1 2 Co 5:12;10:8.Commençons-nous de nouveau à nous recommander nous-mêmes? Ou avons-nous besoin, comme quelques-uns, de lettres de recommandation auprès de vous, ou de votre part? 2 C’est vous qui êtes notre lettre, écrite dans nos cœurs, connue et lue de tous les hommes. 3 Vous êtes manifestement une lettre de Christ, écrite, par notre ministère, non avec de l’encre, mais avec l’Esprit du Dieu vivant, non Ex 24:12;34:1.sur des tables de pierre, Jé 31:33.Éz 11:19;36:26.Hé 8:10.mais sur des tables de chair, sur les cœurs. 4 Cette assurance-là, nous l’avons par Christ auprès de Dieu. 5 Ce n’est pas à dire que nous soyons par nous-mêmes capables de concevoir quelque chose comme venant de nous-mêmes. Ph 2:13.Notre capacité, au contraire, vient de Dieu. 6 Il nous a aussi rendus capables d’être 2 Co 5:18.ministres Hé 8:6,8.d’une nouvelle alliance, non de la lettre, mais de l’esprit; car la lettre tue, mais l’esprit vivifie.
7 Or, si le ministère de la mort, Ex 24:12;34:1.De 10:2.gravé avec des lettres sur des pierres, a été glorieux, Ex 34:30.au point que les fils d’Israël ne pouvaient fixer les regards sur le visage de Moïse, à cause de la gloire de son visage, bien que cette gloire fût passagère, 8 combien le ministère de l’esprit ne sera-t-il pas plus glorieux! 9 Si le ministère de la condamnation a été glorieux, le ministère de la justice est de beaucoup supérieur en gloire. 10 Et, sous ce rapport, ce qui a été glorieux ne l’a point été, à cause de cette gloire qui lui est supérieure. 11 En effet, si ce qui était passager a été glorieux, ce qui est permanent est bien plus glorieux. 12 Ayant donc cette espérance, nous usons d’une grande liberté, 13 et nous ne faisons pas comme Ex 34:35.Moïse, qui mettait un voile sur son visage, pour que les fils d’Israël ne fixassent pas les regards Ro 10:4.sur la fin de ce qui était passager. 14 És 6:10.Éz 12:2.Mt 13:11.Ac 28:26.Ro 11:8.Mais ils sont devenus durs d’entendement. Car jusqu’à ce jour le même voile demeure quand, ils font la lecture de l’Ancien Testament, et il ne se lève pas, parce que c’est en Christ qu’il disparaît. 15 Jusqu’à ce jour, quand on lit Moïse, un voile est jeté sur leurs cœurs; 16 Mt 13:11.Ro 11:23.1 Co 2:10.mais lorsque les cœurs se convertissent au Seigneur, le voile est ôté. 17 Jn 4:24.Or, le Seigneur c’est l’Esprit; et là où est l’Esprit du Seigneur, là est la liberté. 18 1 Co 13:12.2 Co 5:7.Nous tous qui, le visage découvert, contemplons comme dans un miroir la gloire du Seigneur, nous sommes transformés en la même image, de gloire en gloire, comme par le Seigneur, l’Esprit.
1 Beginnen wij onszelf opnieuw aan te bevelen? Of hebben wij, zoals sommige anderen, aanbevelingsbrieven voor jullie – of van jullie – nodig? 2 Jullie zijn zelf onze brief, geschreven in ons hart, herkenbaar en leesbaar voor alle mensen. 3 Het is duidelijk dat jullie een brief van Christus zijn, door ons opgesteld, niet geschreven met inkt maar met de Geest van de levende God, en niet op stenen schrijftabletten maar op tabletten in mensenharten. 4 Het is dankzij Christus en in vertrouwen op God dat wij tot die overtuiging zijn gekomen. 5 Niet dat wij uit onszelf zo bekwaam zijn dat wij dit als onze eigen prestatie kunnen beschouwen – onze bekwaamheid komt van God. 6 Hij heeft ons de bekwaamheid gegeven om in dienst te staan van een nieuw verbond. Dat is geen verbond van de geschreven wet, maar van de Geest, want hetgeen geschreven is leidt tot de dood, maar de Geest schenkt leven.
7 Hetgeen tot de dood leidt – en dat in steen werd gegraveerd – kwam met zoveel glans, dat de Israëlieten Mozes niet rechtstreeks konden aankijken wegens de schitterende glans van zijn gezicht, hoewel die van voorbijgaande aard was. 8 Zal hetgeen door de Geest wordt geschonken dan niet nog glansrijker zijn? 9 En als dat wat tot veroordeling leidt al glansrijk is, zal hetgeen vrijspraak brengt dan niet nog glansrijker zijn? 10 In vergelijking met hetgeen nog glansrijker is, heeft dat wat glansrijk was, zijn glans verloren. 11 En als dat wat tijdelijk was al met zoveel glans gekomen is, hoeveel meer glans zal dan hetgeen blijft wel niet bevatten? 12 Het is omdat wij leven in de verwachting van die zaken, dat wij zo vrijmoedig spreken. 13 Wij zijn niet als Mozes, die zijn gezicht met een sluier bedekte om te voorkomen dat de Israëlieten het einde zouden zien van wat vervaagde. 14 Hun denken was verstard, want tot op de dag van vandaag is het oude verbond nog altijd versluierd wanneer het wordt voorgelezen. De sluier is niet opgelicht, want het is enkel door Christus dat die kan worden verwijderd. 15 Tot vandaag toe ligt er een sluier over hun hart wanneer uit de boeken van Mozes wordt voorgelezen. 16 Maar wanneer iemand zich tot de Heer wendt, wordt de sluier weggenomen. 17 De Heer is de Geest, en waar de Geest van de Heer is, is vrijheid. 18 Zo zien wij allen de hemelse pracht van de Heer weerspiegeld, maar met een onbedekt gezicht. En zijn hemelse pracht wordt steeds meer in ons zichtbaar, doordat de Geest van de Heer ons omvormt.