Paul à Corinthe: rencontre d’Aquilas et de Priscille. Séjour d’un an et demi
1 Après cela, Paul partit d’Athènes, et se rendit à Corinthe. 2 Il y trouva un Juif nommé Ro 16:3.1 Co 16:19.2 Ti 4:19.Aquilas, originaire du Pont, récemment arrivé d’Italie avec sa femme Priscille, parce que Claude avait ordonné à tous les Juifs de sortir de Rome. Il se lia avec eux; 3 et, comme il avait le même métier, il demeura chez eux et Ac 20:34.1 Co 4:12.2 Co 11:9;12:13.1 Th 2:9.2 Th 3:8.y travailla: ils étaient faiseurs de tentes. 4 Paul discourait dans la synagogue chaque sabbat, et il persuadait des Juifs et des Grecs. 5 Mais quand Silas et Timothée furent arrivés Ac 17:15.de la Macédoine, il se donna tout entier à la parole, attestant aux Juifs que Jésus était le Christ. 6 Les Juifs faisant alors de l’opposition et se livrant à des injures, Paul secoua Mt 10:14.Ac 13:51.ses vêtements, et leur dit: Que votre sang retombe sur votre tête! J’en suis pur. Dès maintenant, j’irai vers les païens. 7 Et sortant de là, il entra chez un nommé Justus, homme craignant Dieu, et dont la maison était contiguë à la synagogue. 8 1 Co 1:14.Cependant Crispus, le chef de la synagogue, crut au Seigneur avec toute sa famille. Et plusieurs Corinthiens, qui avaient entendu Paul, crurent aussi, et furent baptisés. 9 Ac 23:11.Le Seigneur dit à Paul en vision pendant la nuit: Ne crains point; mais parle, et ne te tais point,
10 Car je suis avec toi, et personne ne mettra la main sur toi pour te faire du mal: parle, car j’ai un peuple nombreux dans cette ville.11 Il y demeura un an et six mois, enseignant parmi les Corinthiens la parole de Dieu.
12 Du temps que Gallion était proconsul de l’Achaïe, les Juifs se soulevèrent unanimement contre Paul, et le menèrent devant le tribunal, 13 en disant: Cet homme excite les gens à servir Dieu d’une manière contraire à la loi. 14 Paul allait ouvrir la bouche, lorsque Gallion dit aux Juifs: Ac 25:11.S’il s’agissait de quelque injustice ou de quelque méchante action, je vous écouterais comme de raison, ô Juifs; 15 mais, s’il s’agit de discussions sur une parole, sur des noms, et sur votre loi, cela vous regarde: je ne veux pas être juge de ces choses. 16 Et il les renvoya du tribunal. 17 Alors tous, se saisissant de Sosthène, le chef de la synagogue, le battirent devant le tribunal, sans que Gallion s’en mît en peine.
Voyage de Paul à Jérusalem, par Éphèse. Retour à Antioche
18 Paul resta encore assez longtemps à Corinthe. Ensuite il prit congé des frères, et s’embarqua pour la Syrie, avec Priscille et Aquilas, après s’être fait No 6:18.Ac 21:23.raser la tête à Cenchrées, car il avait fait un vœu. 19 Ils arrivèrent à Éphèse, et Paul y laissa ses compagnons. Étant entré dans la synagogue, il s’entretint avec les Juifs, 20 qui le prièrent de prolonger son séjour. 21 Mais il n’y consentit point, et il prit congé d’eux, en disant: Il faut absolument que je célèbre la fête prochaine à Jérusalem. Je reviendrai vers vous, 1 Co 4:19.Hé 6:3.Ja 4:15.si Dieu le veut. Et il partit d’Éphèse. 22 Étant débarqué à Césarée, il monta à Jérusalem, et, après avoir salué l’Église, il descendit à Antioche.
Troisième voyage missionnaire de Paul. Départ d’Antioche pour les provinces d’Asie. Apollos à Éphèse et à Corinthe
23 Lorsqu’il eut passé quelque temps à Antioche, Paul se mit en route, et parcourut successivement la Galatie et la Phrygie, fortifiant tous les disciples. 24 Un Juif nommé 1 Co 1:12.Apollos, originaire d’Alexandrie, homme éloquent et versé dans les Écritures, vint à Éphèse. 25 Il était instruit dans la voie du Seigneur, et, fervent d’esprit, il annonçait et enseignait avec exactitude ce qui concerne Jésus, bien qu’il ne connût que le baptême de Jean. 26 Il se mit à parler librement dans la synagogue. Aquilas et Priscille, l’ayant entendu, le prirent avec eux, et lui exposèrent plus exactement la voie de Dieu. 27 Comme il voulait passer en Achaïe, les frères l’y encouragèrent, et écrivirent aux disciples de le bien recevoir. Quand il fut arrivé, 1 Co 3:6.il se rendit, par la grâce de Dieu, très utile à ceux qui avaient cru; 28 Car il réfutait vivement les Juifs en public, démontrant par les Écritures que Jésus est le Christ.
1 Hierna vertrok Paulus uit Athene naar Korinte. 2 Daar ontmoette hij een Joodse man die Aquila heette en uit Pontus afkomstig was. Hij was onlangs met zijn vrouw Priscilla uit Italië aangekomen, omdat Claudius had bevolen dat alle Joodse mensen uit Rome moesten vertrekken. Paulus ging bij hen op bezoek, 3 en omdat hij hetzelfde beroep had, bleef hij bij hen wonen en werken. Ze waren namelijk tentenmakers van beroep. 4 Elke sabbat debatteerde Paulus in de synagoge en probeerde hij zowel Joden als Grieken te overtuigen. 5 Maar nadat Silas en Timoteüs uit Macedonië waren aangekomen, concentreerde Paulus zich op de verkondiging van het Woord. Hij verklaarde aan de Joodse mensen dat Jezus de Messias is. 6 Toen zij hem echter tegenspraken en bespotten, schudde hij het stof van zijn kleren en zei tegen hen: "Jullie zijn verantwoordelijk voor je eigen ondergang. Ik heb er geen schuld aan. Voortaan ga ik naar de niet-Joden." 7 Hij verliet de synagoge en trok in bij iemand die God vereerde. Die man heette Titius Justus en zijn huis stond naast de synagoge. 8 Crispus, de synagogebestuurder, kwam met zijn hele huishouden tot geloof in de Heer. Ook veel andere Korintiërs die naar Paulus hadden geluisterd, kwamen tot geloof en werden gedoopt. 9 's Nachts zei de Heer in een visioen tegen Paulus: "Wees niet bang, blijf spreken en zwijg niet, 10 want Ik ben bij je en niemand zal je aanvallen of kwaad doen, want er zijn in deze stad veel mensen die bij Mij horen." 11 Paulus bleef een jaar en zes maanden en leerde hun het Woord van God. 12 Maar toen Gallio proconsul van Achaje was geworden, keerden de Joden in Korinte zich gezamenlijk tegen Paulus en brachten hem naar Gallio’s rechterstoel. 13 Ze zeiden: "Deze man haalt de mensen over om God te vereren op een manier die in strijd is met de wet." 14 Net toen Paulus op het punt stond iets te zeggen, zei Gallio tegen de Joden: "Als het hier zou gaan om een misdrijf of een kwaadaardig vergrijp, zou het terecht zijn dat ik jullie aanhoor. 15 Maar omdat deze onenigheid woorden, namen en jullie eigen wetten betreft, moeten jullie zelf maar zien. Over deze dingen wil ik geen rechter zijn." 16 En hij stuurde hen bij de rechterstoel vandaan. 17 Toen vielen ze allemaal Sostenes de synagogebestuurder aan; ze sloegen hem voor de rechterstoel in elkaar. Maar Gallio trok zich er niets van aan.
18 Paulus bleef nog een aantal dagen in Korinte, maar nam toen afscheid van de christenen daar en voer met Priscilla en Aquila naar Syrië. Hij liet echter eerst in Kenchreeën zijn haren knippen, omdat hij een plechtige gelofte had afgelegd. 19 Toen ze in Efeze aankwamen, liet hij Prisca en Aquila achter, maar ging zelf naar de synagoge om met de Joodse mensen te debatteren. 20 Toen die hem vroegen wat langer te blijven, sloeg hij dat af. 21 Maar bij zijn vertrek zei hij: "Als God het wil, kom ik later bij jullie terug." Toen voer hij uit Efeze weg. 22 Hij ging aan land in Caesarea, ging naar Jeruzalem om de kerkgemeenschap daar te begroeten en reisde verder naar Antiochië. 23 Nadat hij daar enige tijd was geweest, vertrok hij om door het gebied van Galatië en door Frygië te trekken en alle volgelingen van Jezus daar te versterken.
24 Intussen kwam er een Joodse man naar Efeze die Apollos heette en uit Alexandrië afkomstig was. Hij was hoogopgeleid en had een grondige kennis van de Schriften. 25 Hij had onderricht ontvangen over de Weg van de Heer en sprak met veel enthousiasme. Wat hij over Jezus leerde was correct, maar hij kende enkel de doop van Johannes. 26 Hij begon vrijmoedig in de synagoge te spreken. Toen Priscilla en Aquila hem hadden horen spreken, namen ze hem apart en legden ze de Weg van God nauwkeuriger aan hem uit. 27 En toen hij naar Achaje wilde doorreizen, bemoedigden zijn medegelovigen hem en schreven ze aan de volgelingen van Jezus daar dat die hem moesten verwelkomen. In Achaje aangekomen, was Apollos een grote steun voor de mensen die door genade tot geloof waren gekomen. 28 Hij weerlegde de Joden namelijk krachtig door publiekelijk aan de hand van de Schriften te bewijzen dat Jezus de Messias is.