei reira rānei e noho ana a Pita, te rua nei o ōna ingoa ko Haimona.

19 Ā, i a Pita e whakaaro ana taua whakakitenga, ka mea te Wairua ki a ia, "Nanā, tokotoru ēnei tāngata e rapu ana i a koe. 20 , whakatika, heke atu, haere tahi koutou, kei ruarua; nāku hoki rātou i tono mai."

21 , ka heke atu a Pita ki aua tāngata, ka mea, ", ko ahau tēnei e rapu nei koutou. He aha te take o koutou haere mai?"

22 , ka mea rātou, "Ko Koroniria , he keneturio, he tangata tika, e wehi ana i te Atua, e kōrerotia paitia ana e te iwi katoa o ngā Hūrai, kua whakamaharatia ia e te Atua tētahi anahera tapu kia tīkina atu koe ki tōna whare, kia rongo ia ki ētahi kupu i a koe." 23 , karanga ana ia i a rātou ki roto hei manuhiri māna.

Ā, i te aonga ake, ka whakatika ia ka haere atu me rātou, ā, ko ētahi o ngā tēina Hopa i haere tahi me ia. 24 Ā, ao ake ka tomo rātou ki Hiharia. , ko Koroniria e tatari mai ana ki a rātou, he mea karanga nāna kia huihui mai ōna whanaunga me ōna hoa tupu. 25 Ā, ka tomo atu a Pita, ka tūtaki a Koroniria ki a ia, ka hinga ki ōna waewae, ka koropiko ki a ia. 26 Otirā, ka whakaara ake a Pita i a ia, ka mea, "E ki runga; he tangata nei anō ahau."

27 , i a ia e kōrero ana ki a ia, ka tomo atu ia ki roto, ka kite i te menenga tokomaha, 28 ka mea atu ki a rātou, "E mātau ana koutou e kore e tika kia huihui te tangata o ngā Hūrai, kia haere atu rānei ki te tangata iwi ; otiia, kua whakakitea e te Atua ki ahau kia kaua e kīia tētahi tangata he noa, he poke. 29 Koia ahau i haere mai ai, kīhai i aha i te tikinga ake i ahau. , ka ui nei ahau, he aha te take i tīkina ake ai ahau?"

30 Ka mea a Koroniria, "Ka whā ngā ināianei tae mai ki tēnei hāora, e whakarite ana ahau i te īnoinga o te iwa o ngā hāora i roto i tōku whare; , ko te tangata e ana i tōku aroaro, kanapa tonu te kākahu, 31 e mea ana, E Koroniria, kua rangona tāu īnoi, ā, e maharatia ana āu mahi atawhai i te aroaro o te Atua. 32 , tonoa he tangata ki Hopa, ka karanga ki a koe i a Haimona, te rua nei o ōna ingoa ko Pita; he manuhiri ia i roto i te whare o Haimona kaimahi hiako, i te taha moana.33 I reira tonu ka tono tāngata atu ahau ki a koe; , he pai rawa tōu haerenga mai. reira, kei konei katoa mātou kei te aroaro o te Atua, whakarongo ai ki ngā mea katoa kua whakahaua e te Ariki ki a koe."

Te Whaikōrero a Pita

34 , ka puaki te māngai o Pita, ka mea: "He pono ka kite ahau kāhore a te Atua whakapai kanohi; 35 otiia, i roto i ngā tini iwi ko te tangata e wehi ana ki a ia, ā, e mahi ana i te tika, ka paingia e ia. 36 Ko te kupu i tukua mai e ia ki ngā tamariki a Īharaira, he kauwhau i te rongopai o te rangimārie Īhu Karaiti; ko ia nei te Ariki o te katoa. 37 Ko taua kupu, kei te mōhio koutou, i kauwhautia puta noa i Hūria katoa, i tīmata mai i Karirī, i muri o te iriiri i kauwhautia e Hoani; 38 arā, ko Īhu o Nahareta, te Atua whakawahinga i a ia ki te Wairua Tapu, ki te kaha; ā, hāereere ana ia ki te mahi i te pai, ki te whakaora i te hunga katoa i pēhia e te rēwera; te mea i a ia te Atua.

39 "Ko mātou hoki ngā kaiwhakaatu o ngā mea katoa i mea ai ia ki te whenua o ngā Hūrai, ki Hiruhārama hoki. Ā, whakamatea ana ia e rātou, he mea whakairi ki runga ki te rākau. 40 , ko ia i whakaarahia ake e te Atua i te toru o ngā , ā, meinga ana ia kia kitea nuitia, 41 ehara i te mea e te iwi katoa, engari e te hunga i whiriwhiria i mua e te Atua, arā e mātou, i kai tahi nei, i inu tahi nei me ia, i muri i tōna aranga ake i te hunga mate. 42 I whai kupu hoki ia ki a mātou kia kauwhau ki te iwi, kia whakaatu, ko ia te Atua i whakarite ai hei Kaiwhakawā ngā tāngata ora, ngā tāngata mate. 43 He kaiwhakaatu ngā poropiti katoa mōna, arā tōna ingoa ka whiwhi ai ki te murunga hara ngā tāngata katoa e whakarongo, ana ki a ia."

Te Whiwhinga o ngā Tauiwi ki te Wairua Tapu

44 I a Pita anō e kōrero ana i ēnei kupu, ka tau iho te Wairua Tapu ki te hunga katoa e whakarongo ana ki te kupu. 45 Ā, ko te hunga o te kotinga i whakapono nei, ko ngā mea i haere tahi mai me Pita, mīharo ana te mea kua ringihia tahitia iho te Wairua Tapu ki ngā tauiwi. 46 I rongo hoki rātou ki ngā reo i kōrero ai rātou, i whakanui ai i te Atua.

I reira ka whakahoki a Pita, 47 "E āhei rānei te whakakāhore e tētahi te wai, kei iriiria ēnei kua whiwhi tahi nei me tātou ki te Wairua Tapu?" 48 , ka whakahau ia kia iriiria rātou i runga i te ingoa o Īhu Karaiti. I reira ka tohe rātou ki a ia kia noho ētahi .

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-