Ídolos

Doet aan de gehele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.

Efésios 6:11

Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.

1 João 5:21

Zo zult gij heden weten, en in uw hart hervatten, dat de HEERE die God is, boven in den hemel, en onder op de aarde, niemand meer!

Deuteronômio 4:39

En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.

Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt, is schandelijk ook te zeggen.

Efésios 5:11,12

Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.

1 Timóteo 6:10

Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.

Colossenses 3:5

Den HEERE, uw God, zult gij navolgen, en Hem vrezen, en Zijn geboden zult gij houden, en Zijn stem gehoorzaam zijn, en Hem dienen, en Hem aanhangen.

Deuteronômio 13:4

Of weet gij niet, dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beerven?

Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beerven.

1 Coríntios 6:9,10

Ik ben toch de HEERE, uw God, van Egypteland af; daarom zoudt gij geen God kennen dan Mij alleen, want er is geen Heiland dan Ik.

Oséias 13:4

Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des HEEREN, en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de HEERE.

Isaías 54:17

Gij zult nevens Mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.

Êxodo 20:23

Doch zo het kwaad is in uw ogen den HEERE te dienen, kiest u heden, wien gij dienen zult; hetzij de goden, welke uw vaders, die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amorieten, in welker land gij woont; maar aangaande mij, en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen!

Josué 24:15

De prikkel nu des doods is de zonde; en de kracht der zonde is de wet.

1 Coríntios 15:56

Ik bid niet, dat Gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat Gij hen bewaart van den boze.

João 17:15

Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.

Salmos 34:14

Wordt van het kwade niet overwonnen, maar overwint het kwade door het goede.

Romanos 12:21