La loi et la foi: la loi est impuissante pour assurer le salut, elle doit conduire à la foi. La foi affranchit de la loi, elle procure la liberté évangélique
1 O Galates, dépourvus de sens! Ga 5:7.qui vous a fascinés, vous, aux yeux de qui Jésus-Christ a été peint comme crucifié? 2 Voici seulement ce que je veux apprendre de vous: Est-ce par les œuvres de la loi que vous avez reçu l’Esprit, ou par la prédication de la foi? 3 Êtes-vous tellement dépourvus de sens? Après avoir commencé par l’Esprit, voulez-vous maintenant finir par la chair? 4 Avez-vous tant souffert en vain? Si toutefois c’est en vain. 5 Celui qui vous accorde l’Esprit, et qui opère des miracles parmi vous, le fait-il donc par les œuvres de la loi, ou par la prédication de la foi? 6 Ge 15:6.Ro 4:3.Ja 2:23.Comme Abraham crut à Dieu, et que cela lui fut imputé à justice, 7 reconnaissez donc que ce sont ceux qui ont la foi qui sont fils d’Abraham. 8 Aussi l’Écriture, prévoyant que Dieu justifierait les païens par la foi, a d’avance annoncé cette bonne nouvelle à Abraham: Ge 12:3;18:18;22:18;26:4;49:10.Ac 3:25.Toutes les nations seront bénies en toi! 9 de sorte que ceux qui croient sont bénis avec Abraham le croyant. 10 Car tous ceux qui s’attachent aux œuvres de la loi sont sous la malédiction; car il est écrit: De 27:26.Maudit est quiconque n’observe pas tout ce qui est écrit dans le livre de la loi, et ne le met pas en pratique. 11 Ro 3:20.Ga 2:16.Et que nul ne soit justifié devant Dieu par la loi, cela est évident, puisqu’il est dit: Ha 2:4.Ro 1:17.Hé 10:38.Le juste vivra par la foi. 12 Or, la loi ne procède pas de la foi; mais elle dit: Lé 18:5.Éz 20:11.Ro 10:5.Celui qui mettra ces choses en pratique vivra par elles. 13 Ro 8:3.2 Co 5:21.Christ nous a rachetés de la malédiction de la loi, étant devenu malédiction pour nous, car il est écrit: De 21:23.Maudit est quiconque est pendu au bois, 14 afin que la bénédiction d’Abraham eût pour les païens son accomplissement en Jésus-Christ, et que nous reçussions par la foi l’Esprit qui avait été promis.
15 Frères (je parle à la manière des hommes), Hé 9:17.une disposition en bonne forme, bien que faite par un homme, n’est annulée par personne, et personne n’y ajoute. 16 Ga 3:8.Or les promesses ont été faites à Abraham et à sa postérité. Il n’est pas dit: et aux postérités, comme s’il s’agissait de plusieurs, mais en tant qu’il s’agit d’une seule: et à ta postérité, c’est-à-dire, à Christ. 17 Voici ce que j’entends: une disposition, que Dieu a confirmée antérieurement, ne peut pas être annulée, et ainsi la promesse rendue vaine, par la loi survenue Ge 15:13.Ex 12:40.Ac 7:6.quatre cent trente ans plus tard. 18 Ro 4:14.Car si l’héritage venait de la loi, il ne viendrait plus de la promesse; or, c’est par la promesse que Dieu a fait à Abraham ce don de sa grâce. 19 Pourquoi donc la loi? Jn 15:22.Ro 4:15;5:20;7:8.Elle a été donnée ensuite à cause des transgressions, jusqu’à ce que vînt la postérité à qui la promesse avait été faite; elle a été promulguée Ac 7:38,53.par des anges, au moyen De 5:5.Jn 1:17.Ac 7:38.d’un médiateur. 20 Or, le médiateur n’est pas médiateur d’un seul, tandis que Dieu est un seul. 21 La loi est-elle donc contre les promesses de Dieu? Loin de là! S’il eût été donné une loi qui pût procurer la vie, la justice viendrait réellement de la loi. 22 Ro 3:9;11:32.Mais l’Écriture a tout renfermé sous le péché, afin que ce qui avait été promis fût donné par la foi en Jésus-Christ à ceux qui croient. 23 Avant que la foi vînt, nous étions enfermés sous la garde de la loi, en vue de la foi qui devait être révélée. 24 Mt 5:17.Ac 13:38.Ro 10:4.Ainsi la loi a été comme un pédagogue pour nous conduire à Christ, afin que nous fussions justifiés par la foi. 25 La foi étant venue, nous ne sommes plus sous ce pédagogue. 26 És 56:5.Jn 1:12.Ro 8:15.Ga 4:5.Car vous êtes tous fils de Dieu par la foi en Jésus-Christ; 27 Ro 6:3.vous tous, qui avez été baptisés en Christ, vous avez revêtu Christ. 28 Il n’y a plus ni Juif ni Grec, il n’y a plus ni esclave ni libre, il n’y a plus ni homme ni femme; Jn 17:21.car tous vous êtes un en Jésus-Christ. 29 Ge 21:12.Ro 9:7.Hé 11:18.Et si vous êtes à Christ, vous êtes donc la postérité d’Abraham, héritiers selon la promesse.
1 Dwaze Galaten, wie heeft jullie betoverd? Er is toch duidelijk aan jullie beschreven hoe Jezus Christus in het openbaar is gekruisigd? 2 Ik wil maar één ding van jullie weten: hebben jullie de Geest ontvangen omdat jullie de Wet naleven, of gebeurde dat omdat jullie geloven wat jullie hebben gehoord? 3 Zijn jullie zo dwaas? Jullie waren begonnen met de Geest, gaan jullie nu eindigen met menselijke inspanningen? 4 Hebben jullie tevergeefs zoveel doorstaan? 5 Dat was toch niet voor niets? Schenkt God jullie vrijgevig de Geest en doet Hij machtige daden bij jullie omdat jullie de Wet naleven of doet Hij dat omdat jullie geloven wat jullie hebben gehoord?
6 Het is als bij Abraham: hij werd door God rechtvaardig verklaard op grond van zijn geloof. 7 En jullie moeten begrijpen dat zij die geloven de ware kinderen van Abraham zijn. 8 De Schriften voorzagen dat God de niet-Joden rechtvaardig zou verklaren op grond van hun geloof, en zij verkondigden vooraf het evangelie aan Abraham. In de Schriften staat immers: "In jou zullen alle volken worden gezegend." 9 Samen met Abraham, die geloofde, zijn zij die geloven dus gezegend.
10 Maar zij die rekenen op het naleven van de Wet leven onder een vloek, want in de Schriften staat: "Wie niet voortdurend alle voorschriften naleeft die in de Wet staan, is vervloekt." 11 Het is duidelijk dat niemand rechtvaardig verklaard wordt op grond van de Wet. Immers: "De rechtvaardige zal het leven ontvangen door middel van het geloof". 12 Bij de Wet komt het niet aan op geloven, maar op "wie zo handelt, zal leven". 13 Christus heeft ons van de vloek van de Wet vrijgekocht door voor ons vervloekt te worden. In de Schriften staat immers: "Ieder die aan een paal hangt, is vervloekt". 14 In Jezus Christus is de zegen van Abraham dus beschikbaar geworden voor de niet-Joden, zodat wij de beloofde Geest ontvangen door ons geloof.
15 Broeders en zusters, ik geef een voorbeeld uit het dagelijks leven. Nadat een menselijk verbond is bekrachtigd, kan het door niemand ongeldig worden verklaard of worden gewijzigd. 16 De beloften zijn gegeven aan Abraham en zijn afstammeling. Er staat niet "afstammelingen" in het meervoud, maar "aan jouw afstammeling". Het gaat dus over Christus. 17 Ik bedoel dit: het verbond dat voorheen door God was bekrachtigd, is niet ongeldig verklaard door de Wet die 430 jaar later kwam. De belofte is dus niet ongeldig geworden. 18 Indien de erfenis wordt gegeven op grond van de Wet, wordt zij niet gegeven op grond van een belofte. God gaf haar echter aan Abraham op grond van een belofte. 19 Waarvoor dient de Wet dan? Die is aan de belofte toegevoegd om duidelijk te maken wat de overtredingen zijn, totdat de Afstammeling zou komen naar wie die belofte verwees. De Wet is gegeven met behulp van engelen en werd toevertrouwd aan een tussenpersoon. 20 Een tussenpersoon is enkel nodig wanneer er meerdere partijen zijn, terwijl God één is. 21 Is de Wet dan in strijd met Gods beloften? Absoluut niet! Als er een wet beschikbaar zou zijn die leven schenkt, dan zou het mogelijk zijn om op grond van die wet met God in het reine te komen. 22 De Schrift leert echter dat de hele wereld in de macht van de zonde is. Daarom wordt het beloofde aan de gelovigen geschonken op grond van hun geloof in Jezus Christus.
23 Voordat dit geloof kwam, werden we door de Wet gevangengehouden en bewaakt totdat het geloof geopenbaard zou worden. 24 De Wet hield dus toezicht op ons totdat Christus kwam en we door het geloof met God in het reine konden komen. 25 Maar nu het geloof is gekomen, staan we niet meer onder dat toezicht.
26 Ieder van jullie is een zoon van God, door het geloof in Christus Jezus. 27 Want ieder die gedoopt is om voortaan christen te zijn, leeft nu met Christus. 28 Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen Jood en niet-Jood, tussen slaaf en vrij mens, tussen mannelijk en vrouwelijk, want jullie zijn allen op dezelfde wijze met Christus Jezus verbonden. 29 En omdat jullie bij Christus horen, zijn jullie afstammelingen van Abraham en erfgenamen van het beloofde.