Publicidade

João 19

MRI2012

1 Toen liet Pilatus Jezus wegleiden en geselen. 2 De soldaten vlochten een kroon van doorntakken en zetten die op zijn hoofd. Ook trokken ze Hem een paarse mantel aan. 3 Keer op keer stapten ze naar Hem toe, zeiden dan: "gegroet, koning van de Joden", en sloegen Hem in het gezicht. 4 Pilatus kwam nogmaals naar buiten en zei: "Kijk, ik breng Hem naar buiten. Zo weten jullie dat ik niets heb gevonden waarvoor Hij veroordeeld zou moeten worden." 5 Toen kwam Jezus naar buiten; Hij droeg de kroon van doorntakken en de paarse mantel. Pilatus zei: "Kijk naar die Mens." 6 Zodra de hoofdpriesters en tempelwachters Jezus zagen, riepen ze: "Kruisig Hem, kruisig Hem!" Pilatus zei: "Neem Hem mee en kruisig Hem zelf. Ik heb niets gevonden waarvoor Hij veroordeeld zou moeten worden." 7 De Joodse leiders antwoordden: "Maar wij hebben een Wet die stipuleert dat Hij moet sterven omdat Hij beweert dat Hij de Zoon van God is." 8 Toen Pilatus die woorden hoorde, schrok hij hevig. 9 Hij ging het paleis weer binnen en vroeg Jezus: "Waar komt U vandaan?" Maar Jezus gaf geen antwoord. 10 Toen zei Pilatus: "Zegt U niets tegen mij? Weet U niet dat ik het gezag heb om U vrij te laten, maar ook het gezag om U te laten kruisigen?" 11 Jezus antwoordde: "U zou geen enkel gezag over Mij hebben als het u niet van boven zou zijn geschonken. Daarom draagt degene die Mij aan u heeft uitgeleverd meer schuld dan u." 12 Pilatus probeerde nogmaals Jezus vrij te laten, maar de Joodse mensen schreeuwden: "Als u die Man vrijlaat, bent u geen vriend van de keizer. Want ieder die zichzelf tot koning uitroept, is een tegenstander van de keizer." 13 Toen Pilatus die woorden hoorde, liet hij Jezus naar buiten leiden en ging hij op de rechterstoel zitten, op een plaats die het Mozaïekterras genoemd wordt, of Gabbata in het Aramees. 14 Het was Voorbereidingsdag, de dag voor Pesach. Het was ongeveer twaalf uur. Pilatus zei tegen de Joodse mensen: "Dit is jullie koning." 15 Maar ze schreeuwden: "Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!" Pilatus vroeg hun: "Moet ik jullie koning dan laten kruisigen?" De hoofdpriesters antwoordden: "De enige koning die wij hebben is de keizer!" 16 Toen droeg Pilatus Jezus aan hen over om te worden gekruisigd en zij leidden Hem weg.

17 Jezus droeg zelf zijn kruis toen Hij de stad verliet, naar de zogeheten Schedelplaats, die in het Aramees Golgota wordt genoemd. 18 Daar werd Hij gekruisigd, samen met twee anderen, één aan elke kant met Jezus in het midden. 19 Pilatus had een bordje laten maken dat op het kruis werd aangebracht; er stond op: "Jezus van Nazaret, de koning van de Joden." 20 Het was geschreven in het Aramees, het Latijn en het Grieks. Omdat de plaats waar Jezus werd gekruisigd dicht bij de stad lag, werd dit opschrift door veel van de Joodse mensen gelezen. 21 De Joodse hoofdpriesters protesteerden bij Pilatus: "Er moet niet staan: de koning van de Joden, maar: Hij beweerde: Ik ben de koning van de Joden." 22 Pilatus antwoordde: "Wat ik heb laten schrijven, blijft er staan."

23 Nadat ze Jezus hadden gekruisigd, namen de soldaten zijn kledij in beslag. De bovenkledij werd in vieren gedeeld en elke soldaat kreeg een deel. Maar zijn onderkleed was naadloos, in een stuk van boven naar onder geweven. 24 Daarom zeiden ze tegen elkaar: "Laten we het niet in stukken scheuren, maar onder elkaar verloten." Zo ging in vervulling wat in de Schriften staat: "Mijn kleren hebben ze onder elkaar verdeeld en mijn kledij hebben ze verloot." Dat was precies wat de soldaten deden.

25 Dicht bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder, de zuster van zijn moeder, Maria de vrouw van Klopas, en Maria van Magdala. 26 Toen Jezus zijn moeder zag staan, en naast haar de leerling van wie Hij veel hield, zei Hij tegen zijn moeder: "Kijk, hij is je zoon." 27 Daarna zei Hij tegen die leerling: "Kijk, zij is je moeder." Toen nam de leerling haar bij zich in huis.

28 Daarna zei Jezus, omdat Hij wist dat Hij zijn werk had voltooid: "Ik heb dorst." Hij zei dit opdat de Schriften in vervulling zouden gaan. 29 Er stond daar een vat met zure wijn. Iemand doopte een spons in die zure wijn, stak de spons op een hyssopstengel en bracht die omhoog naar Jezus' lippen. 30 Nadat Jezus er wat van had gedronken, zei Hij: "Het is voltooid." Toen boog Hij zijn hoofd en stierf Hij.

31 Omdat het Voorbereidingsdag was en de Joodse mensen niet wilden dat de lichamen tijdens de sabbat en dan nog wel een bijzondere sabbat aan het kruis zouden blijven hangen, verzochten ze Pilatus dat de benen van de gekruisigden gebroken zouden worden en de lichamen verwijderd. 32 Toen kwamen de soldaten de benen breken van de ene en van de andere man die samen met Jezus waren gekruisigd. 33 Maar toen ze bij Jezus kwamen, zagen ze dat Hij reeds was gestorven en braken ze zijn benen niet. 34 Wel stak een van de soldaten met een speer in zijn zij. Er kwam meteen bloed en water uit. 35 Dit is de getuigenis van iemand die het zelf heeft gezien en zijn getuigenis is betrouwbaar. Hij weet dat hij de waarheid spreekt en hij doet dat opdat ook jullie het geloven. 36 Dit is gebeurd als vervulling van hetgeen in de Schriften staat: "Geen van zijn beenderen zal worden verbrijzeld." 37 En op een andere plaats in de Schriften staat: "Ze zullen naar Hem kijken die ze hadden doorstoken."

38 Daarna verzocht Jozef van Arimatea hij was een leerling van Jezus, maar in het geheim, omdat hij bang was voor de Joodse leiders Pilatus om toelating om Jezus' lichaam op te halen. Pilatus liet het toe en dus kwam Jozef Jezus' lichaam ophalen. 39 Ook kwam Nikodemus de man die ooit 's nachts bij Jezus was gekomen een mengsel van mirre en aloë brengen, dat ongeveer dertig kilo woog. 40 Ze wikkelden Jezus' lichaam met de balsem in linnen doeken, zoals gebruikelijk is bij een Joodse begrafenis. 41 Vlak bij de plaats waar Jezus was gekruisigd, bevond zich een tuin met daarin een nieuw graf, waarin nog niemand was bijgezet. 42 Omdat het voor de Joodse mensen Voorbereidingsdag was en het graf dichtbij was, legden ze Jezus daarin.

1 Kātahi, ka mau a Pirato ki a Īhu, ka whiu i a ia. 2 Ā, ka whiria e ngā hōia he karauna tātarāmoa, pōtaea ana ki tōna mātenga, whakakākahuria ana hoki ia ki te kahu pāpura. 3 , ka mea rātou, "Tēnā koe, e te Kīngi o ngā Hūrai!" Ā, pākia ana ia ki ō rātou ringa.

4 Ka haere anō a Pirato, ka mea ki a rātou, "tēnei te ārahina atu nei ia e ahau ki a koutou, kia mōhio ai koutou, kāhore rawa i mau i ahau tētahi ōna." 5 , ka puta a Īhu ki waho, me te karauna tātarāmoa i runga i a ia, me te kākahu pāpura. Ka mea a Pirato ki a rātou, ", te tangata nei!"

6 Ā, te kitenga o ngā tohunga nui rātou ko ngā kātipa i a ia, ka karanga rātou, ka mea, "Rīpekatia, rīpekatia."

Ka a Pirato ki a rātou, "Tangohia atu ia e koutou, rīpekatia; kāhore hoki i mau i ahau tētahi ōna."

7 Ka whakahokia e ngā Hūrai ki a ia, "He ture mātou, ā, ki mātou ture he mea tika kia mate ia, mōna i mea ko te Tama ia a te Atua."

8 te rongonga o Pirato i tēnei , nui rawa tōna wehi; 9 ka tomo anō ia ki te whare whakawā, ka mea ki a Īhu, "hea koe?"

Heoi, kāhore a Īhu kupu whakahoki ki a ia. 10 , ka mea a Pirato ki a ia, "E kore koe e kōrero ki ahau? Kāhore koe e mōhio kei ahau te tikanga te rīpeka i a koe, kei ahau anō te tikanga te tuku i a koe kia haere?"

11 Ka whakahokia e Īhu, "Kāhore āu tikanga ki ahau, me kāhore i hōmai ki a koe i runga. Koia i nui rawa ai te hara o te kaituku i ahau ki a koe."

12 , i reira anō ka whai a Pirato kia tukua ia kia haere; otiia, ka karanga ngā Hūrai, ka mea, "Ki te tukua tēnei e koe, ehara koe i te hoa Hīhā. Ki te whakakīngi tētahi tangata i a ia, he whakakāhore tāna i a Hīhā."

13 Ā, ka rongo a Pirato i tēnei kōrero, ka ārahina e ia a Īhu ki waho, ā, noho ana ki runga ki te nohoanga whakawā, ki te wāhi e kīia nei ko te Whāriki Kōhatu, ki te reo Hiperu, ko Kapata. 14 Ko te takanga ia o te Kapenga, i tata ki te ono o ngā hāora.

Ka mea ia ki ngā Hūrai, ", koutou Kīngi!"

15 , ko rātou karangatanga, "Whakamatea, whakamatea, rīpekatia!"

Ka mea a Pirato ki a rātou, "Kia rīpeka koia ahau i koutou Kīngi?"

Ka whakahokia e ngā tohunga nui, "Kāhore ō mātou kīngi, ko Hīhā anake."

16 reira, ka hoatu ia e ia ki a rātou kia rīpekatia.

Ka Rīpekatia a Īhu

Ā, ka mau rātou ki a Īhu. 17 Ā, amo ana ia i tōna rīpeka, haere ana ki te wāhi e kīia nei ko te wāhi o te angaanga, tōna ingoa ki te reo Hiperu, ko "Korokota." 18 , rīpekatia ana ia e rātou ki reira, ā, ia me ētahi atu tokorua, kotahi ki tētahi taha, kotahi ki tētahi taha, ko Īhu ki waenganui.

19 , tuhituhia ana e Pirato tētahi ingoa, whakapiritia ana ki te rīpeka. Ko te tuhituhi tēnei, "Ko Īhu o Nahareta ko te Kīngi o ngā Hūrai." 20 Ā, he tokomaha ngā Hūrai i kite i tēnei ingoa; i tata hoki ki te te wāhi i rīpekatia ai a Īhu; ā, i tuhituhia taua mea ki te reo Hiperu, ki te reo Kariki, ki te reo Rōma. 21 , ka mea ngā tohunga nui o ngā Hūrai ki a Pirato, "Aua e tuhituhia, Ko te Kīngi o ngā Hūrai,engari, Nāna i mea, Ko te Kīngi ahau o ngā Hūrai."

22 Ka whakahokia e Pirato, "Ko tāku i tuhituhi ai kua tuhituhia."

23 Ā, ka oti a Īhu te rīpeka e ngā hōia, ka mau rātou ki ōna kākahu, wehea ake kia whā ngā wāhi, ki ia hōia he wāhi; me te koti anō. , kāhore he tui o te koti, he mea whatu iho i runga ā puta noa.

24 , ka mea rātou tētahi ki tētahi, "Kaua e haea e tātou, engari, me maka ki te rota kia kitea ai, wai rānei." , ka rite te karaipiture e mea nei:

"I wehewehea ōku kākahu rātou,

i maka rota hoki tōku weruweru."

Ko ngā hōia tēnei i mea ai.

25 , i te taha o te rīpeka o Īhu tōna whaea e ana, rātou ko te teina o tōna whaea, ko Meri wahine a Kereopa, ko Meri Makarini. 26 Ā, te kitenga o Īhu i tōna whaea, i te ākonga hoki i aroha ai ia e tahi ana, ka mea ia ki tōna whaea, "E tai, nanā, tāu tama!" 27 Kātahi, ia ka mea ki taua ākonga, ", tōu whaea!" Ā, taua hāora ka mau taua ākonga i a ia ki tōna whare.

Te Matenga o Īhu

28 Muri iho i tēnei ka mōhio a Īhu ka oti ngā mea katoa, , ka mea ia, hei whakaritenga te karaipiture, "He matewai tōku."

29 , tērā e tētahi oko, tonu i te winika; ā, ka whakakīia e rātou tētahi hautai ki te winika, whakanohoia ana ki runga ki te hihopa, hoatu ana ki tōna māngai. 30 Ā, te inumanga o Īhu i te winika, ka mea ia, "Kua oti."

, ka tuohu tōna mātenga, tukua ana tōna wairua.

Ka Werohia te Kaokao o Īhu

31 , i mea ngā Hūrai kia kaua e mau ngā tinana ki te rīpeka i te hāpati, ko te Takanga hoki tērā, he nui hoki taua hāpati, ka mea rātou ki a Pirato kia whatia ō rātou waewae, kia tangohia atu hoki. 32 , ka haere ngā hōia, ka whawhati i ngā waewae o mua, me o tērā i rīpekatia ngātahitia me ia. 33 I rātou taenga ia ki a Īhu, ka kite kua mate noa ake ia, kīhai i whatia e rātou ōna waewae. 34 Engari, i werohia tōna kaokao e tētahi o ngā hōia ki te mātia, ā, puta tonu he toto, he wai. 35 Ā, ko te tangata i kite, ko ia anō te kaiwhakaatu, ā, he pono tāna whakaatu; e mōhio ana ia he kōrero pono tāna, he mea kia whakapono ai koutou. 36 I meatia hoki ēnei mea, kia rite ai te karaipiture, "E kore tētahi iwi ōna e whatia." 37 E mea ana anō tētahi atu karaipiture, "Ka titiro rātou ki rātou i wero ai."

Te Tanumanga o Īhu

38 Muri iho i ēnei mea, ka īnoi a Hōhepa o Arimatia ki a Pirato kia tangohia e ia te tinana o Īhu. (He ākonga ia Īhu, otiia, he mea huna i te wehi ki ngā Hūrai.) Ā, whakaae ana a Pirato. , ka haere ia, ka tango i te tinana o Īhu. 39 I haere mai anō a Nikorima, tērā i haere i mua ki a Īhu i te , me te mau mai anō i te maira, i te aroe, he mea whakananu, kia kotahi pea rau pāuna. 40 , ka tango rāua i te tinana o Īhu, takaia ana ki ngā kākahu rīnena me ngā mea kakara, ko ngā Hūrai ritenga hoki tērā te tanu. 41 , he kāri kei te wāhi i rīpekatia ai ia; i roto anō i taua kāri tētahi urupā hou, he mea kāhore anō i takotoria noatia e tētahi. 42 , ka whakatakotoria a Īhu e rāua ki reira, te mea he Takanga tērā ngā Hūrai; he tata hoki te urupā.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-