1 Oh! Si vous pouviez supporter de ma part un peu de folie! Mais vous me supportez! 2 Car je suis jaloux de vous d’une jalousie de Dieu, parce que je vous ai fiancés à un seul époux, pour vous présenter à Christ Lé 21:13.comme une vierge pure. 3 Toutefois, Ge 3:4.Jn 8:44.de même que le serpent séduisit Eve par sa ruse, je crains que vos pensées ne se corrompent et ne se détournent de la simplicité à l’égard de Christ. 4 Ga 1:8.Car, si quelqu’un vient vous prêcher un autre Jésus que celui que nous avons prêché, ou si vous recevez un autre Esprit que celui que vous avez reçu, ou un autre Évangile que celui que vous avez embrassé, vous le supportez fort bien. 5 Or, j’estime que je n’ai été inférieur en rien à ces apôtres par excellence. 6 Si je suis un ignorant sous le rapport du langage, je ne le suis point sous celui de la connaissance, et nous l’avons montré parmi vous à tous égards et en toutes choses. 7 Ou bien, ai-je commis un péché parce que, m’abaissant moi-même afin que vous fussiez élevés, je vous ai annoncé 1 Co 9:12.gratuitement l’Évangile de Dieu? 8 J’ai dépouillé d’autres Églises, en recevant d’elles un salaire, pour vous servir. Et lorsque j’étais chez vous et que je me suis trouvé dans le besoin, Ac 20:33.2 Co 12:13.1 Th 2:9.2 Th 3:8.je n’ai été à charge à personne; 9 Ph 4:15.car les frères venus de Macédoine ont pourvu à ce qui me manquait. En toutes choses je me suis gardé de vous être à charge, et je m’en garderai. 10 Par la vérité de Christ qui est en moi, je déclare que ce sujet de gloire ne me sera pas enlevé dans les contrées de l’Achaïe. 11 Pourquoi?… Parce que je ne vous aime pas?… Dieu le sait! 12 Mais j’agis et j’agirai de la sorte, pour ôter ce prétexte à ceux qui cherchent un prétexte, afin qu’ils soient trouvés tels que nous dans les choses dont ils se glorifient. 13 Ces hommes-là sont de faux apôtres, des ouvriers trompeurs, déguisés en apôtres de Christ. 14 Et cela n’est pas étonnant, puisque Satan lui-même se déguise en ange de lumière. 15 Il n’est donc pas étrange que ses ministres aussi se déguisent en ministres de justice. Leur fin sera selon leurs œuvres.
16 Je le répète, que personne ne me regarde comme un insensé; sinon, recevez-moi comme un insensé, afin que moi aussi, je me glorifie un peu. 17 Ce que je dis, avec l’assurance d’avoir sujet de me glorifier, je ne le dis pas selon le Seigneur, mais comme par folie. 18 2 Co 10:13;12:5,6.Puisqu’il en est plusieurs qui se glorifient selon la chair, je me glorifierai aussi. 19 Car vous supportez volontiers les insensés, vous qui êtes sages. 20 Si quelqu’un vous asservit, si quelqu’un vous dévore, si quelqu’un s’empare de vous, si quelqu’un est arrogant, si quelqu’un vous frappe au visage, vous le supportez. 21 J’ai honte de le dire, nous avons montré de la faiblesse. Ph 3:4.Cependant, tout ce que peut oser quelqu’un, je parle en insensé, moi aussi, je l’ose! 22 Sont-ils Hébreux? Ac 22:3.Moi aussi. Sont-ils Israélites? Moi aussi. Sont-ils de la postérité d’Abraham? Moi aussi. 23 Sont-ils ministres de Christ? Je parle en homme qui extravague. 1 Co 15:10.Je le suis plus encore: Ac 9:16;21:11.2 Co 6:4.par les travaux, bien plus; par les coups, bien plus; par les emprisonnements, bien plus. Souvent en danger de mort, 24 cinq fois j’ai reçu des Juifs De 25:3.quarante coups moins un, 25 Ac 16:22.trois fois j’ai été battu de verges, Ac 14:19.une fois j’ai été lapidé, Ac 27:9,41.trois fois j’ai fait naufrage, j’ai passé un jour et une nuit dans l’abîme. 26 Fréquemment en voyage, j’ai été en péril sur les fleuves, en péril de la part des brigands, en péril de la part de ceux de ma nation, en péril de la part des païens, en péril dans les villes, en péril dans les déserts, en péril sur la mer, en péril parmi les faux frères. 27 J’ai été dans le travail et dans la peine, exposé à de nombreuses veilles, à la faim et à la soif, à des jeûnes multipliés, au froid et à la nudité. 28 Et, sans parler d’autres choses, je suis assiégé chaque jour par Ac 20:18.les soucis que me donnent toutes les Églises. 29 1 Co 8:13.Qui est faible, que je ne sois faible? Qui vient à tomber, que je ne brûle? 30 S’il faut se glorifier, c’est de ma faiblesse que je me glorifierai! 31 Ro 1:9;9:1.2 Co 1:23.Ga 1:20.Ph 1:8.1 Th 2:5.Dieu, qui est le Père du Seigneur Jésus, et qui est béni éternellement, sait que je ne mens point!… 32 A Damas, le gouverneur Ac 9:24.du roi Arétas faisait garder la ville des Damascéniens, pour se saisir de moi; 33 mais on me descendit par une fenêtre, dans une corbeille, le long de la muraille, et j’échappai de leurs mains.
1 Ik zou graag willen dat jullie accepteren dat ik mij ook eens als een dwaas gedraag. In feite doen jullie dat al. 2 Ik waak namelijk over jullie met een jaloezie die van God komt, want ik heb jullie met één Man verloofd en wil jullie als een maagdelijke bruid naar Christus toe leiden. 3 Ik vrees echter dat, zoals Eva door de sluwheid van de slang werd bedrogen, jullie gedachten zullen worden afgeleid van de oprechte en zuivere toewijding aan Christus. 4 Jullie verdragen het immers maar al te goed wanneer er iemand bij jullie komt die een andere Jezus verkondigt dan de Jezus die wij hebben verkondigd, of een andere geest dan de Geest die jullie hebben ontvangen, of een ander evangelie dan hetgeen jullie hebben aanvaard. 5 Ik beschouw mij in het geheel niet als minderwaardig aan die uitzonderlijke apostelen. 6 Het ontbreekt mij misschien aan opleiding als spreker, maar zeker niet aan kennis, en dat is jullie steeds opnieuw op allerlei manieren duidelijk gemaakt.
7 Heb ik een zonde begaan door me nederig op te stellen en jullie zodoende te verheffen, toen ik Gods evangelie aan jullie verkondigde zonder een vergoeding te vragen? 8 Om jullie van dienst te kunnen zijn, heb ik andere kerkgemeenschappen zogezegd beroofd door geld van hen aan te nemen. 9 En toen ik bij jullie was en geld nodig had, was ik niemand tot last. De christenen die uit Macedonië kwamen, hebben namelijk al mijn noden gelenigd. Ik heb altijd gezorgd dat ik jullie niet tot last zou zijn en ik zal dat blijven doen. 10 Zo zeker als de waarheid van Christus in mij is, niemand in het gebied Achaje kan mij ervan weerhouden hierop fier te zijn. 11 Waarom? Omdat ik niet van jullie houd? God weet dat dit wél het geval is! 12 Ik zal blijven doen wat ik doe, en zo de mensen die zich aan ons willen gelijkstellen in de zaken waarop zij zo fier zijn, de pas afsnijden. 13 Het zijn valse apostelen: zij gaan bedrieglijk te werk door zich als apostelen van Christus voor te doen. 14 Dat is niet verwonderlijk, want zelfs Satan doet zich voor als een stralende engel. 15 Het is dus geen verrassing dat ook zij die in zijn dienst staan zich voordoen als brengers van gerechtigheid. Ze zullen uiteindelijk krijgen wat ze met hun daden hebben verdiend.
16 Ik herhaal, laat niemand denken dat ik dwaas ben. Maar als je dat toch doet, aanvaard mij dan zoals je een dwaas zou aanvaarden, zodat ook ik wat mag pochen. 17 Ik zeg dit niet op gezag van de Heer; ik spreek met het zelfvertrouwen van een dwaas, zodat ik ook kan pochen. 18 Er zijn zoveel mensen die pochen over menselijke prestaties; laat mij ook eens pochen. 19 Jullie zijn immers zo verstandig dat jullie dwaze mensen graag verdragen! 20 In feite verdragen jullie het als iemand jullie als slaaf behandelt, als iemand jullie uitbuit, als iemand misbruik van jullie maakt, als iemand zich boven jullie verheft, als iemand jullie in het gezicht slaat. 21 Tot mijn schande moet ik zeggen dat wij daarvoor te zwak waren. Maar wat iemand ook durft te zeggen – ik spreek als een dwaas – ik durf het ook. 22 Zij zijn Hebreeërs? Ik ook. Zij zijn Israëlieten? Ik ook. Zij zijn afstammelingen van Abraham? Ik ook. 23 Zij staan in dienst van Christus? Nu spreek ik als iemand die niet bij zijn verstand is: ik nog meer. Ik heb meer werk verricht, heb vaker gevangengezeten, heb vaker lijfstraffen ondergaan en ben vaker in doodsgevaar geweest. 24 Vijfmaal heb ik van de Joden de veertig-min-een zweepslagen gekregen. 25 Driemaal ben ik met stokken afgeranseld, eenmaal ben ik met stenen bekogeld, driemaal heb ik schipbreuk geleden, ik heb een nacht en een dag op volle zee doorgebracht. 26 Tijdens mijn vele reizen ben ik in gevaar geweest door overstroming, in gevaar door rovers, in gevaar door mijn volksgenoten, in gevaar door niet-Joden, in gevaar in de stad, in gevaar in afgelegen gebieden, in gevaar op zee en in gevaar door schijnchristenen. 27 Ik heb gewerkt en gezwoegd, veel slapeloze nachten gehad, honger en dorst geleden, vaak niets te eten gehad, kou geleden en niet altijd voldoende kledij gehad. 28 En naast dat alles is er nog de dagelijkse druk van de zorg voor alle kerkgemeenschappen. 29 Als iemand zwak is, zal ik me dan niet ook zwak voelen? Als iemand tot zonde wordt aangezet, zal ik me dan niet opwinden? 30 Als ik moet pochen, zal ik pochen over mijn zwakheid. 31 De God en Vader van de Heer Jezus – Hem komt voor altijd de eer toe – weet dat ik niet lieg. 32 In Damascus liet de gouverneur onder koning Aretas de stadsmuren bewaken om mij te kunnen arresteren. 33 Ik ben aan hem ontsnapt door in een mand via een venster in de stadsmuur te worden neergelaten.