Introduction. Ascension de Jésus-Christ. Retour des apôtres à Jérusalem
1 Théophile, j’ai parlé, dans mon premier livre, de tout ce que Jésus a commencé de faire et d’enseigner dès le commencement 2 Mc 16:19.Lu 9:51.1 Ti 3:16.jusqu’au jour où il fut enlevé au ciel, après avoir donné Jn 20:21.ses ordres, par le Saint-Esprit, aux apôtres qu’il avait choisis. 3 Mc 16:14.Jn 20:19;21:1.1 Co 15:5.Après qu’il eut souffert, il leur apparut vivant, et leur en donna plusieurs preuves, se montrant à eux pendant quarante jours, et parlant des choses qui concernent le royaume de Dieu. 4 Lu 24:18,49.Comme il se trouvait avec eux, il leur recommanda de ne pas s’éloigner de Jérusalem, mais d’attendre ce que le Père avait promis,Jn 14:26;15:26;16:7.ce que je vous ai annoncé, leur dit-il;
5 Mt 3:11.Mc 1:8.Lu 3:16.Jn 1:26.Ac 11:16;19:4.car Jean a baptisé d’eau,És 44:3.Joë 2:28.Ac 2:4;11:15.mais vous, dans peu de jours, vous serez baptisés du Saint-Esprit.6 Alors les apôtres réunis lui demandèrent: Mt 24:3.Seigneur, est-ce en ce temps que tu rétabliras le royaume d’Israël? 7 Il leur répondit: Mt 24:36.Ce n’est pas à vous de connaître les temps ou les moments que le Père a fixés de sa propre autorité.
8 Ac 2:4.Mais vous recevrez une puissance, le Saint-Esprit survenant sur vous,És 2:3.Lu 24:48.Jn 15:27.Ac 2:32.et vous serez mes témoins à Jérusalem, dans toute la Judée, dans la Samarie, et jusqu’aux extrémités de la terre.9 Mc 16:19.Lu 24:51.Après avoir dit cela, il fut élevé pendant qu’ils le regardaient, et une nuée le déroba à leurs yeux. 10 Et comme ils avaient les regards fixés vers le ciel pendant qu’il s’en allait, voici, deux hommes Mt 28:3.vêtus de blanc leur apparurent, 11 et dirent: Hommes Galiléens, pourquoi vous arrêtez-vous à regarder au ciel? Ce Jésus, qui a été enlevé au ciel du milieu de vous, Da 7:13.Mt 24:30.Mc 13:26.Lu 21:27.1 Th 1:10.2 Th 1:10.Ap 1:7.reviendra de la même manière que vous l’avez vu allant au ciel.
12 Alors ils retournèrent à Jérusalem, de la montagne appelée des oliviers, qui est près de Jérusalem, à la distance d’un chemin de sabbat. 13 Quand ils furent arrivés, ils montèrent dans la chambre haute où ils se tenaient d’ordinaire; c’étaient Pierre, Jean, Jacques, André, Philippe, Thomas, Barthélemy, Matthieu, Jacques, fils d’Alphée, Simon le Zélote, et Jude, fils de Jacques. 14 Tous d’un commun accord persévéraient dans la prière, avec les femmes, et Marie, mère de Jésus, et avec Mt 13:55.les frères de Jésus.
Matthias élu apôtre en remplacement de Judas
15 En ces jours-là, Pierre se leva au milieu des frères, le nombre des personnes réunies étant d’environ cent vingt. Et il dit: 16 Hommes frères, il fallait que s’accomplît Ps 41:10.Mt 26:23.Jn 13:18.ce que le Saint-Esprit, dans l’Écriture, a annoncé d’avance, par la bouche de David, au sujet de Judas, Mt 26:47.Mc 14:43.Jn 18:3.qui a été le guide de ceux qui ont saisi Jésus. 17 Mt 10:4.Mc 3:19.Lu 6:16.Il était compté parmi nous, et il avait part au même ministère. 18 Cet homme, ayant acquis un champ avec le salaire du crime, 2 S 17:23.Mt 27:5.est tombé, s’est rompu par le milieu du corps, et toutes ses entrailles se sont répandues. 19 La chose a été si connue de tous les habitants de Jérusalem que ce champ a été Mt 27:8.appelé dans leur langue Hakeldama, c’est-à-dire, champ du sang. 20 Or, il est écrit dans le livre des Psaumes:
Ps 69:26.Que sa demeure devienne déserte,
Et que personne ne l’habite!
Et:
Ps 109:8.Qu’un autre prenne sa charge!
21 Ac 6:3.Il faut donc que, parmi ceux qui nous ont accompagnés tout le temps que le Seigneur Jésus a vécu avec nous, 22 depuis le baptême de Jean jusqu’au jour où il a été Ac 1:9.enlevé du milieu de nous, il y en ait un qui nous soit associé comme témoin de sa résurrection. 23 Ac 6:6.Ils en présentèrent deux: Joseph appelé Barsabbas, surnommé Justus, et Matthias. 24 Puis ils firent cette prière: Seigneur, 1 S 16:17.1 Ch 28:9;29:17.Ps 7:10.Jé 11:20;17:10;20:12.Ac 15:8.Ap 2:23.toi qui connais les cœurs de tous, désigne lequel de ces deux tu as choisi, 25 afin qu’il ait part à ce ministère et à cet apostolat, que Judas a abandonné pour aller en son lieu. 26 Ils tirèrent au sort, et le sort tomba sur Matthias, qui fut associé aux onze apôtres.
1 Aan Theofilus. In mijn eerste werk beschreef ik alles wat Jezus heeft gedaan en onderwezen, vanaf het begin 2 tot de dag dat Hij in de hemel werd opgenomen, nadat Hij door de kracht van de Heilige Geest instructies had gegeven aan de apostelen die Hij had gekozen. 3 Na zijn lijden had Jezus de apostelen veertig dagen lang getoond dat Hij leefde, door dikwijls aan hen te verschijnen en hun te vertellen over Gods koninkrijk. 4 Terwijl ze een keer samen de maaltijd gebruikten, gaf Hij hun de opdracht: "Vertrek niet uit Jeruzalem, maar wacht op de vervulling van de belofte van mijn Vader waarover Ik jullie heb verteld. 5 Want Johannes doopte met water, maar jullie zullen over enkele dagen worden gedoopt met de Heilige Geest." 6 Zij die waren samengekomen, vroegen Hem: "Heer, gaat U ongeveer nu het koningschap van Israël herstellen?" 7 Hij antwoordde: "Jullie hoeven de tijden en momenten niet te kennen die de Vader op grond van zijn eigen gezag heeft bepaald. 8 Maar wanneer de Heilige Geest over jullie komt, zullen jullie kracht ontvangen en mijn getuigen worden, zowel in Jeruzalem als in heel Judea en Samaria, zelfs tot in de uithoeken van de aarde." 9 Na dit te zeggen werd Hij voor hun ogen weggenomen naar omhoog, en een wolk nam Hem uit hun zicht. 10 Terwijl Hij bij hen vandaan ging en ze nog naar de hemel tuurden, stonden er opeens twee mannen in witte kleren bij hen. 11 Ze zeiden: "Galileeërs, wat staan jullie naar de hemel te kijken? Deze Jezus, die van bij jullie in de hemel is opgenomen, zal op dezelfde wijze terugkomen als jullie Hem naar de hemel hebben zien gaan."
12 Toen keerden de apostelen naar Jeruzalem terug, vanaf de berg die Olijfberg heet en dicht bij Jeruzalem ligt – op een sabbatsreis verwijderd. 13 Daar aangekomen gingen ze naar de bovenzaal waar ze verbleven. Dit waren Petrus, Johannes, Jakobus en Andreas, Filippus, Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus. 14 Zij waren allen voortdurend en eensgezind aan het bidden, samen met een aantal vrouwen, waaronder Jezus' moeder Maria, en met zijn broers.
15 Het was in die periode dat Petrus te midden van de gelovigen – een groep van ongeveer 120 personen – opstond en zei: 16 "Geloofsgenoten, het Schriftgedeelte moest in vervulling gaan, waarin de Heilige Geest bij monde van David profeteerde over Judas, die de mensen die Jezus arresteerden naar Hem toe geleid heeft. 17 Judas werd als een van ons beschouwd en had een aandeel in onze dienende taak gekregen. 18 Hij kocht een stuk grond met het loon voor het kwaad dat hij had gedaan. Daar viel hij voorover, zijn lichaam scheurde open en zijn ingewanden puilden naar buiten. 19 Dat raakte bekend onder alle inwoners van Jeruzalem. Daarom heet dat stuk grond in hun taal Akeldama, wat ‘bloedgrond’ betekent. 20 Want in het boek Psalmen staat: ‘Laat zijn woonplaats verlaten zijn en laat er niemand wonen’ en ‘Laat een ander zijn positie als verantwoordelijke overnemen’. 21 Daarom moet iemand anders, die de hele tijd bij ons is geweest toen de Heer Jezus onder ons leefde – 22 te beginnen met zijn doop door Johannes tot de dag dat Hij bij ons is weggenomen naar omhoog – samen met ons getuige van zijn verrijzenis zijn." 23 Er werden twee kandidaten voorgesteld: Jozef Barsabbas die ook wel Justus werd genoemd, en Mattias. 24 De gelovigen baden: "Heer, U kent de harten van alle mensen, wilt U aanwijzen wie van deze twee U heeft uitgekozen 25 om de dienende taak als apostel over te nemen van Judas, die deze positie heeft verlaten en nu op de plaats is die hem toekomt." 26 Er werd tussen hen geloot en het lot viel op Mattias. Zo werd hij een apostel, samen met de andere elf.