Publicidade

Lucas 12

MRI2012

1 Intussen waren er zoveel mensen toegestroomd, dat ze elkaar verdrongen. Jezus begon te spreken, in de eerste plaats tot zijn leerlingen: "Wees op je hoede voor de desem dat wil zeggen: de hypocrisie van de farizeeën. 2 Er is niets verborgen dat niet zal worden onthuld en er is niets geheim dat niet zal worden bekendgemaakt. 3 Wat jullie in het donker hebben gezegd, zal in het licht worden gehoord, en wat jullie in de binnenkamer hebben gefluisterd, zal van de daken worden verkondigd.

4 Mijn vrienden, Ik zeg jullie: wees niet bang voor wie wel het lichaam doden maar verder niets kunnen doen. 5 Ik zal jullie vertellen voor wie jullie wel bang moeten zijn: wees bang voor Degene die de macht heeft om je in de hel te gooien nadat je lichaam is gedood. Jazeker, Ik zeg jullie: voor Hem moeten jullie bang zijn. 6 Worden mussen niet per vijf verkocht voor twee kopermuntjes? Toch is er niet één die niet door God wordt opgemerkt. 7 En alle haren op je hoofd zijn geteld. Wees dus niet bang; jullie zijn veel meer waard dan mussen.

8 Ik zeg jullie: ieder die Mij erkent bij de mensen, zal door de Mensenzoon worden erkend bij Gods engelen. 9 Maar wie Mij verloochent bij de mensen, zal worden verloochend bij Gods engelen. 10 Ieder die iets lelijks zegt over de Mensenzoon, kan worden vergeven, maar wie de Heilige Geest belastert, zal niet worden vergeven.

11 Wanneer jullie voor de synagogen, heersers en gezaghebbers worden gesleept, maak je dan niet bezorgd over hoe je jezelf moet verdedigen of wat je moet zeggen, 12 want de Heilige Geest zal je op dat moment leren wat je moet zeggen."

13 Iemand in de menigte zei tegen Jezus: "Leraar, zeg tegen mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen." 14 Maar Jezus antwoordde: "Wie heeft Mij als rechter of bemiddelaar over jullie aangesteld?" 15 Toen zei Jezus tegen hen: "Pas op; wees op je hoede voor iedere vorm van hebzucht, want zelfs als iemand veel bezittingen heeft, is hij niet meester van zijn leven." 16 Jezus vertelde hun een parabel: "Er was eens een rijk man, met land dat een grote oogst had opgeleverd. 17 Hij begon zich af te vragen: Wat zal ik doen? Ik heb geen plaats om mijn oogst op te slaan. 18 Toen zei hij: Ik zal het volgende doen: ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen. Daarin zal ik al mijn graan en mijn voorraden bewaren. 19 Dan zal ik tegen mezelf zeggen: Jongen, je hebt veel voorraden opgeslagen waar je vele jaren van kan leven. Ontspan je: eet, drink en geniet.20 Maar God zei tegen hem: Jij dwaas, vannacht zal Ik je leven van je opeisen; wie krijgt dan wat je voor jezelf hebt opgespaard?21 Zo zal het de persoon vergaan die rijkdom voor zichzelf vergaart maar in Gods ogen niet rijk is."

22 Jezus zei tegen zijn leerlingen: "Daarom zeg Ik jullie: wees niet ongerust over je leven, over wat je zal eten of drinken, of over je lichaam, over hoe je je zal kleden. 23 Het leven is immers meer dan eten en het lichaam is meer dan kledij. 24 Kijk naar de raven: zij zaaien of oogsten niet en ze hebben geen opslagruimte of schuur, maar toch geeft God hun te eten. Jullie zijn toch meer waard dan de vogels? 25 Wie van jullie kan door ongerust te zijn een uur aan zijn leven toevoegen? 26 Als jullie zelfs zoiets kleins niet kunnen, waarom zouden jullie dan bezorgd zijn over het overige? 27 Kijk hoe de wilde bloemen groeien: ze spinnen en weven niet en toch, zeg Ik jullie, was zelfs Salomo in al zijn pracht niet zo mooi gekleed als zij. 28 Als God het gras dat vandaag op het veld staat en morgen in de oven wordt gegooid, zo mooi kleedt, zal Hij jullie, kleingelovigen, dan niet nog beter kleden? 29 Vraag je niet voortdurend af wat je zal eten en drinken; wees niet bezorgd. 30 Dat zijn allemaal zaken die de volken van deze wereld najagen; je Vader weet dat je ze nodig hebt. 31 Geef daarentegen prioriteit aan Gods koninkrijk; dan zullen ook deze dingen aan jullie worden gegeven. 32 Wees niet bang, kleine kudde, want jullie Vader heeft in zijn goedheid besloten het koninkrijk aan jullie te geven. 33 Verkoop je bezittingen en geef aan de armen; zo maak je voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar geen dief in de buurt komt en die niet door motten wordt aangetast. 34 Want waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn.

35 Zorg dat jullie klaarstaan en dat je lamp brandt. 36 Wees als mensen die hun baas opwachten wanneer hij terugkeert van het huwelijksfeest, zodat ze meteen kunnen opendoen wanneer hij arriveert en aanklopt. 37 De knechten die de baas bij zijn terugkomst aantreft terwijl ze op de uitkijk staan, zijn gezegend. Ik verzeker jullie dat hij hen aan tafel zal laten plaatsnemen, zich zal klaarmaken en hen zal komen bedienen. 38 Ze zijn gezegend, of hij nu komt rond middernacht of in de vroege uurtjes. 39 Dit moeten jullie weten: als de huiseigenaar zou weten hoe laat de dief komt, zou hij niet in zijn huis laten inbreken. 40 Ook jullie moeten voorbereid zijn, want de Mensenzoon komt op een onverwacht tijdstip." 41 Petrus vroeg: "Heer, is deze parabel voor ons bedoeld, of voor iedereen?" 42 De Heer antwoordde: "Wie is de trouwe en verstandige beheerder die door zijn heer over het personeel is aangesteld om hun op tijd hun portie eten te geven? 43 De dienaar die door zijn heer bij diens thuiskomst aan het werk wordt aangetroffen, is gezegend. 44 Ik verzeker jullie dat hij hem over al zijn bezittingen zal aanstellen. 45 Als de dienaar echter denkt: mijn heer komt nog lang niet, en als hij dan de knechten en dienstbodes begint te mishandelen en zelf eet, drinkt en dronken wordt, 46 dan zal de heer van die dienaar komen op een dag en een tijdstip die de dienaar niet verwacht of kent, hem de doodstraf opleggen en hem dezelfde bestemming geven als de misdadigers. 47 De dienaar die weet wat zijn heer wil, en er niet naar handelt en geen voorbereidingen treft, zal veel slaag krijgen. 48 Maar wie zonder het te beseffen dingen doet waarvoor hij straf verdient, zal weinig slaag krijgen. Want van ieder aan wie veel is gegeven, zal veel worden geëist, en van de mensen aan wie veel is toevertrouwd, zal veel worden gevraagd.

49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen en Ik zou graag willen dat het nu reeds wordt aangestoken. 50 Maar er is een doop die Ik moet ondergaan en dat weegt zwaar op Mij zolang het nog niet is gebeurd. 51 Denken jullie dat Ik ben gekomen om vrede op aarde te brengen? Nee, zeg Ik jullie, Ik breng verdeeldheid. 52 Voortaan zal het zo zijn dat een familie van vijf personen verdeeld zal zijn: drie tegen twee en twee tegen drie. 53 Vaders zullen tegen hun zoon zijn en zonen tegen hun vader, moeders tegen hun dochter en dochters tegen hun moeder, schoonmoeders tegen hun schoondochter en schoondochters tegen hun schoonmoeder."

54 Jezus zei tegen de mensenmassa: "Als jullie een wolk uit het westen zien komen, zeggen jullie meteen: Er komt een bui.En dan gebeurt dat. 55 En als de wind uit het zuiden komt, zeggen jullie: Vandaag wordt het heet.En dan gebeurt dat. 56 Jullie hypocrieten, jullie kunnen de dingen die jullie op aarde en in de lucht zien wel interpreteren; hoe is het mogelijk dat jullie de huidige tijd niet kunnen interpreteren? 57 Waarom kunnen jullie niet zelf beoordelen wat rechtvaardig is?

58 Wanneer je met je tegenstander onderweg bent naar de autoriteiten, probeer dan met hem tot een vergelijk te komen; anders kan je voor de rechter worden gesleept, zodat de rechter je aan de gerechtsdienaar uitlevert en de gerechtsdienaar je in de gevangenis gooit. 59 Ik verzeker je, je zal daar in geen geval uitkomen voordat je de laatste cent hebt betaald."

He Whakatūpato ki te Tinihanga

1 , kei te huihui anō tērā ngā mano, tōna tini, ka takatakahi i a rātou anō, ā, ka anga ia ka kōrero i te tuatahi tonu ki āna ākonga, ka mea, "Kia tūpato i te rēwena o ngā Parihi; arā i te tinihanga. 2 Kāhore hoki he mea i hīpokina e mahue te hura; kāhore hoki tētahi mea ngaro e mahue te mōhio. 3 konei ko koutou e kōrero ai i te pōuri, ka rangona i te mārama. Ko koutou e ai ki te taringa i ngā rūma i roto rawa, ka kauwhautia i runga o ngā whare."

Koia hei Wehinga

4 ", ko tāku kupu tēnei ki a koutou, e ōku hoa, kaua e wehi ki te hunga e whakamate nei i te tinana, ā muri iho kāhore he mea e taea e rātou. 5 Engari māku e whakaatu ki a koutou koutou e wehi ai. E wehi ki a ia kei a ia nei te mana, i muri i tāna whakamatenga, ki te maka ki Kehena. Āe hoki, ko tāku kupu tēnei ki a koutou, e wehi ki a ia!

6 "Kāhore ianei e hokona ngā pīhoihoi e rima ki ngā pātene e rua, ā, kāhore tētahi o rātou e wareware i te Atua? 7 Heoi, kua oti katoa te tatau ngā makawe katoa nei o ō koutou mātenga. Kaua e wehi; engari koutou i ngā pīhoihoi maha."

Te Whākinga, te Whakahāwea rānei, i a te Karaiti

8 "Ko tāku kupu tēnei ki a koutou, ki te whakaae tētahi ki ahau i te aroaro o ngā tāngata, ka whakaaetia anō ia e te Tama a te tangata i te aroaro o ngā anahera a te Atua. 9 Ki te whakakāhore tētahi i ahau i te aroaro o ngā tāngata, ka whakakāhoretia anō ia i te aroaro o ngā anahera a te Atua. 10 Ki te kōrero tētahi he whakahē te Tama a te tangata, ka murua tōna hara; tēnā ko te tangata e kohukohua ai te Wairua Tapu, e kore tōna e murua.

11 "Ki te kawea koutou ki ngā whare karakia, ki ngā rangatira, ki te hunga whai mana, kaua e mānukanuka ki te pēhea, ki te aha rānei e whakahoki atu ai koutou, ki koutou rānei e kōrero ai. 12 te Wairua Tapu hoki koutou e ako i taua hāora anō ki ngā mea e tika ana kia kōrerotia e koutou."

Te Kupu Whakarite o te Kūare Whai Rawa

13 , ka mea tētahi i roto i te mano ki a ia, "E te Kaiwhakaako, mea atu ki tōku tuakana, kia wehea mai mōku tētahi wāhi o te kāinga."

14 , ko tāna meatanga ki a ia, "E te tangata nei, wai ahau i mea hei kaiwhakawā, hei kaiwehewehe i waenganui i a koutou?" 15 I mea anō ia ki a rātou, "Kia mahara, kia tūpato ki te apo; ehara i te mea te nui o ngā taonga a te tangata e ora ai ia."

16 , ka kōrerotia e ia tētahi kupu whakarite ki a rātou, ka mea: ", he nui te hua o te whenua o tētahi tangata whai taonga. 17 , ka whakaaroaro ia i roto i a ia, Me pēhea ahau? Kāhore hoki ōku wāhi hei putunga āku hua.

18 "Ā, ka mea ia, Tēnei tāku e mea ai, ka wāwāhia e ahau ōku whare wīti, ā, ka hangā kia nui. Ā, ka kohikohia ki reira āku hua katoa, me āku taonga. 19 Kātahi ahau ka mea ki tōku wairua, E tōku wairua, ka maha āu mea papai kei te rongoā ngā tau e maha; noho noa iho, e kai, e inu, kia koa te ngākau.

20 "Otiia, ka mea te Atua ki a ia, Kūware, ko ā tēnei anō tangohia ai tōu wairua i a koe; ā, wai ngā mea kua pae i a koe?

21 ", ka pēnā te tangata e whakapūranga ana i te taonga māna ake, ā, kāhore e hua tāna whaka te Atua."

Whakawhirinaki ki te Atua

22 , ka mea ia ki āna ākonga, "Koia ahau ka mea nei ki a koutou, kaua e mānukanuka ki koutou oranga, ki koutou e kai ai, ki te tinana rānei, ki koutou e kākahu ai. 23 Rahi atu te ora i te kai, me te tinana i te kākahu. 24 Whakaaroa ngā raweni: kāhore nei e whakatō, kāhore e kokoti, kāhore ā rātou pākoro, kāhore he whare wīti, heoi, e whāngaia ana rātou e te Atua. Tērā noa ake koutou i ngā manu? 25 Ā, ko wai o koutou e taea e ia te whakaaro iho, te hono tētahi wāhi ki tōna roa, kia kotahi te whatīanga? 26 Ā, ki te kore e taea e koutou te mea nohinohi rawa, he aha i mānukanuka ai ki tētahi atu?

27 "Whakaaroa ngā rengarenga, rātou tupu; e kore nei e mahi, e kore e miro, , ko tāku tēnei ki a koutou, kīhai a Horomona me tōna korōria katoa i rite ki tētahi o ēnei te whai kākahu. 28 , ki te pēnei te Atua whakakākahu i te tarutaru i te pārae, kei reira āianei, ā, āpōpō ka makā ki te oumu. Tērā noa ake tāna i a koutou, e te hunga whakapono iti. 29 Kaua e rapu ki koutou e kai ai, ki koutou e inu ai, kaua e tīrengi noa te whakaaro. 30 E rapu ana hoki ngā iwi o te ao i ēnei mea katoa, otirā e mātau ana koutou Matua e matea ana e koutou ēnei mea. 31 Engari rapua te rangatiratanga o te Atua; ā, ka tāpiritia ēnei mea katoa koutou."

Ngā Taonga i te Rangi

32 "Kaua e mataku, e te kāhui nohinohi; kua pai hoki koutou Matua ki te hōmai i te rangatiratanga ki a koutou. 33 Hokona ō koutou taonga, hoatu he mea te hunga rawakore. Hangā koutou he pēke moni e kore e tawhitotia, he taonga ki te rangi e kore e memeha, ki te wāhi e kore nei e tata atu te tāhae, e kore anō te huhu e kai. 34 Ko te wāhi hoki i koutou taonga, ko reira anō ō koutou ngākau."

Ngā Pononga Pono Mataara

35 "Whītikiria ō koutou hope, tahuna ngā rama kia ; 36 ko koutou rite hei ngā tāngata e tatari ana ki rātou rangatira, ina hoki mai i te hākari o te mārena, tōna tae rawa mai, ka pātōtō, uaki tonu atu rātou ki a ia. 37 Ka koa ngā pononga e rokohina mai e rātou rangatira, ā tōna taenga mai, e mataara ana. He pono tāku e mea nei ki a koutou, ka whītiki ia i a ia, ā, ka mea i a rātou kia noho, ka haere ki te mahi mea rātou. 38 Ā, ki te haere mai ia i te rua o ngā mataaratanga, i te toru rānei, ā, ka rokohina mai e pērā ana anō, ka koa aua pononga. 39 Otirā, kia mōhio koutou ki tēnei, me i mātau te tangata i te whare, ki te e haere mai ai te tāhae, kua mataara ia, ā, kāhore i tukua kia pokaia tōna whare. 40 Kia tatanga koutou, te mea e puta mai te Tama a te tangata i te hāora e kore ai koutou e mahara."

Te Pononga Pono, Ponokore Rānei

41 , ka mea a Pita ki a ia, "E te Ariki, ki a mātou tēnei kupu whakarite e kōrero nei koe? Ki te katoa rānei?"

42 , ka mea te Ariki, "Ko wai te tuari pono, mahara, e meinga e tōna ariki hei rangatira āna tāngata, hei hoatu i te mēhua kai i te e tika ai? 43 Ka koa taua pononga, ki te rokohina e tōna rangatira ina tae mai, e pēnā ana. 44 He pono tāku e mea nei ki a koutou, ka meinga ia hei rangatira āna taonga katoa. 45 Otirā, ki te mea taua pononga i roto i tōna ngākau, Ka roa te haerenga mai o tōku ariki; ā, ka anga, ka whiu i ngā pononga tāne, i ngā pononga wāhine, ka kai, ka inu, ka haurangi, 46 ka haere mai te rangatira o taua pononga i te e kore ai ia e mahara, i te hāora e kore ai ia e mōhio, ā, ka hautopea ia, ka meinga mōna he wāhi i roto i te hunga whakapono kore.

47 ", ko taua pononga, i mōhio nei ki tōna rangatira i pai ai, ā, kīhai i whakaaro wawe, kīhai hoki i mea i tāna i pai ai, he maha ngā whiu mōna. 48 Tēnā, ko ia kīhai i mōhio, ā, i mahi i ngā mea e tika ai kia whiua, he torutoru ngā whiu mōna. Ko te tangata hoki i nui te hoatutanga ki a ia he nui anō hei hōmaitanga māna; ā, ko te tangata i nui te tukunga ki a ia, hira noa atu te mea e tonoa i a ia."

Ko Īhu te Pūtake o te Wehewehenga

49 "I haere mai ahau ki te maka kāpura ki te whenua; ā, ka pēhea ahau, mehemea kua ? 50 Otirā, he iriiringa tōku e iriiria ai ahau; anō tōku tākarekare kia oti anō! 51 E mea ana rānei koutou, i haere mai ahau ki te hōmai i te rangimārire ki te whenua? Tēnei tāku kupu ki a koutou, kāhore; engari i te wehewehe. 52 Hei ngā hoki e takoto ake nei ka tokorima i roto i te whare kotahi, ā, ka tahuri ki a rātou anō, tokotoru ki te tokorua, tokorua ki te tokotoru. 53 Ka tahuri atu te pāpā ki te tama, te tama ki te pāpā, te whaea ki te tamāhine, te tamāhine ki tōna whaea, te hungawai wahine ki tāna hunaonga wahine, me te hunaonga wahine ki tōna hungawai wahine."

Te Mātau ki te

54 Ā, i mea anō ia ki ngā mano, "Ka kite koutou i te kapua e puta mai ana i te hauāuru, , mea tonu ake koutou, He ua te haere mai nei,ā, ko ia anō ia. 55 Ka kite koutou i te tonga e pupuhi ana, ka mea koutou, Meāke ko te werawera,ā, ko ia anō ia. 56 E te hunga tinihanga, e mātau ana koutou ki te titiro ki te mata o te whenua, o te rangi; he aha koutou mātau ai ki te titiro ki tēnei tāima?"

Whakaritea tōu Hoa Tauwhāinga

57 "Ā, he aha koutou whakaaro noa ake ai i te mea tika? 58 I a kōrua ko tōu hoa tauwhāinga e haere ana ki te kaiwhakawā, hei te huarahi anō kia kaha te mea kia makere atu ia i a koe; kei tōia koe e ia ki te kaiwhakawā, ā, ka tukua koe e te kaiwhakawā ki te kātipa, ā, ka makā koe e te kātipa ki te whare herehere. 59 Ko tāku kupu tēnei ki a koe, E kore rawa koe e puta mai i reira, kia poto anō ngā moni iti rawa te utu e koe."

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-