Pular para o conteúdo
Publicidade

Gálatas 2

GBV

1 Quatorze ans après, je montai de nouveau Ac 15:2.à Jérusalem avec Barnabas, ayant aussi pris Tite avec moi; 2 et ce fut Ac 19:21.d’après une révélation que j’y montai. Je leur exposai l’Évangile que je prêche parmi les païens, je l’exposai en particulier à ceux qui sont les plus considérés, afin de ne pas courir ou avoir couru en vain. 3 Ac 16:3.1 Co 9:21.Mais Tite, qui était avec moi, et qui était Grec, ne fut pas même contraint de se faire circoncire. 4 Ac 15:24.Et cela, à cause des faux frères qui s’étaient furtivement introduits et glissés parmi nous, pour épier la liberté que nous avons en Jésus-Christ, avec l’intention de nous asservir. 5 Nous ne leur cédâmes pas un instant et nous résistâmes à leurs exigences, afin que la vérité de l’Évangile fût maintenue parmi vous. 6 Ceux qui sont les plus considérés-quels qu’ils aient été jadis, cela ne m’importe pas: De 10:17.2 Ch 19:7.Job 34:19.Ac 10:34.Ro 2:11.Ép 6:9.Col 3:25.1 Pi 1:17.Dieu ne fait point acception de personnes, ceux qui sont les plus considérés ne m’imposèrent rien. 7 Au contraire, voyant que l’Évangile m’avait été confié pour les incirconcis, comme à Pierre pour les circoncis, 8 car celui qui a fait de Pierre l’apôtre des circoncis Ac 9:15;13:2;22:21.Ga 1:16.Ép 3:8.a aussi fait de moi l’apôtre des païens, 9 et ayant reconnu la grâce qui m’avait été accordée, Jacques, Céphas et Jean, qui sont regardés comme des colonnes, me donnèrent, à moi et à Barnabas, la main d’association, afin que nous allassions, nous vers les païens, et eux vers les circoncis. 10 Ils nous recommandèrent seulement de nous souvenir des pauvres, Ac 11:30;24:17.Ro 15:25.1 Co 16:1.2 Co 8:1;9:1.ce que j’ai bien eu soin de faire.

11 Mais lorsque Céphas vint à Antioche, je lui résistai en face, parce qu’il était répréhensible. 12 En effet, avant l’arrivée de quelques personnes envoyées par Jacques, il mangeait avec les païens; et, quand elles furent venues, il s’esquiva et se tint à l’écart, par crainte des circoncis. 13 Avec lui les autres Juifs usèrent aussi de dissimulation, en sorte que Barnabas même fut entraîné par leur hypocrisie. 14 Voyant qu’ils ne marchaient pas droit selon la vérité de l’Évangile, je dis à Céphas, en présence de tous: Ac 10:28.Si toi qui es Juif, tu vis à la manière des païens et non à la manière des Juifs, pourquoi forces-tu les païens à judaïser? 15 Nous, nous sommes Juifs de naissance, et non pécheurs d’entre les païens. 16 Néanmoins, Ac 13:38.Ro 3:28;8:3.Hé 7:18.sachant que ce n’est pas par les œuvres de la loi que l’homme est justifié, mais par la foi en Jésus-Christ, nous aussi nous avons cru en Jésus-Christ, afin d’être justifiés par la foi en Christ et non par les œuvres de la loi, Ro 3:20.Ga 3:11.parce que nulle chair ne sera justifiée par les œuvres de la loi. 17 Mais, tandis que nous cherchons à être justifiés par Christ, si nous étions aussi nous-mêmes trouvés pécheurs, Christ serait-il un ministre du péché? Loin de ! 18 Car, si je rebâtis les choses que j’ai détruites, je me constitue moi-même un transgresseur, 19 Ro 7:4.car c’est par la loi que je suis mort à la loi, Ro 14:7.2 Co 5:15.1 Th 5:10.Hé 9:14.1 Pi 4:2.afin de vivre pour Dieu. 20 J’ai été crucifié avec Christ; et si je vis, ce n’est plus moi qui vis, c’est Christ qui vit en moi; si je vis maintenant dans la chair, je vis dans la foi au Fils de Dieu, Ga 1:4.Ép 5:2.Tit 2:14.qui m’a aimé et qui s’est livré lui-même pour moi. 21 Je ne rejette pas la grâce de Dieu; Hé 7:11.car si la justice s’obtient par la loi, Christ est donc mort en vain.

1 Veertien jaar later ging ik opnieuw naar Jeruzalem. Ik ging samen met Barnabas en nam ook Titus mee. 2 Ik ging op grond van een openbaring, en ik zette het evangelie dat ik aan de niet-Joden verkondig aan de leiders in Jeruzalem uiteen. Dat gebeurde in besloten kring, want ik wilde dat mijn inspanningen toen en nu niet vergeefs zouden zijn. 3 En hoewel Titus, die mij vergezelde, geen Jood is, werd hij niet gedwongen zich te laten besnijden. 4 Er waren echter schijnchristenen bij ons geïnfiltreerd. Zij bespioneerden stiekem de vrijheid die wij in Christus hebben, om ons tot slaaf te maken. 5 Wij hebben geen moment aan hen toegegeven, want we wilden in jullie belang dat het ware evangelie behouden zou blijven. 6 De leiders hun precieze rol maakt voor mij geen verschil, want voor God is de een niet belangrijker dan de ander die leiders hadden er niets aan toe te voegen. 7 Integendeel, ze zagen in dat het evangelie aan mij was toevertrouwd voor de niet-besnedenen, zoals het aan Petrus was toevertrouwd voor de besnedenen. 8 Want Hij die van Petrus een apostel voor de besnedenen heeft gemaakt, maakte van mij een apostel voor de niet-Joden. 9 Jakobus, Kefas en Johannes, die als steunpilaren worden beschouwd, erkenden de genade die mij was geschonken, en ze gaven Barnabas en mij de rechterhand als teken van onze verbondenheid en onze overeenkomst dat wij ons op de niet-Joden zouden richten en zij op de besneden mensen. 10 Het enige wat ze van ons vroegen was dat wij de armen zouden ondersteunen en dat was iets dat ik graag wilde doen.

11 Maar toen Kefas naar Antiochië kwam, heb ik hem openlijk tegengesproken, want het was duidelijk dat hij ongelijk had. 12 Voordat er mensen uit Jakobus' entourage op bezoek kwamen, at Kefas namelijk samen met niet-Joden. Maar toen zij waren gekomen, stopte hij daarmee en at hij apart, omdat hij bang was voor de voorstanders van de besnijdenis. 13 Ook de andere Joden deden mee met die hypocrisie, zodat zelfs Barnabas in hun hypocrisie werd meegesleurd. 14 Toen ik echter zag dat hun gedrag niet overeenkwam met het echte evangelie, zei ik in het bijzijn van iedereen tegen Kefas: "Jij bent een Jood en toch leef je niet als een jood; je houdt je niet aan de joodse rituelen. Hoe kan je dan de niet-joden dwingen om zich aan de joodse rituelen te houden?"

15 Wij die geboren Joden zijn en geen zondaars van de andere volken, 16 weten dat de mens niet rechtvaardig verklaard kan worden door de Wet na te leven, maar wel door in Christus Jezus te geloven. En wij hebben ons vertrouwen in Christus Jezus gesteld zodat we rechtvaardig verklaard worden op grond van ons geloof, en dus niet op grond van de naleving van de Wet. Niemand kan immers rechtvaardig verklaard worden door de Wet na te leven.

17 Als ook wij die proberen om rechtvaardig verklaard te worden door Christus, zondaars blijken te zijn, wil dat dan zeggen dat Christus in dienst staat van de zonde? Absoluut niet! 18 Als ik opnieuw opbouw wat ik had afgebroken, laat ik zien dat ik een overtreder van de Wet ben. 19 De Wet heeft ervoor gezorgd dat ik, wat de Wet betreft, gestorven ben en nu voor God leef. Ik ben samen met Christus gekruisigd, 20 en toch leef ik. Dat wil zeggen: mijn ikleeft niet meer, maar Christus leeft in mij. Het leven dat ik nu in mijn lichaam leid, leid ik in het geloof in de Zoon van God, die zoveel van mij hield dat Hij zichzelf voor mij heeft gegeven. 21 Ik wijs Gods genade dus niet af. Integendeel, als we met God in het reine zouden kunnen komen door middel van de Wet, dan zou Christus nodeloos zijn gestorven.

Veja também