Publicidade

Lucas 11

MRI2012

1 Op een dag was Jezus ergens aan het bidden. Toen Hij klaar was, vroeg een van zijn leerlingen Hem: "Heer, leer ons bidden, zoals Johannes dat aan zijn leerlingen heeft geleerd." 2 Jezus zei tegen hen: "Wanneer jullie bidden, zeg dan:

Vader, laat de heiligheid van uw naam worden geëerd.

Laat uw koninkrijk komen.

3 Geef ons elke dag voldoende eten.

4 Vergeef ons onze zonden,

want wij vergeven ieder die zich tegenover ons heeft schuldig gemaakt.

En laat niet toe dat we in verzoeking komen."

5 Jezus zei tegen hen: "Stel dat een van jullie een vriend heeft naar wie je midden in de nacht toe gaat en zegt: Vriend, wil je mij drie broden geven, 6 want een kennis van mij die op reis is, is bij mij gekomen en ik heb niets om hem voor te zetten.7 En stel dat die vriend vanuit zijn huis roept: Val me niet lastig, want de deur is al op slot en mijn kinderen en ik liggen al in bed. Ik kan niet opstaan om je iets te geven!8 Ik zeg jullie: zelfs als die vriend niet voor je opstaat en het aan je geeft omdat je zijn vriend bent, zal hij toch opstaan en je zoveel geven als je nodig hebt, omdat je aanhoudt. 9 Daarom zeg Ik jullie: vraag en het zal je gegeven worden, zoek en je zal vinden, klop en er zal voor je worden opengedaan. 10 Want ieder die vraagt, zal ontvangen, en wie zoekt, zal vinden, en voor wie klopt, zal worden opengedaan. 11 Wie van jullie die vader is, zal als zijn zoon om een vis vraagt, hem een slang geven in plaats van een vis? 12 Of als hij om een ei vraagt, geeft hij hem dan een schorpioen? 13 Dus als jullie, die slecht zijn, goede geschenken weten te geven aan je kinderen, is het toch veel zekerder dat jullie Vader vanuit de hemel de Heilige Geest zal geven aan wie het Hem vraagt?"

14 Jezus dreef eens een demon uit die niet kon spreken. Toen de demon was weggegaan, begon die persoon te spreken. De mensen stonden versteld, 15 maar sommigen zeiden: "Het is Beëlzebul, de heerser over de demonen, die Hem in staat stelt de demonen uit te drijven." 16 Anderen stelden Jezus op de proef door Hem te vragen om een teken uit de hemel. 17 Jezus wist echter wat er in hen omging en zei tegen hen: "Ieder koninkrijk dat innerlijk verdeeld is, gaat te gronde, en verdeelde families komen ten val. 18 Als Satan innerlijk verdeeld is, hoe zal zijn koninkrijk dan standhouden? Jullie zeggen dat Ik de demonen uitdrijf doordat Beëlzebul Mij daartoe in staat stelt. 19 Maar als Ik de demonen uitdrijf doordat Beëlzebul Mij daartoe in staat stelt, wie stelt jullie aanhangers dan in staat om demonen uit te drijven? Die aanhangers zijn het bewijs dat jullie ongelijk hebben. 20 Maar als Ik demonen uitdrijf doordat God Mij daartoe in staat stelt, dan blijkt daaruit dat Gods koninkrijk bij jullie is gekomen. 21 Wanneer een goed bewapende, sterke man zijn paleis bewaakt, zijn zijn bezittingen veilig. 22 Maar wanneer er iemand komt die sterker is en hem verslaat, neemt de winnaar hem de wapenrusting af waarop hij had vertrouwd, en verdeelt hij de buit. 23 Wie niet voor Mij is, is tegen Mij, en wie niet met Mij bijeenbrengt, drijft uiteen. 24 Wanneer een onreine geest uit een mens is gekomen, trekt hij door dorre plaatsen op zoek naar een rustplaats, zonder die te vinden. Dan zegt hij: Ik ga terug naar het huis waar ik vandaan kom.25 En wanneer hij aankomt, treft hij het huis geveegd en opgeruimd aan. 26 Dan gaat hij weg om zeven andere geesten op te halen die nog slechter zijn dan hijzelf, en ze nemen er hun intrek. Dan is die persoon er slechter aan toe dan eerst."

27 Terwijl Jezus deze dingen zei, riep een vrouw vanuit de menigte: "Gezegend zijn de moederschoot waaruit U bent geboren en de borsten waarvan U heeft gedronken!" 28 Maar Jezus zei: "Het zijn veeleer de mensen die Gods boodschap horen en zich eraan houden, die gezegend zijn."

29 Toen er nog meer mensen om Jezus heen kwamen staan, sprak Hij hen toe. Hij zei: "Jullie soort mensen is slecht. Jullie soort vraagt om een teken, maar het enige teken dat jullie zal worden gegeven is het teken van Jona. 30 Want zoals Jona een teken werd voor de mensen van Nineve, zo zal de Mensenzoon een teken zijn voor jullie soort. 31 Bij het Oordeel zal tegelijk met jullie soort de koningin van het zuiden verrijzen en zij zal jullie veroordelen, want zij kwam van een van de uithoeken van de aarde naar Salomo’s wijsheid luisteren en hier is Iemand die groter is dan Salomo. 32 Bij het Oordeel zullen tegelijk met jullie soort de inwoners van Nineve verrijzen en zij zullen jullie veroordelen, want zij kwamen tot inkeer door Jona’s verkondiging, en hier is Iemand die groter is dan Jona.

33 Niemand die een olielamp heeft aangestoken, zet haar in de kelder of onder een bak. Integendeel, hij zet haar op een standaard, zodat de mensen die binnenkomen het licht zien. 34 Je oog is de lamp van je lichaam; wanneer je oog helder is, is je hele lichaam verlicht, maar wanneer je oog troebel is, is je lichaam vol duisternis. 35 Zorg dus dat het licht binnenin jou geen duisternis wordt. 36 Als je hele lichaam verlicht is, en geen enkel deel ervan is duister, dan is het even goed verlicht als wanneer je door het licht van een lamp wordt beschenen."

37 Nadat Jezus had gesproken, werd Hij door een farizeeër uitgenodigd voor een maaltijd. Jezus ging met hem mee naar huis en nam plaats. 38 De farizeeër was verbaasd toen hij zag dat Jezus zijn handen niet waste voor het eten. 39 Maar de Heer zei tegen hem: "Jullie farizeeën reinigen wel de buitenkant van de beker en de schaal, maar vanbinnen zitten jullie vol zelfzucht en slechtheid. 40 Dwazen, de Maker van de buitenkant heeft toch ook de binnenkant gemaakt? 41 Geef de inhoud weg als gift voor de armen; dan zal voor jullie alles rein zijn. 42 Maar wee jullie, farizeeën, want jullie geven God een tiende deel van de munt, de wijnruit en de andere kruiden, maar jullie negeren Gods gerechtigheid en liefde, terwijl dat de dingen zijn die je moet nastreven zonder het andere na te laten. 43 Wee jullie, farizeeën, want jullie houden ervan de beste plaatsen in de synagogen in te nemen en met respect te worden begroet op het marktplein. 44 Wee jullie, want jullie zijn als ongemarkeerde graven waar de mensen overheen wandelen zonder het te beseffen."

45 Een van de Wetgeleerden reageerde: "Leraar, U beledigt ook ons door dat te zeggen." 46 Maar Jezus zei: "Wat jullie Wetgeleerden betreft, wee ook jullie, want jullie leggen moeilijk te dragen lasten aan de mensen op, maar steken zelf geen vinger naar die lasten uit. 47 Wee jullie, want jullie bouwen grafmonumenten voor de profeten die door jullie voorouders zijn gedood. 48 Door dat te doen, bewijzen jullie dat je de daden van je voorouders goedkeurt, want zij hebben hen gedood en jullie bouwen graven voor hen. 49 Daarom heeft God in zijn wijsheid gezegd: Ik zal profeten en apostelen naar hen toe sturen en ze zullen sommigen van hen doden en anderen vervolgen.50 Daarom zal jullie soort mensen verantwoordelijk worden gesteld voor het bloed van alle profeten dat vergoten is sinds de schepping van de wereld, 51 van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharia, die werd omgebracht tussen het altaar en Gods huis. Jazeker, ik zeg jullie, jullie soort zal ervoor verantwoordelijk worden gesteld. 52 Wee jullie, Wetgeleerden, want jullie hebben de sleutel tot de kennis weggenomen zonder zelf naar binnen te gaan, en jullie houden de mensen tegen die naar binnen willen." 53 Toen Jezus naar buiten ging, keerden de Schriftgeleerden en de farizeeën zich tegen Hem en bestookten ze Hem met allerlei vragen 54 om een strafbare uitspraak bij Hem uit te lokken.

Te Īnoi o te Ariki

1 Ā, i a ia e īnoi ana i tētahi wāhi, ā, ka mutu, ka atu tētahi o āna ākonga ki a ia, "E te Ariki, whakaakona mātou ki te īnoi, me Hoani hoki i whakaako i āna ākonga."

2 Ka mea ia ki a rātou, "Ka īnoi koutou, mea atu:

E mātou Matua i te rangi,

kia tapu tōu ingoa.

Kia tae mai tōu rangatiratanga,

kia meatia tāu e pai ai ki runga ki te whenua,

kia rite anō ki te rangi.

3 Hōmai mātou taro ki a mātou, tēnei , tēnei .

4 Murua ō mātou hara;

e murua ana hoki e mātou o ngā tāngata katoa

e hara ana ki a mātou.

Aua hoki mātou e kawea kia whakawaia."

5 I mea anō ia ki a rātou, "Ko wai o koutou ki te mea he hoa tōna, ā, ka tae atu ki a ia i waenganui , ka mea ki a ia, E hoa, hōmai ki ahau ētahi taro, kia toru. 6 Kua tae mai hoki tōku hoa ki ahau i te ara, kāhore āku mea e whakatakoto ai ahau māna.

7 "Ā, ka whakahoki tērā i roto, ka mea, Hōhā ! Kāti ; kua tūtakina noatia ake te tatau, kei te moenga mātou ko āku tamariki; e kore e āhei kia whakatika atu ahau ki te hoatu ki a koe.8 Ko tāku kupu tēnei ki a koutou, ahakoa kāhore ia i whakatika ki te hoatu ki a ia, te mea he hoa nōna, tāna tohe anō ka ara ake ai ia, ka hoatu ai ki a ia i ngā mea i tonoa e ia.

9 "Ko tāku kupu anō tēnei ki a koutou; īnoi, ā, ka hoatu ki a koutou; e rapu, ā, ka kite koutou; pātukia, ā, ka uakina ki a koutou. 10 Ka whiwhi hoki ngā tāngata katoa ina īnoi; ka kite ina rapu; ka uakina ki te tangata e pātuki ana.

11 "Ko tēhea matua o koutou ki te īnoia e tāna tama tētahi taro, e hoatu rānei ki a ia he kāmaka? Ki te īnoia he ika, e hoatu rānei ki a ia he nākahi hei ika? 12 Ki te īnoia he hua manu, e hoatu rānei ki a ia he kopiona? 13 Ki te mea ko koutou, hunga kino nei, e mātau ana ki te hoatu mea papai ki ā koutou tamariki; tērā noa ake te hōmaitanga o te Wairua Tapu e koutou Matua i te rangi ki te hunga e īnoi ana ki a ia."

Ko Īhu rāua ko Perehepura

14 , e pei rēwera ana ia, he mea wahangū anō hoki. Ā, te putanga o te rēwera ki waho, ka kōrero te wahangū; ā, mīharo ana te mano. 15 , ka mea ētahi o rātou, "te rangatira o ngā rēwera, Perehepura, tāna peinga rēwera." 16 , ka whakamātautau ētahi, ka mea ki tētahi tohu i a ia i te rangi.

17 Otiia, i mātau ia ki ō rātou whakaaro, ā, ka mea ki a rātou, "Ki te tahuri iho tētahi rangatiratanga ki a ia anō, ka kore; ki te tahuri hoki tētahi whare ki tētahi whare, ka hinga. 18 Ā, ki te tahuri iho a Hātana ki a ia anō, me pēhea e ai tōna rangatiratanga? E mea hoki koutou, Perehepura tāku peinga rēwera. 19 , ki te mea Perehepura tāku peinga rēwera, wai te peinga a ā koutou tama? konei hei kaiwhakawā rātou koutou. 20 Tēnā ki te mea te ringa o te Atua tāku peinga rēwera, inā, kua tae mai te rangatiratanga o te Atua ki a koutou.

21 "Ki te tiakina e te tangata kaha, he patu nei āna, tōna whare, ka āta takoto āna taonga. 22 Ki te puta mai ia te mea e kaha atu ana i a ia, ā, ka hinga tērā, , ka tangohia āna patu i whakamanawa ai ia, ka tuwhatuwhaia ōna taonga.

23 "Ko te tangata ehara i te hoa nōku, he hoariri ia ki ahau, ko te tangata kāhore e kohikohi tahi māua, e tītaritari ana."

Te Hokinga mai o te Wairua Poke

24 "Ka puta te wairua poke i roto i te tangata, ka hāereere ia ngā wāhi waikore rapu okiokinga ai; ā, kāhore e kitea, ka mea ia, Ka hoki ahau ki tōku whare i puta mai ai ahau.25 Ā, te taenga atu, rokohanga atu kua oti te tahitahi, te whakapaipai. 26 , ka haere ia, ka tango i ētahi atu wairua tokowhitu, he kino atu i a ia; ā, ka tomo atu, ka noho i reira; ā, kino atu i te tīmatanga te whakamutunga o taua tangata."

Te Hari Pono

27 Ā, i a ia e kōrero ana i ēnei mea, ka karanga ake tētahi wahine i roto i te mano, ka mea ki a ia, "Koa tonu te kōpū i kawea ai koe, me ngā ū i ngotea e koe."

28 Anō hoki ko ia, "Engari , tino koa te hunga e whakarongo ana ki te kupu a te Atua, ā, e mahi ana."

Te Rapu tētahi Tohu

29 Ā, ka rūpeke te mano, ka anga ia ka kōrero, "He whakatupuranga kino tēnei; e rapu ana ki tētahi tohu, ā, e kore tētahi tohu e hoatu, ko te tohu anake o Hona poropiti. 30 I waiho nei hoki a Hona hei tohu ki ngā tāngata o Ninewe, ka pērā anō te Tama a te tangata ki tēnei whakatupuranga. 31 Ka whakatika ngātahi te kuīni o te tonga i te whakawākanga me ngā tāngata o tēnei whakatupuranga, ka whakatau i te ki a rātou; i haere hoki ia i ngā pito o te whenua ki te whakarongo ki te whakaaro nui o Horomona; ā, tēnei tētahi he nui atu i a Horomona. 32 Ka whakatika ngātahi ngā tāngata o Ninewe i te whakawākanga me tēnei whakatupuranga, ka whakatau i te ki a rātou, i rīpenetā hoki rātou i te kauwhautanga a Hona; ā, tēnei tētahi he nui atu i a Hona!"

Te Māramatanga o te Tinana

33 "Ka tahuna te rama, e kore e waiho e te tangata ki te wāhi ngaro, ki raro rānei i te pūhera, engari ki runga ki te tūranga, kia kitea ai te mārama e te hunga e tomo atu ana. 34 Ko te kanohi te rama o te tinana. , ki te ātea tōu kanohi, ka mārama anō tōu tinana katoa; tēnā ki te kino, ka pōuri anō hoki tōu tinana. 35 reira, kia āta titiro mehemea ehara i te pōuri te mārama i roto i a koe. 36 , ki te mārama tōu tinana katoa, ā, ki te kore ōna wāhi pōuri, ka mārama katoa anō, me te mea ko te mura o te rama e whakamārama ana i a koe."

Ka Whakapae a Īhu i ngā Parihi me ngā Kaiako i te Ture

37 , i a ia e kōrero ana, ka tono tētahi Parihi kia kai ia ki a ia; ā, haere ana ia ki roto, ka noho. 38 Ā, i te kitenga o te Parihi, ka mīharo te mea kāhore ia e horoi i mua o te kainga.

39 Ka mea te Ariki ki a ia, "Tēnei koutou, e ngā Parihi, te horoi nei i waho o te kapu, o te rīhi; ko roto ia o koutou e ana i te pāhua, i te kino. 40 E te hunga kūware, kīhai ianei i hangā a roto e te kaihanga o waho? 41 Engari, hoatu ngā mea o roto hei atawhainga ngā rawakore; ā, ka ngā mea katoa ki a koutou.

42 "Otirā, auē, te mate koutou, e ngā Parihi! E hoatu ana hoki e koutou te wāhi whakatekau, o te miniti, o te , o ngā otaota katoa, ā, kapea ake te whakarite whakawā me te aroha ki te Atua; he tika anō ko ēnei kia meatia kia kaua anō hoki ērā e kapea.

43 "Auē te mate koutou, e ngā Parihi! Ko koutou hoki e rawe ai ko ngā nohoanga rangatira i ngā whare karakia, me ngā ohatanga i ngā kāinga hokohoko.

44 "Auē te mate koutou, e ngā karaipi, e ngā Parihi, e te hunga tinihanga! E rite koutou ki ngā urupā ngaro, e kore e kitea e ngā tāngata e hāereere ana i runga."

45 , ka whakahoki tētahi o ngā kaiwhakaako o te ture, ka mea ki a ia, "E te Kaiwhakaako, he whakahē anō hoki mātou ēnei kōrero āu."

46 , ko tāna meatanga, "Auē te mate koutou hoki, e ngā kaiwhakaako o te ture! E whakawaha ana hoki koutou i ngā tāngata ki ngā kawenga taimaha rawa hei pīkaunga, ā, e kore tētahi o ō koutou matihao e atu ki aua kawenga.

47 "Auē te mate koutou! Ko koutou nei hoki hei hanga i ngā urupā o ngā poropiti, ō koutou mātua hoki rātou i whakamate. 48 , he kaiwhakaatu koutou he kaiwhakaae ki ngā mahi a ō koutou mātua; rātou hoki rātou i whakamate, ko koutou hoki hei hanga i ō rātou urupā. 49 konei anō te mātauranga o te Atua i mea ai, Māku e tono he poropiti, he āpōtoro ki a rātou, ā, ka whakamate, ka tūkino rātou i ētahi o rātou.50 Kia rapua ai he utu i tēnei whakapaparanga te toto o ngā poropiti katoa i ringihia nei te tīmatanga anō o te ao; 51 te toto o Āpera, tae noa ki te toto o Hakaraia i mate nei ki waenganui o te āta o te wāhi tapu, āe , ka mea atu ahau ki a koutou, E rapua he utu i tēnei whakapaparanga.

52 "Auē te mate koutou, e ngā kaiwhakaako o te ture! Kua tangohia hoki e koutou te o te mātauranga; kīhai koutou i tomo ki roto, ā, i ārai hoki koutou i te hunga e tomo ana."

53 , i tōna putanga mai ki waho, ā, ka tīmata te tohetohe kaha a ngā karaipi, a ngā Parihi ki a ia, he mea kia maha atu ai āna kōrero 54 e whakamoho ana hoki, kia mau tētahi kupu a tōna māngai.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-