Publicidade

Lucas 7

MRI2012

1 Nadat Jezus dit alles aan het luisterende volk had verteld, ging Hij Kafarnaüm binnen. 2 Daar was een centurio met een slaaf die veel voor hem betekende en die ernstig ziek was en op sterven lag. 3 Toen de centurio het nieuws over Jezus hoorde, stuurde hij oudsten van het Joodse volk naar Hem toe om Hem te vragen, zijn slaaf te komen genezen. 4 Toen die oudsten bij Jezus waren gekomen, drongen ze sterk bij Hem aan: "Hij is het waard dat U dit voor hem doet, 5 want hij houdt van ons volk en heeft zelfs onze synagoge laten bouwen." 6 Jezus ging met hen mee, maar toen Hij dicht bij het huis was, stuurde de centurio vrienden met de boodschap: "Heer, doe geen moeite, want ik ben het niet waard dat U mijn huis binnengaat. 7 Daarom durfde ik niet zelf naar U toe te gaan, maar op uw bevel zal mijn knecht genezen. 8 Ik ben namelijk ook iemand die onder gezag staat en zelf soldaten heeft. Als ik tegen de ene gazeg, dan gaat hij, en tegen een andere kom, dan komt hij, en als ik tegen mijn slaaf zeg: doe dit, dan doet hij het." 9 Toen Jezus dat hoorde, verbaasde Hij zich over hem. Hij draaide zich om naar de menigte die Hem volgde en zei: "Ik zeg jullie: bij niemand in Israël heb Ik zo’n groot geloof gevonden." 10 De vrienden die de centurio had gestuurd, keerden naar het huis terug en troffen de slaaf in goede gezondheid aan.

11 Niet lang daarna ging Jezus naar een stad die Naïn heet. Zijn leerlingen en een grote menigte kwamen met Hem mee. 12 Toen Jezus de stadspoort naderde, werd er een dode naar buiten gedragen om te worden begraven. Hij was de enige zoon van zijn moeder en zij was weduwe. Er kwam een grote menigte uit de stad met haar mee. 13 Toen de Heer de vrouw zag, kreeg Hij medelijden met haar. Hij zei tegen haar: "Ween maar niet." 14 Hij ging naar de lijkbaar toe en raakte die aan. De dragers hielden stil en Jezus zei: "Jongeman, Ik zeg je, verrijs." 15 De dode ging overeind zitten, begon te praten en werd door Jezus aan de moeder overgedragen. 16 Iedereen werd vervuld van ontzag en verheerlijkte God door te zeggen: "Er is een groot profeet onder ons opgestaan", en: "God heeft acht geslagen op zijn volk." 17 Dit nieuws over Jezus verspreidde zich in heel Judea en de wijde omtrek.

18 De leerlingen van Johannes brachten hem over al deze dingen verslag uit. Daarom riep Johannes twee van zijn leerlingen bij zich 19 en hij stuurde hen naar de Heer met de vraag: "Bent U degene die zou komen, of moeten we iemand anders verwachten?" 20 De mannen kwamen bij Jezus en zeiden: "Johannes de Doper heeft ons gestuurd om U te vragen: Bent U degene die zou komen, of moeten we iemand anders verwachten?" 21 Jezus was op dat moment veel mensen aan het genezen van ziekten, aandoeningen en onreine geesten en Hij gaf veel blinden het zicht. 22 Hij zei tegen Johannes' leerlingen: "Ga Johannes vertellen wat jullie hebben gezien en gehoord: blinde mensen kunnen weer zien, verlamde mensen beginnen te stappen, mensen met een huidziekte worden rein, dove mensen kunnen weer horen, dode mensen verrijzen, en aan arme mensen wordt het evangelie verkondigd. 23 Wie zich niet aan Mij ergert, is gezegend." 24 Toen de boodschappers waren vertrokken, zei Jezus over Johannes tegen de mensenmassa: "Wat zijn jullie gaan bekijken in de wildernis? Riet dat wuift in de wind? 25 Nee! Wat gingen jullie bekijken: een man in mooie kleren? Nee, zij die dure kledij dragen en in luxe leven, bevinden zich in paleizen. 26 Wat gingen jullie dan wel bekijken? Een profeet? Jazeker, zeg Ik jullie, iemand die meer is dan een profeet. 27 Hij is het over wie werd geschreven: Ik stuur mijn boodschapper voor Je uit, die de weg voor Je zal banen.28 Ik zeg jullie: onder hen die uit een vrouw zijn geboren, is niemand belangrijker dan Johannes de Doper, maar in Gods koninkrijk is de geringste belangrijker dan Hij. 29 Door zich te laten dopen met de doop van Johannes erkende heel het volk dat naar hem had geluisterd, ook de belastinginners, dat Gods eisen juist zijn. 30 De farizeeën en Wetgeleerden lieten zich echter niet door hem dopen en weigerden te doen wat God van hen wilde.

31 Waarmee zal Ik dit soort mensen vergelijken, waar lijken ze op? 32 Ze zijn als kinderen die op het marktplein zitten en naar elkaar roepen: Wij hebben voor jullie op de fluit gespeeld en jullie hebben niet gedanst; we hebben een klaaglied gezongen en jullie hebben niet geweend!33 Want toen Johannes de Doper was gekomen, die geen brood at en geen wijn dronk, zeiden jullie: Hij heeft een demon in zich.34 En nu de Mensenzoon is gekomen, die wel eet en drinkt, zeggen jullie: Kijk, een veelvraat en een dronkaard, een vriend van belastinginners en zondaars!35 Maar de juistheid van wijsheid wordt aangetoond door allen die wijze daden doen."

36 Eén van de farizeeën nodigde Jezus uit voor een maaltijd bij hem thuis. Jezus ging naar het huis van die farizeeër en nam plaats aan tafel. 37 Er was een vrouw die in die stad bekendstond als een zondares. Zij kwam te weten dat Jezus aan de maaltijd deelnam in het huis van de farizeeër en ging erheen met een albasten flesje geurige olie. 38 Ze ging wenend achter Jezus staan, bij zijn voeten. Door haar tranen werden zijn voeten nat en zij droogde ze met haar haren. Ook kuste ze zijn voeten en zalfde deze met de olie. 39 Toen de farizeeër die Jezus had uitgenodigd dit zag, dacht hij: "Als Jezus een profeet was, zou Hij weten wie het is die Hem aanraakt en wat voor vrouw zij is. Ze is een zondares." 40 Daarom zei Jezus tegen hem: "Simon, Ik heb je iets te vertellen." Hij antwoordde: "Leraar, zegt U het maar." 41 "Twee mensen stonden in de schuld bij een geldschieter; de een voor vijfhonderd denarie, de ander voor vijftig. 42 Toen ze niet konden betalen, schold hij hun allebei hun schuld kwijt. Wie van hen zou het meest van hem houden?" 43 Simon antwoordde: "Ik veronderstel de persoon aan wie het grootste bedrag was kwijtgescholden." Jezus zei tegen hem: "Je hebt het juiste antwoord gegeven." 44 Hij keerde zich naar de vrouw toe en zei: "Simon, zie je deze vrouw? Ik ben naar je huis gekomen en je hebt Mij geen water gegeven voor mijn voeten. Maar zij heeft mijn voeten gewassen met haar tranen en ze gedroogd met haar haren. 45 Jij hebt Mij niet met een kus verwelkomd, maar sinds Ik ben binnengekomen heeft zij zonder ophouden mijn voeten gekust. 46 Jij hebt mijn hoofd niet met olijfolie gezalfd, maar zij heeft mijn voeten gezalfd met geurige olie. 47 Daarom zeg Ik je: haar vele zonden zijn vergeven; ze heeft namelijk veel liefde betoond. Maar wie weinig werd vergeven, betoont weinig liefde." 48 Toen zei Hij tegen haar: "Je zonden zijn vergeven." 49 De andere gasten begonnen onder elkaar te zeggen: "Wie is dit, dat Hij zelfs zonden vergeeft?" 50 Jezus zei tegen de vrouw: "Je geloof heeft je gered. Ga in vrede."

Ka Whakaora a Īhu i te Pononga a te Āpiha Rōma

1 Ā, ka mutu ēnei kupu katoa āna, me te whakarongo anō te iwi, ka tomo ia ki Kaperenauma. 2 , e mate ana te pononga a tētahi keneturio, meāke marere, ko tāna hoki i matenui ai. 3 Ā, tōna rongonga i a Īhu, ka tonoa mai ki a ia ētahi kaumātua o ngā Hūrai, hei mea ki a ia kia haere ki te whakaora i tāna pononga. 4 Ā, i rātou taenga ki a Īhu, he kaha rātou īnoi, ka mea, "He pai te tangata e meatia ai tēnei e koe, 5 E aroha ana hoki ia ki tātou iwi, nāna hoki i hanga te whare karakia mātou." 6 , haere tahi ana a Īhu me rātou.

Ā, i a ia kāhore nei i matara i te whare, ka tono te keneturio i ētahi hoa ki a ia, ka mea ki a ia, "E te Ariki, kei maumau ngenge noa koe, ehara hoki ahau i te tikanga tangata e haere ake ai koe ki raro i tōku tuanui; 7 koia tae ai tōku aro ki te haere atu ki a koe. Engari kia puaki mai tāu kupu, ā, ka ora tāku pononga. 8 He tangata hoki ahau e whakahaua ana, he hōia anō āku hei whakahaunga māku, , ka mea ahau ki tēnei, Haere,ā, ka haere; ki tētahi atu hoki, Haere mai,ā, ka haere mai; ki tāku pononga anō hoki, Meatia tēnei,ā, ka meatia e ia."

9 Ā, i te rongonga o Īhu ki ēnei mea, ka mīharo ki a ia, ka tahuri, ka mea ki te mano e aru ana i a ia, "Ko tāku kupu tēnei ki a koutou, kāhore anō ahau i kite i te whakapono hei rite tēnei te nui, ahakoa i roto i a Īharaira." 10 Ā, rokohanga atu e te hunga i tonoa, i rātou hokinga atu ki te whare, kua ora te pononga .

Ka Whakaara a Īhu i te Tama a tētahi Pouaru

11 , i muri tata iho ka haere ia ki tētahi , ko Naina te ingoa; ā, i haere tahi āna ākonga me ia, he rahi hoki te hui. 12 Ā, ka whakatata ia ki te kūwaha o te , , he tūpāpaku tērā e kauhoatia ana mai, he huatahi tōna whaea, ā, he pouaru tērā: he tokomaha o te e haere tahi ana me ia. 13 Ā, i te kitenga o te Ariki i a ia, ka aroha ki a ia, ka mea ki a ia, "Kaua e tangi."

14 , ka whakatata ia, ka ki te kauhoa, ā, tonu ngā kaikauhoa. , ko tāna meatanga, "E tama, ko tāku kupu tēnei ki a koe, e ara." 15 , ka noho te tūpāpaku ki runga, ka anga, ka kōrero, ā, hoatu ana ia e ia ki tōna whaea.

16 , ka tau te wehi ki a rātou katoa; ka whakakorōria i te Atua, ka mea, "Kua puta ake i roto i a tātou he poropiti nui!" ā, "Kua titiro mai hoki te Atua ki tāna iwi." 17 , haere ana tēnei kōrero mōna puta noa i Hūria, i ngā wāhi pātata katoa anō hoki.

Ngā Karere a Hoani Kaiiriiri

18 Ā, ka kōrerotia ēnei mea katoa ki a Hoani e āna ākonga. 19 , ka karangatia e Hoani ētahi o āna ākonga tokorua, ka tonoa ki te Ariki, mea ai, "Ko koe rānei tērā e haere mai ana? Me tatari rānei tātou ki tētahi atu?"

20 Ā, te taenga mai o aua tāngata ki a ia, ka mea, "Kua tonoa mai māua e Hoani Kaiiriiri ki a koe, mea ai, Ko koe rānei tērā e haere mai ana? Me tatari rānei tātou ki tētahi atu?"

21 I taua anō he tokomaha te hunga i whakaorangia e ia i ngā tūrorotanga, i ngā mate, i ngā wairua kino; he tokomaha ngā matapō i meinga kia kite. 22 Ā, ka whakahoki ia, ka mea ki a rāua, "Haere, kōrerotia ki a Hoani ngā mea e kite nei, e rongo nei kōrua; ko ngā matapō e titiro ana, ko ngā kopa e hāereere ana, ko ngā repera kua , ko ngā turi e rongo ana, ko ngā tūpāpaku e whakaarahia ana, e kauwhautia ana te rongopai ki te hunga rawakore; 23 , ka koa te tangata e kore e ki ahau."

24 Ā, te rironga atu o ngā karere a Hoani, ka tīmata ia ki te kōrero ki te mano Hoani: "I haere atu koutou ki te koraha kia kite i te aha? I te kākaho e whakangāueuetia ana e te hau? 25 Anō , i haere koutou kia kite i te aha? I te tangata he kākahu māeneene ōna? , kei ngā whare kīngi te hunga i ngā kākahu whakapaipai, i ngā kai papai. 26 Anō , i haere koutou kia kite i te aha? I te poropiti? Āe , ko tāku kupu tēnei ki a koutou, tērā atu i te poropiti. 27 Mōna te mea kua tuhituhia nei,

, ka tonoa e ahau tāku karere ki mua i tōu aroaro,

māna e whakapai tōu huarahi i mua i a koe.

28 Ko tāku kupu hoki tēnei ki a koutou, kāhore he poropiti nui atu i a Hoani Kaiiriiri i roto i ngā whānau a te wahine; heoi, rahi ake i a ia te nohinohi rawa o te rangatiratanga o te Atua."

29 , i rātou rongonga ai, whakatikaia ana te Atua e te hunga katoa i rongo, e ngā pupirikana anō, i iriiria hoki rātou ki te iriiri a Hoani. 30 Ko ngā Parihi ia rātou ko ngā kaiwhakaako o te ture i whakakāhore i te Atua whakaaro ki a rātou, kīhai nei rātou i iriiria e ia.

31 "Me whakarite e ahau ngā tāngata o tēnei whakapaparanga ki te aha? He rite rātou ki te aha? 32 He rite ki ngā tamariki e noho ana i te kāinga hokohoko, e karanga ana ki a rātou anō, e mea ana:

Whakatangi noa mātou i te pūtōrino ki a koutou,

ā, kāhore koutou i kanikani.

Auē noa mātou ki a koutou,

, kāhore koutou i tangi.

33 I haere mai hoki a Hoani Kaiiriiri, kīhai i kai taro, kīhai i inu wāina; heoi ka mea koutou, He rēwera tōna.34 I haere mai te Tama a te tangata me te kai, me te inu; ā, ka mea koutou, , he tangata kakai, he tangata inu wāina, he hoa ngā pupirikana, ngā tāngata hara!35 Otirā, e whakatikaia ana te whakaaro nui e āna tamariki katoa."

Ko Īhu i te Kāinga a Haimona te Parihi

36 , ka mea tētahi o ngā Parihi ki a ia kia kai tahi rāua. Ā, ka tomo ia ki te whare o te Parihi, ka noho. 37 , tērā tētahi wahine hara o te ka mōhio, kei te whare o te Parihi ia e noho ana; , ka kawea mai e ia tētahi pouaka kōhatu, he hinu i roto. 38 Ā, tangi ana i muri i ōna waewae, ka anga ka whakamākūkū i ōna waewae ki ōna roimata, ka muru ki ngā makawe o tōna mātenga, ka kihi i ōna waewae, ka whakawahi ki te hinu kakara.

39 , i te kitenga o te Parihi nāna ia i karanga, ka kōrero i roto i a ia, ka mea, "Me he poropiti tēnei, kua mātau ia ki te wahine e nei ki a ia, tōna pēheatanga; he wahine hara hoki."

40 , ka kōrero a Īhu, ka mea ki a ia, "E Haimona, he kupu tāku ki a koe."

Ka mea ia, "Kōrero, e te Kaiwhakaako."

41 ", tokorua ngā tāngata i a rāua te moni a tētahi kaituku moni; e rima rau ngā pene i tētahi, e rima tekau i tētahi. 42 I te kore ngā mea a rāua hei whakautu, whakarērea noatia ana e ia ki a rāua; tēnā, ko wai o rāua e tino nui tōna aroha ki a ia?"

43 , ka whakahoki a Haimona, ka mea, "Ki tōku whakaaro, ko te tangata nāna te mea nui i whakarērea noatia atu."

, ko tāna meatanga ki a ia, "Tika rawa tāu."

44 , ka tahuri ia ki te wahine, ka mea ki a Haimona, "E kite ana koe i tēnei wahine? I haere mai ahau ki roto ki tōu whare, kāhore i hōmai e koe he wai ōku waewae; nāna ia i whakamākūkū ōku waewae ki ōna roimata, ā, murua iho ki ngā makawe o tōna mātenga. 45 Kīhai koe i kihi i ahau; tēnā ko ia, mai o tōku taenga mai, kāhore anō i tāmutu te kihi i ōku waewae. 46 Kīhai koe i whakawahi i tōku mātenga ki te hinu; nāna ia ōku waewae i whakawahi ki te hinu. 47 Koia ahau ka mea nei ki a koe, kua murua ōna tini hara; he nui hoki tōna aroha; ko te tangata ia he iti ngā mea i murua ka iti anō tōna aroha."

48 Ā, ka mea ia ki a ia, "Kua murua ōu hara."

49 , ka anga ōna hoa noho ka kōrero ki a rātou anō, "Ko wai tēnei, muru rawa hoki i ngā hara?"

50 , ko tāna meatanga ki te wahine, "tōu whakapono koe i ora ai; haere mārie."

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-