Publicidade

João 4

MRI2012

1 Jezus kwam te weten dat de farizeeën hadden gehoord dat Hij meer volgelingen maakte en doopte dan Johannes. 2 (Het was echter niet Jezus zelf die doopte, maar zijn leerlingen.) 3 Daarom verliet Hij Judea en reisde Hij terug naar Galilea. 4 Hij moest door Samaria heen, 5 en zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef had nagelaten. 6 Daar bevond zich de Jakobsbron. Vermoeid van de reis ging Jezus bij de bron zitten. Het was ongeveer twaalf uur 's middags. 7 Toen er een vrouw uit Samaria water kwam putten, vroeg Jezus haar: "Wilt u Mij wat te drinken geven?" 8 Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 9 De Samaritaanse vrouw vroeg: "Hoe kan U, een Jood, mij, een Samaritaanse, om drinken vragen?" Joden gaan namelijk niet om met Samaritanen. 10 Jezus antwoordde: "Als je zou weten wat God kan geven en Wie het is die jou om drinken vraagt, dan zou jij Hém om drinken vragen en Hij zou je het water geven dat leven geeft." 11 De vrouw zei: "Meneer, U hebt geen emmer en de put is diep; hoe komt U dan aan dat water dat leven geeft? 12 U bent toch niet machtiger dan onze voorvader Jakob, die ons de bron heeft nagelaten? Hij heeft er zelf van gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee." 13 Jezus antwoordde: "Ieder die van dit water drinkt, zal opnieuw dorst krijgen. 14 Maar wie van het water drinkt dat Ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Integendeel, het water dat Ik geef, zal binnenin hem een bron worden, waaruit water opwelt tot in het eeuwig leven." 15 De vrouw vroeg: "Meneer, geef mij dit water! Dan zal ik geen dorst meer krijgen en hoef ik niet meer hierheen te komen om water te putten." 16 Jezus zei: "Ga je man roepen en kom dan samen terug." 17 De vrouw antwoordde: "Ik heb geen man." Jezus zei tegen haar: "Het klopt wat je zegt; je hebt geen man. 18 Je hebt namelijk vijf mannen gehad, en degene die je nu hebt is je man niet. Wat je hebt gezegd, is waar." 19 De vrouw antwoordde: "Meneer, ik zie dat U een profeet bent. 20 Onze voorvaders hebben God aanbeden op deze berg, maar jullie zeggen dat Jeruzalem de plaats is waar men God behoort te aanbidden." 21 Jezus zei: "Geloof Mij, mevrouw, er komt een tijd dat jullie de Vader noch op deze berg noch in Jeruzalem zullen aanbidden. 22 Jullie aanbidden God zonder Hem te kennen, wij kennen de God die wij aanbidden. De redding komt immers van het Joodse volk. 23 Er komt echter een tijd en het is nu al zover dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden door de kracht van de Geest en in overeenstemming met de waarheid. De Vader wil door dat soort mensen worden aanbeden. 24 God is Geest en wie Hem aanbidt, moet Hem aanbidden door de kracht van de Geest en in overeenstemming met de waarheid." 25 De vrouw zei: "Ik weet dat de Messias komt, Hij die Christus wordt genoemd. Wanneer Hij komt, zal Hij ons alles uitleggen." 26 Jezus zei: "Die persoon ben Ik, je spreekt met Hem."

27 Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Ze waren verbaasd dat Jezus met een vrouw praatte. Maar niemand vroeg: "Waarom doet U dat?", of: "Waarom praat U met haar?" 28 De vrouw liet haar emmer achter, ging naar de stad, en zei tegen de mensen: 29 "Kom kijken, er is Iemand die me alles heeft verteld wat ik heb gedaan. Zou Hij de Messias zijn?" 30 Ze kwamen de stad uit, naar Jezus toe. 31 Intussen drongen Jezus' leerlingen bij Hem aan: "Rabbi, eet toch iets!" 32 Maar Hij zei: "Ik leef van voedsel dat jullie niet kennen." 33 De leerlingen vroegen elkaar: "Niemand heeft Hem toch eten gebracht?" 34 Maar Jezus zei tegen hen: "Mijn voedsel is dat Ik doe wat Hij wil, die Mij heeft gestuurd, en dat Ik het werk voltooi dat Hij Mij heeft gegeven. 35 Zeggen jullie niet: Nog vier maanden en dan komt de oogst? Let op, Ik zeg tegen jullie: als je goed kijkt, zie je dat de velden wit zijn, klaar voor de oogst. 36 De maaier ontvangt reeds loon; hij verzamelt een opbrengst voor het eeuwig leven. Zo komt het dat de zaaier zich samen met de maaier verheugt. 37 Hier is het gezegde De één zaait, de ander maaitvan toepassing. 38 Ik heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor jullie niet hebben gewerkt. Anderen hebben gewerkt, en jullie oogsten de vruchten van hun werk."

39 Door de getuigenis van de vrouw die zei: "Hij heeft me alles verteld wat ik ooit heb gedaan", kwamen veel Samaritanen uit die stad tot geloof in Jezus. 40 Daarom kwamen de Samaritanen Jezus vragen bij hen te blijven. Hij bleef er twee dagen, 41 en door hetgeen Hij vertelde kwamen nog meer mensen tot geloof. 42 Zij zeiden tegen de vrouw: "Wij geloven niet langer omwille van wat jij hebt gezegd; nu we zelf naar Hem hebben geluisterd, beseffen we dat Hij werkelijk de redder van de wereld is."

43 Na die twee dagen vervolgde Jezus zijn reis naar Galilea. 44 Jezus had zelf verklaard dat een profeet in zijn thuisstad geen erkenning krijgt. 45 Maar toen Hij in Galilea aankwam, verwelkomden de Galileeërs Hem. Ze waren namelijk bij het feest in Jeruzalem geweest en hadden gezien wat Hij tijdens het feest had gedaan.

46 Hij kwam opnieuw in Kana in Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. Er was toen in Kapernaüm een koninklijk functionaris, van wie de zoon ernstig ziek was. 47 Toen hij hoorde dat Jezus vanuit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en smeekte hij Hem om zijn zoon, die op sterven lag, te komen genezen. 48 Jezus zei tegen hem: "Willen jullie dan niet geloven tenzij jullie tekenen en wonderen zien?" 49 Maar de koninklijk functionaris antwoordde: "Heer, kom alstublieft mee, voordat mijn kind sterft." 50 Jezus antwoordde: "Ga gerust naar huis, je zoon is gezond." De man geloofde wat Jezus tegen hem had gezegd en vertrok. 51 Hij was nog onderweg, toen zijn dienaren hem tegemoetkwamen met het bericht dat zijn kind gezond was. 52 Hij vroeg wanneer het kind beter was geworden. Ze antwoordden: "Gisteren om één uur 's middags is de koorts verdwenen." 53 De vader besefte dat dit het tijdstip was waarop Jezus had gezegd: "Je zoon is gezond." Hij kwam tot geloof, en ook iedereen die bij hem in huis woonde. 54 Dit was de tweede keer dat Jezus een wonderlijk teken verrichtte nadat Hij vanuit Judea naar Galilea was teruggekomen.

Ko Īhu me te Wahine o Hamaria

1 Ā, ka mōhio te Ariki, kua rongo ngā Parihi, ko ngā ākonga a Īhu i mea ai, i iriiri ai, he tokomaha atu i a Hoani. 2 (He ahakoa ehara i a Īhu nāna i iriiri, āna ākonga ia.) 3 Ka mahue a Hūria i a ia, ā, hoki ana anō ki Karirī.

4 , ko te ara mōna i tika Hamaria. 5 Ā, ka haere ia ki tētahi o Hamaria, ko Haika te ingoa, e pātata ana ki te wāhi i hoatu e Hākopa ki tāna tama, ki a Hōhepa. 6 Kei reira hoki te puna a Hākopa. , kua ngenge a Īhu i te haerenga, heoi noho ana ia ki te taha o te puna, ā, meāke ko te ono o ngā hāora.

7 Ka haere mai tētahi wahine o Hamaria ki te utu wai. Ka mea a Īhu ki a ia, "Hōmai he wai mōku." 8 (Kua riro hoki āna ākonga ki te , ki te hoko kai.)

9 , ko te meatanga a te wahine o Hamaria ki a ia, "He aha koe, he Hūrai koe, ka tono mai ai i te wai i ahau, he wahine nei ahau Hamaria?" (Kāhore hoki e tātata ana ngā Hūrai ki ngā Hamari.)

10 Ka whakahoki a Īhu, ka mea ki a ia, "Me i mātau koe ki te Atua e hōmai ai, ki tēnei hoki e mea nei ki a koe, Hōmai he wai mōku,pēnei kua tono koe ki a ia, ā, kua hoatu e ia te wai ora ki a koe."

11 Ka mea te wahine ki a ia, "E kara, kāhore āu mea hei utu wai, he hōhonu anō te puna. hea tēnā wai ora āu? 12 He nui oti koe i mātou matua, i a Hākopa, i hōmai ai te puna ki a mātou, inu ana ia i konei, rātou ko āna tamariki, me āna kararehe?"

13 Ka whakahoki a Īhu, ka mea ki a ia, "E mate anō i te wai te tangata e inu ana i tēnei wai; 14 tēnā ko te tangata e inu ana i te wai e hoatu e ahau ki a ia, e kore ia e mate i te wai ā ake ake. Engari, te wai e hoatu e ahau ki a ia, hei puna wai tēnā i roto i a ia e pupū ake ana, ā te ora tonu anō."

15 Ka mea te wahine ki a ia, "E kara, hōmai ki ahau tēnei wai, kei mate ahau i te wai, kei haere mai hoki ki konei rawa utu ai."

16 Ka mea a Īhu ki a ia, "Tīkina, karangatia tahu, ka hoki mai ai."

17 Ka whakahoki te wahine, ka mea, "Kāhore āku tahu."

Ka mea a Īhu ki a ia, "He kōrero tika tāu, Kāhore āku tahu; 18 inā hoki kua tokorima āu tahu, ko ia i a koe nei ehara i te tahu nāu. He pono tēnei kōrero āu."

19 Ka mea te wahine ki a ia, "E kara, e kite ana ahau he poropiti koe. 20 I karakia ō mātou mātua i runga i tēnei maunga; ā, e mea ana koutou, Ko Hiruhārama te wāhi e tika ai te karakia."

21 Ka mea a Īhu ki a ia, "E tai, whakapono ki ahau, meāke puta te , e kore ai koutou e karakia ki te Matua i runga i tēnei maunga, e kore anō i Hiruhārama. 22 Kāhore koutou e mōhio ki koutou e karakia nei; e mātau ana mātou ki mātou e karakia nei; ngā Hūrai nei hoki te ora. 23 Otirā, meāke puta te , ā, tēnei anō, e karakia ai ngā kaikarakia pono ki te Matua i runga i te wairua, i te pono; e rapu ana hoki te Matua ki te pērā hei karakia ki a ia. 24 He Wairua te Atua; me karakia hoki ngā kaikarakia ki a ia i runga i te wairua, i te pono."

25 Ka mea te wahine ki a ia, "E mātau ana ahau kei te haere mai te Mīhaia" (e kīia nei ko te Karaiti) "ka tae mai ia, māna ngā mea katoa e kōrero ki a tātou."

26 Ka mea a Īhu ki a ia, "Ko ahau anō ia e kōrero nei ki a koe."

27 , ka puta i reira āna ākonga, ka mīharo ki tāna kōrerotanga ki te wahine; heoi, kīhai tētahi i mea, "He aha tāu e rapu? He aha koe ka kōrero ai ki a ia?"

28 , ka whakarērea e te wahine tāna ipu, ā, haere ana ki te , ka mea ki ngā tāngata, 29 "Haere mai, kia kite i te tangata i kōrerotia mai ai ki ahau ngā mea katoa i mea ai ahau. Ehara rānei tēnei i a te Karaiti?" 30 Ka puta rātou ki waho o te , ā, ka ahu mai ki a ia.

31 I taua takiwā anō ka tohe ngā ākonga ki a ia, ka mea, "E te Kaiwhakaako, e kai ."

32 Otirā, ka mea ia ki a rātou, "He kai anō tāku hei kai māku, kāhore koutou e mātau."

33 , ka mea ngā ākonga tētahi ki tētahi, "I kawea mai rānei e tētahi he kai māna?"

34 Ka mea a Īhu ki a rātou, "Ko tāku kai tēnei, ko te mea i tōku kaitono e pai ai, kia whakaotia hoki tāna mahi. 35 E kore ianei koutou e mea, Kia whā atu ngā marama, ā, ka taea te kotinga?Nanā, ko tāku kupu tēnei ki a koutou, kia ara ake ō koutou kanohi, titiro ki ngā māra; kua noa ake; ko te kotinga tēnei. 36 Ka whiwhi te kaikokoti ki te utu, ka kohia anō hoki e ia ngā hua te ora tonu; kia hari tahi ai te kairui rāua ko te kaikokoti. 37 , konei hoki i pono ai taua , E rui ana tētahi, e kokoti ana tētahi.38 I tonoa koutou e ahau ki te kokoti i te mea kīhai i mahia e koutou. He tangata nāna i mahi, ā, kua uru koutou ki ā rātou mahi."

39 Ā, he tokomaha ngā Hamari o taua i whakapono ki a ia, te a te wahine i mea , "I kōrerotia mai e ia ki ahau ngā mea katoa i mea ai ahau." 40 Ā, ka tae ngā Hamari ki a ia, ka mea kia noho ia ki a rātou; ā, e rua ngā i noho ai ia ki reira. 41 , hira noa ake ngā tāngata i whakapono, he mea hoki tāna kupu.

42 I mea anō ki te wahine, "Ehara i te mea tāu kupu i whakapono ai mātou ināianei; kua rongo nei hoki mātou ake, ā, ka mātau, ko te Karaiti tēnei, ko te Kaiwhakaora o te ao."

Ka Whakaorangia e Īhu te Tama a tētahi Rangatira

43 Ka pahure aua e rua, ka tūria atu e ia i reira, ā, haere ana ki Karirī. 44 Ko Īhu tonu hoki nāna te , kāhore he hōnore o te poropiti i tōna kāinga ake. 45 Heoi, i tōna taenga ki Karirī, ka whakamanuhiritia, ia e ngā tāngata o Karirī, i kite hoki rātou i ngā mea katoa i meatia e ia ki Hiruhārama i te hākari; i haere hoki rātou ki te hākari.

46 Ā, ka tae anō a Īhu ki Kana o Karirī, ki te wāhi i meatia ai e ia te wai hei wāina. , ko tētahi tangata a te kīngi, kei Kaperenauma tāna tama e mate ana. 47 Ā, ka rongo ia kua tae mai a Īhu i Hūria ki Karirī, ka haere ki a ia, ka īnoi ki a ia kia haere ia ki te whakaora i tāna tama; meāke hoki marere.

48 , ko te meatanga a Īhu ki a ia, "Ki te kāhore koutou e kite i ngā tohu, i ngā merekara, e kore rawa koutou e whakapono."

49 Ka mea te tangata a te kīngi ki a ia, "E te Ariki, haere iho i te mea kāhore anō kia mate noa tāku tamaiti."

50 Ka mea a Īhu ki a ia, "Haere; kua ora tāu tama."

, whakapono ana te tangata ki te kupu i kōrerotia e Īhu ki a ia, ā, haere ana. 51 Ā, i a ia e haere ana, ka tūtaki āna pononga ki a ia, ka kōrero, "Kua ora tāu tamaiti."

52 , ka ui ia ki a rātou ki te hāora i mātūtū ake ai ia. Ka mea rātou ki a ia, "Nōnanahi, te whitu o ngā hāora, i mutu ai tōna ."

53 , ka mōhio te pāpā, ko te tino hāora ia i mea ai a Īhu ki a ia, "Kua ora tāu tama"; ā, whakapono ana ia, rātou ko tōna whare katoa.

54 Ko te rua anō tēnei o ngā merekara i meatia e Īhu, i muri i tōna haerenga i Hūria ki Karirī.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-