Publicidade

João 7

MRI2012

1 Later reisde Jezus rond in Galilea. Hij wilde niet in Judea rondreizen, want de Joodse leiders waren van plan Hem te doden. 2 Binnenkort zou het Joodse Loofhuttenfeest plaatsvinden. 3 Daarom zeiden Jezus' broers tegen Hem: "Vertrek toch; ga naar Judea. Dan kunnen je leerlingen de bijzondere dingen zien die Jij doet. 4 Immers, niemand die bekend wil zijn, gaat in het geheim te werk. Als Jij al die bijzondere dingen doet, maak Jezelf dan aan de wereld bekend!" 5 Zelfs zijn broers geloofden namelijk niet in Hem. 6 Jezus antwoordde: "Mijn moment is nog niet gekomen, maar voor jullie is elk tijdstip goed. 7 De wereld kan jullie niet haten, maar ze haat Mij, omdat Ik verklaar dat de dingen die zij doet, slecht zijn. 8 Gaan jullie maar naar het feest. Ik ga niet naar dit feest omdat mijn moment nog niet is gekomen." 9 Nadat Hij dit tegen hen had gezegd, bleef Hij in Galilea. 10 Maar toen zijn broers naar het feest waren vertrokken, ging Hij zelf ook onopvallend en in het geheim. 11 Tijdens het feest zochten de Joodse leiders naar Jezus. Ze vroegen: "Waar is Hij?" 12 Onder de mensen werd veel over Hem gefluisterd. Sommigen zeiden: "Hij is een goed mens". Anderen zeiden: "Welnee, Hij misleidt het volk." 13 Maar uit angst voor de Joodse leiders sprak niemand openlijk over Jezus.

14 Halverwege het feest ging Jezus naar het tempelterrein; daar onderwees Hij. 15 De Joodse leiders verbaasden zich. Ze vroegen: "Hoe weet die Man dat allemaal? Hij heeft geen onderwijs genoten." 16 Jezus reageerde: "Mijn onderwijs komt niet van Mijzelf, maar van Degene die Mij heeft gestuurd. 17 Als iemand ernaar verlangt, te doen wat God wil, zal hij weten of mijn onderwijs van God komt, of dat Ik spreek namens Mijzelf. 18 Wie namens zichzelf spreekt, is uit op eer voor zichzelf, maar wie wil dat degene die hem heeft gestuurd de eer krijgt, is oprecht en heeft geen kwaad in de zin. 19 Heeft Mozes jullie niet de Wet gegeven? Maar niemand van jullie houdt zich aan de Wet. Waarom willen jullie Mij doden?" 20 De menigte antwoordde: "U heeft een demon in U. Wie probeert U te doden?" 21 Jezus antwoordde: "Ik heb één bijzondere daad verricht en jullie verbazen je allemaal. 22 Mozes heeft jullie de besnijdenis gegeven niet dat de besnijdenis van Mozes komt; ze komt van de aartsvaders en daarom besnijden jullie jongetjes ook op de sabbat. 23 Maar als iemand op de sabbat wordt besneden om te vermijden dat de Wet van Mozes wordt overtreden, waarom zijn jullie dan boos dat Ik iemand gezond heb gemaakt op de sabbat? 24 Stop met oordelen op basis van uiterlijkheden, en oordeel op basis van wat rechtvaardig is."

25 Sommige inwoners van Jeruzalem vroegen: "Is dit niet de Man die ze willen doden? 26 Maar kijk, Hij spreekt in het openbaar en ze zeggen er niets van. Zouden de autoriteiten misschien beseffen dat Hij de Messias is? 27 Van deze Man weten we echter waar Hij vandaan komt, terwijl niemand weet waar de Messias vandaan komt." 28 Toen Jezus op het tempelterrein aan het onderwijzen was, riep Hij uit: "Jullie weten wie Ik ben en waar Ik vandaan kom. Maar Ik ben niet namens Mijzelf gekomen. Hij die Mij gestuurd heeft, is de waarheid en jullie kennen Hem niet. 29 Ik ken Hem, omdat Ik bij Hem vandaan kom; Hij heeft Mij gezonden." 30 Toen probeerden ze Hem te arresteren, maar niemand slaagde erin Hem te grijpen, want zijn moment was nog niet gekomen. 31 Toch geloofden veel mensen in Hem. Zij zeiden: "Wanneer de Messias komt, zal Hij toch niet meer wonderlijke tekenen verrichten dan deze Man?"

32 De farizeeën hoorden dat de mensen dit over Jezus fluisterden en de hoofdpriesters en farizeeën stuurden tempelwachters om Hem te arresteren. 33 Toen zei Jezus: "Ik zal nog even bij jullie zijn; dan ga Ik terug naar Degene die Mij heeft gestuurd. 34 Jullie zullen Mij zoeken zonder Mij te vinden en waar Ik dan zal zijn, kunnen jullie niet komen." 35 De Joodse mensen zeiden tegen elkaar: "Waar zou Hij naartoe gaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Hij zal toch niet naar de Joodse diaspora in het buitenland gaan, om de Grieken te onderwijzen? 36 Wat bedoelde Hij toen Hij zei: Jullie zullen Mij zoeken zonder Mij te vinden en waar Ik dan zal zijn, kunnen jullie niet komen?"

37 Op de laatste en belangrijkste dag van het feest ging Jezus voor de menigte staan en riep Hij uit: "Als iemand dorst heeft, laat hij dan bij Mij komen en drinken. 38 Zoals in de Schriften staat over wie in Mij gelooft: uit zijn binnenste zullen rivieren stromen van water dat leven geeft." 39 Hij zei dit over de Geest, die de mensen die in Jezus geloofden, zouden ontvangen. De Geest was er echter nog niet, want Jezus was nog niet naar Gods glorie teruggekeerd. 40 Toen sommige mensen deze woorden hoorden, zeiden ze: "Deze Man is werkelijk de profeet." 41 Anderen zeiden: "Hij is de Messias." Nog anderen zeiden: "De Messias komt toch niet uit Galilea? 42 Zeggen de Schriften niet dat de Messias een van de afstammelingen van David zal zijn en uit Betlehem, de woonplaats van David, zal komen?" 43 Zo ontstond er verdeeldheid onder de mensen over Wie Hij was. 44 Sommigen probeerden Jezus te arresteren, maar niemand slaagde erin Hem te grijpen.

45 Toen gingen de tempelwachters terug naar de hoofdpriesters en farizeeën. Die vroegen hen: "Waarom hebben jullie Hem niet meegebracht?" 46 De tempelwachters antwoordden: "Er heeft nog nooit iemand gesproken zoals Hij." 47 De farizeeën reageerden: "Heeft Hij jullie misschien ook misleid? 48 Geen van de leiders en geen van de farizeeën gelooft toch in Hem? 49 Maar deze massa heeft geen besef van de Wet en zij is vervloekt!" 50 Nikodemus, die eerder bij Jezus was geweest en die een van de farizeeën was, vroeg hen: 51 "Volgens onze wetten mag een mens toch niet worden veroordeeld zonder dat hij eerst wordt verhoord en zonder dat wordt onderzocht wat hij heeft gedaan?" 52 Ze antwoordden: "Kom jij soms ook uit Galilea? Ga het maar na, dan zal je ontdekken dat uit Galilea geen profeet kan komen." 53 Toen ging iedereen naar huis.

Ko Īhu me Ōna Tēina

1 I muri i ēnei mea ka hāereere a Īhu i Karirī; kāhore hoki ia i pai ki te hāereere i Hūria, e rapu ana hoki ngā Hūrai kia whakamatea ia. 2 , kua tata te hākari a ngā Hūrai, te Hākari Whare Wharau. 3 , ka mea ōna tēina ki a ia, "Haere atu i konei, anga atu ki Hūria, kia kite ai hoki āu ākonga i āu mahi e mahi nei koe. 4 E kore hoki tētahi tangata e mea huna i tētahi mea, ki te whai ia kia ara tōna ingoa. Ki te mea koe i ēnei mea, kia kite te ao i a koe." 5 (Ko ōna tēina tonu hoki kīhai i whakapono ki a ia.)

6 , ka mea a Īhu ki a rātou, "Kāhore anō kia taea noatia tōku tāima; ko koutou tāima ia kei ngā katoa. 7 E kore e āhei kia kino te ao ki a koutou; engari ka kino ki ahau, te mea e whakaaturia ana e ahau te kino o āna mahi. 8 Haere koutou ki tēnei hākari; e kore ahau e haere wawe ki tēnei hākari; kāhore hoki tōku tāima kia āta rite noa." 9 Ā, ka mutu tēnei kōrero āna ki a rātou, ka noho tonu ia ki Karirī.

Ko Īhu i te Hākari Wharau

10 Ā, ka riro ōna tēina ki te hākari, ka haere anō hoki ia, ehara i te mea whakakite nui, engari i tū-ā-huna. 11 Heoi, i rapu ngā Hūrai i a ia i te hākari, i mea, "Kei hea ia?"

12 He nui hoki te kōrero kōmuhumuhu mōna i roto i te mano. Ko ētahi i mea, "He tangata pai ia," ko ētahi i mea, "Kāhore, engari e whakapōhēhē ana ia i te iwi." 13 Heoi, kīhai i rahi te kōrero a tētahi tangata mōna, he wehi ki ngā Hūrai.

14 , i waenganui o te hākari, ka haere a Īhu ki roto ki te temepara whakaako ai. 15 Ā, ka mīharo ngā Hūrai, ka mea, "te aha i hua ai te mōhio o tēnei tangata, ehara nei hoki ia i te mea whakaako?"

16 Ka whakahoki a Īhu ki a rātou, ka mea, "Ehara i te mea nāku ake tāku e whakaako nei, engari, tōku kaitono mai. 17 Ki te pai tētahi tangata ki te mea i tāna e pai ai, e mātau ia ki te whakaakoranga, te Atua rānei, he kōrero nāku ake rānei. 18 Ko te tangata nāna ake tāna kōrero, e whai ana ia i tōna ake korōria; tēnā ki te whai tētahi i te korōria o tōna kaitono, e pono ana ia, ā, kāhore ōna . 19 He teka ianei Mohi te ture i hoatu ki a koutou, ā, kāhore e whakaritea te ture e tētahi o koutou? He aha koutou ka whai nei kia whakamatea ahau?"

20 , ka whakahoki te mano ka mea, "He rēwera tōu! Ko wai te whai ana kia whakamatea koe?"

21 Ka whakahoki a Īhu, ka mea ki a rātou, "Kotahi āku mahi i mahi ai, ā, e mīharotia ana e koutou katoa. 22 I hōmai e Mohi te kotinga ki a koutou (ehara anō ia i te mea Mohi ake, engari ngā tūpuna), e kokoti ana hoki koutou i te tangata i te hāpati. 23 Ki te kotia te tangata i te hāpati, kei takahia te ture a Mohi; e riri ana oti koutou ki ahau, mōku i whakaora rawa i te tangata i te hāpati? 24 Kaua e waiho te whakawā i runga i te kanohi, engari kia tika koutou whakawā."

Ko Ia te Karaiti?

25 Me i reira ka mea ētahi o ngā tāngata o Hiruhārama, "Ehara oti tēnei i a ia e whāia nei e rātou kia whakamatea? 26 , māia tonu tāna kōrero, ā, kāhore ā rātou kupu ki a ia. E tino mātau ana rānei ngā rangatira, ko te Karaiti tēnei? 27 Otiia, e mātau ana tātou ki te wāhi i puta mai ai tēnei; tēnā ka tae mai a te Karaiti, kāhore he tangata e mātau ki te wāhi e puta mai ai ia."

28 , ka karanga a Īhu i te temepara i a ia e whakaako ana, ka mea, "E mātau ana koutou ki ahau, e mātau ana anō ki te wāhi i haere mai ai ahau. Ehara i ahau ake tāku haere mai, engari, e pono ana te kaitono mai i ahau; kāhore nei koutou i mātau ki a ia. 29 E mātau ana ahau ki a ia; i puta mai hoki ahau i a ia, nāna anō ahau i tono mai."

30 Ā, i whai rātou kia hopukia ia; otiia, kīhai i te ringa o tētahi ki a ia, kāhore hoki tōna hāora i taka noa. 31 Ā, he tokomaha o te mano whakapono ki a ia, i mea, "Ka tae mai a te Karaiti, tērā rānei e maha atu āna merekara e mea ai i a tēnei e mea nei?"

Ka Tonoa atu ngā Kaitiaki kia Hopu i a Īhu

32 I rongo ngā Parihi i te mano e kōrerorero ana i ēnei mea mōna; , ka tonoa mai e ngā Parihi rātou ko ngā tohunga nui he kātipa ki te hopu i a ia.

33 , ka mea a Īhu ki a rātou, "He iti noa ake te wāhi e noho ai ahau ki a koutou, kātahi ahau ka haere ki tōku kaitono mai. 34 Tērā koutou e rapu i ahau, heoi, e kore koutou e kite; e kore hoki koutou e āhei te haere ake ki te wāhi e noho ai ahau."

35 , ka mea ngā Hūrai ki a rātou anō, "E haere oti te tangata nei ki hea, e kore ai e kitea e tātou? E haere oti ia ki ngā manene i roto i ngā Kariki, ako ai i ngā Kariki? 36 He aha tēnei e nei ia, Tērā koutou e rapu i ahau, ā, e kore e kite. E kore hoki koutou e āhei te haere ake ki te wāhi e noho ai ahau?"

Ngā Awa o te Wai Ora

37 I te whakamutunga, i te nui o te hākari, ka a Īhu, ka karanga, ka mea, "Ki te matewai tētahi, haere mai ia ki ahau, kia inu. 38 Ki te whakapono tētahi ki ahau, ka rite ki te karaipiture, ka rere mai ngā wai ora i roto i tōna kōpū." 39 I kōrerotia tēnei e ia te Wairua, meāke nei riro i te hunga e whakapono ana ki a ia; kāhore anō hoki te Wairua Tapu kia hōmai noa; te mea kīanō a Īhu i whakakorōriatia noatia.

He Wehenga i Waenganui i ngā Tāngata

40 Ko ētahi o te mano i rātou rongonga i tēnei kupu, i mea, "He pono ko te Poropiti tēnei."

41 Ka mea ētahi, "Ko te Karaiti tēnei."

Ko ētahi i mea, "E puta mai rānei a te Karaiti i Karirī? 42 Kāhore koia te karaipiture i mea, e puta mai a te Karaiti i te uri o Rāwiri, i Pēterehema, i te kāinga i noho ai a Rāwiri?" 43 , ka waiho ia hei take wehewehenga te mano. 44 Ko ētahi o rātou i mea kia hopukia ia; otirā, kīhai i ngā ringa o tētahi ki a ia.

Te Whakapono kore o ngā Rangatira Hūrai

45 , ko te taenga atu o ngā kātipa ki ngā tohunga nui rātou ko ngā Parihi; ka mea atu ēnei ki a rātou, "He aha ia kawea mai ai e koutou?"

46 Ka whakahokia e ngā kātipa, "Kāhore rawa he tangata i rite āna kōrero ki a tēnei."

47 , ka whakahokia rātou e ngā Parihi, "Kua tinihangatia anō hoki koutou? 48 Kua whakapono koia tētahi o ngā rangatira, o ngā Parihi rānei ki a ia? 49 Ko tēnei hunga ia e kore nei e mātau ki te ture, ka oti rātou te kanga."

50 Ka mea a Nikorima ki a rātou, tērā i haere mai ki a ia i mua, ko ia hoki tētahi o rātou, 51 "Ka whakahēngia rānei te tangata e tātou ture, i te mea kāhore anō i whakarongo noa ki a ia, i mātau hoki ki tāna mahi?"

52 , ka whakahoki rātou, ka mea ki a ia, "Ko koe hoki tētahi Karirī? Tēnā rapua, ka kite koe, kāhore kia ara noa tētahi poropiti i Karirī."

53 , hoki ana rātou ki tōna whare, ki tōna whare.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-