Publicidade

Lucas 23

MRI2012

1 De voltallige raad stond op en leidde Jezus voor aan Pilatus. 2 De raadsleden begonnen hun beschuldiging als volgt: "Wij hebben vastgesteld dat deze Man een slechte invloed op ons volk heeft. Hij verbiedt het betalen van de keizerlijke belasting en beweert dat Hij de Messias is, een koning." 3 Pilatus vroeg aan Jezus: "Bent U de koning van de Joden?" Jezus antwoordde: "U zegt het zelf." 4 Pilatus zei tegen de hoofdpriesters en de mensenmassa: "Ik vind niets strafbaars aan deze man." 5 Ze bleven echter volhouden: "Maar Hij hitst de mensen in heel Judea op met zijn leer; eerst deed Hij dat in Galilea en nu ook hier." 6 Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of Jezus een Galileër was. 7 En toen hij vernam dat Jezus uit het rechtsgebied van Herodes kwam, stuurde Pilatus Hem naar Herodes, die in die periode ook in Jeruzalem was. 8 Toen Herodes Jezus zag, was hij verheugd, want hij had er reeds lang naar verlangd Jezus te zien. Hij had namelijk over Hem gehoord en hoopte Hem een wonder te zien doen. 9 Hij stelde Hem heel veel vragen, maar Jezus gaf geen antwoord. 10 De hoofdpriesters en Schriftgeleerden stonden erbij en beschuldigden Hem in felle bewoordingen. 11 Toen vernederden en bespotten Herodes en zijn soldaten Jezus, kleedden ze Hem in een prachtig gewaad en stuurden ze Hem naar Pilatus terug. 12 Op die dag raakten Herodes en Pilatus met elkaar bevriend; voordien waren ze vijanden van elkaar.

13 Toen riep Pilatus de hoofdpriesters, leiders en het volk bijeen. 14 Hij zei tegen hen: "Jullie hebben deze Man aan mij voorgeleid als iemand die het volk misleidt. Ik heb Hem in jullie bijzijn verhoord en heb deze Man niet schuldig bevonden aan hetgeen waarvoor jullie Hem aanklagen. 15 Ook Herodes denkt niet dat Hij schuldig is, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. Hij heeft dus niets gedaan waarop de doodstraf staat. 16 Daarom zal ik Hem geselen en laten gaan." 18 Maar ze schreeuwden allen tezamen: "Weg met Hem! Laat Barabbas vrij." 19 Barabbas was iemand die in de stad een opstand had geleid en voor moord in de gevangenis was gegooid. 20 Pilatus zei nogmaals tegen de mensen dat hij Jezus wilde vrijlaten. 21 Maar ze bleven schreeuwen: "Kruisig Hem! Kruisig Hem!" 22 Hij vroeg hun voor de derde keer: "Waarom? Wat heeft deze Man misdaan? Ik heb geen grond voor de doodstraf in Hem gevonden; daarom zal ik Hem laten geselen en vrijlaten." 23 Ze bleven echter luidkeels eisen dat Hij gekruisigd zou worden en hun geschreeuw kreeg de overhand. 24 Hij besloot hun eis in te willigen: 25 de man die voor opstand en moord in de gevangenis was gegooid en om wiens vrijlating ze vroegen, liet hij vrij, maar met Jezus mochten ze doen wat ze wilden.

26 Toen de soldaten Jezus wegleidden, grepen ze een zekere Simon van Cyrene, die van het land de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn schouder en dwongen hem, het achter Jezus aan te dragen. 27 Jezus werd gevolgd door een grote groep mensen, waaronder vrouwen die luidruchtig om Hem treurden. 28 Hij draaide zich om en zei tegen hen: "Dochters van Jeruzalem, stop met wenen om Mij. Ween om jezelf en om je kinderen. 29 Er komt namelijk een tijd dat men zal zeggen: Gezegend zijn de onvruchtbare vrouwen en zij die nooit kinderen hebben gebaard en gevoed.30 Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: Val op ons, en tegen de heuvels: Bedek ons.31 Want als mensen deze dingen doen wanneer de boom nog groen is, wat zal er dan gebeuren wanneer ze is verdord?"

32 Samen met Jezus werden ook twee misdadigers weggeleid om te worden terechtgesteld. 33 Toen ze bij de plaats aankwamen die Schedel wordt genoemd, kruisigden ze Jezus en de misdadigers; de ene hing rechts en de andere links van Hem. 34 Jezus zei: "Vader, vergeef hun, want ze beseffen niet wat ze doen." Zijn kleren werden door middel van verloting verdeeld. 35 Het volk stond toe te kijken en de leiders dreven de spot met Hem. Ze zeiden: "Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu zichzelf redden als Hij de door God beloofde Messias is, de Uitverkorene." 36 Ook de soldaten lachten Hem uit; ze gingen naar Hem toe, boden Hem zure wijn aan 37 en zeiden: "Als Jij de koning van de Joden bent, red Jezelf dan." 38 Boven Hem hing een bordje: "Dit is de koning van de Joden." 39 Een van de misdadigers die naast Hem hing, beledigde Hem door te zeggen: "Ben Jij niet de Messias? Red dan Jezelf en ook ons." 40 Maar de andere misdadiger wees hem terecht door te reageren: "Ben jij zelfs niet bang voor God? Jij hebt dezelfde veroordeling gekregen als Hij, 41 en voor ons is dat terecht, want wij krijgen het verdiende loon voor onze daden, maar deze Man heeft niets verkeerds gedaan." 42 Ook zei hij: "Jezus, denk aan mij wanneer U uw koninkrijk binnengaat." 43 Jezus zei tegen hem: "Ik verzeker je, vandaag zal je bij Mij in het paradijs zijn."

44 Het was nu ongeveer twaalf uur en het werd donker in het hele land, tot drie uur 's middags. 45 De zon was verduisterd en het tempelgordijn scheurde in tweeën. 46 Toen riep Jezus luid: "Vader, Ik leg mijn geest in uw handen." Nadat Hij dit had gezegd, stierf Hij. 47 Toen de centurio zag wat er was gebeurd, verheerlijkte hij God. Hij zei: "Deze man was werkelijk onschuldig." 48 De vele mensen die op dit schouwspel waren afgekomen, zagen wat er gebeurde en gingen naar huis. Van verdriet sloegen ze zich op de borst. 49 Maar allen die Jezus hadden gekend, waaronder de vrouwen die Hem vanuit Galilea waren gevolgd, bleven op een afstand staan kijken.

50 Er was een man die Jozef heette, een lid van de Joodse raad. Hij was een goed en oprecht man. 51 Hij kwam uit Arimatea, een stad in Judea, en hij verwachtte Gods koninkrijk. Hij had niet ingestemd met het besluit en de handelwijze van de Joodse raad. 52 Hij ging naar Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. 53 Hij haalde het van het kruis, wikkelde het in een linnen doek en legde het in een uitgehouwen graf waarin nog niemand was begraven. 54 Het was Voorbereidingsdag en de sabbat zou bijna beginnen. 55 De vrouwen die vanuit Galilea met Jezus waren meegekomen, volgden Jozef. Ze zagen het graf en hoe Jezus' lichaam erin werd gelegd. 56 Ze gingen naar huis om geurige oliën en balsem klaar te maken, en op de sabbat namen ze rust, zoals de Wet voorschrijft.

Ka Mauria a Īhu i te Aroaro o Pirato

1 Kātahi ka whakatika rātou huihui katoa, ā, ārahina ana ia ki a Pirato. 2 , ka anga rātou, ka whakapā ki a ia, ka mea, "Kua mau i a mātou tēnei tangata e kukume ana i te iwi, e mea ana kia kaua e hoatu te takoha ki a Hīhā, e ana he kīngi ia, ko te Karaiti."

3 , ka ui a Pirato ki a ia, ka mea, "Ko koe rānei te kīngi o ngā Hūrai?"

Ka whakahoki ia ki a ia, ka mea, "Kua kōrerotia mai e koe."

4 , ko te meatanga a Pirato ki ngā tohunga nui, ki ngā mano, "Kāhore tētahi o tēnei tangata i mau i ahau."

5 Ā, nui atu rātou tohe ka mea, "E whakatūtehu ana ia i te iwi, e whakaako ana puta noa i Hūria, tīmata mai i Karirī, ā tae noa mai ki konei."

Ka Tonoa a Īhu i te Aroaro o Herora

6 I te rongonga ia o Pirato ki Karirī, ka ui, "Karirī rānei tēnei tangata?" 7 Ā, i tōna mōhiotanga te rangatiratanga ia o Herora, ka tonoa ia ki a Herora, i Hiruhārama hoki ia i aua . 8 , i te kitenga o Herora i a Īhu, nui rawa tōna hari, kua roa ia e hiahia ana kia kite i a ia, he maha hoki ngā mea i rangona e ia mōna. , ka tūmanako ia kia kite i tētahi merekara e meinga ana e ia. 9 , he maha ngā kupu i ui ai ia ki a ia; heoi, kāhore kau he kupu i whakahokia e ia. 10 , ana ngā tohunga nui me ngā karaipi, kaha rawa hoki rātou whakapā ki a ia. 11 , ka whākorekore a Herora rātou ko āna hōia ki a ia, ka taunu, ā, ka oti ia te whakakākahu ki te kahu whakapaipai, ka whakahokia atu ki a Pirato. 12 I taua rangi anō ka houhia te rongo a Pirato rāua ko Herora; i mua hoki e mauāhara ana ki a rāua.

Ka Whakataua a Īhu ki te Mate

13 , ka karangatia e Pirato ngā tohunga nui, ngā rangatira, me te iwi anō, 14 ka mea ia ki a rātou, "Kua kawea mai nei e koutou tēnei tangata ki ahau, me te anō kei te kukume ia i te iwi; ā, ka oti nei ia te uiui e ahau i koutou aroaro, , kīhai i mau i ahau tētahi o tēnei tangata i roto i ngā mea i whakapāngia nei e koutou ki a ia. 15 Ā, kīhai anō hoki a Herora, nāna ia i whakahoki mai ki a tātou, , kāhore āna mahi e tika ai kia mate ia. 16 , me whiu ia e ahau, ka tuku atu ai." 17 Kua takoto hoki te tikanga kia tukua atu tētahi ki a rātou i te hākari.

18 , ka pānui rātou ki te karanga, ka mea, "Whakamatea tēnei, ko Parapa te tuku mai ki a mātou." 19 (Ko tēnei hoki i makā ki te whare herehere te nananga i nanā ai ia i roto i te , te patu tangata.)

20 , ka mea atu anō a Pirato, he mea hoki nāna kia tukua a Īhu. 21 Heoi, hāmama ana rātou, mea ana, "Rīpekatia ia, rīpekatia!"

22 Ka mea anō ia ki a rātou, ko te toru o ngā meatanga, "He aha te kino i meinga e tēnei tangata? Kāhore anō i mau i ahau tētahi ōna e mate ai; māku ia e whiu, ka tuku atu ai."

23 Otirā, nui atu ō rātou reo ki te tohe e tono ana kia rīpekatia ia. Ā, riro rawa i ō rātou reo. 24 , ka whakaōtia e Pirato kia waiho i rātou i tono ai. 25 , ka tukua anō ki a rātou te tangata i makā ki te whare herehere te nananga, te patu tangata, rātou hoki i tono ai; ko Īhu ia i tukua ki rātou i pai ai.

Ka Rīpekatia a Īhu

26 Ā, i a rātou e ārahi ana i a ia, ka mau rātou ki tētahi tangata o Hairini, ki a Haimona, e haere mai ana i ngā whenua, ā, utaina ana ki a ia te rīpeka, kia amohia i muri i a Īhu.

27 , he nui te huihuinga o te iwi i aru i a ia, me ngā wāhine hoki e tangi ana, e auē ana ki a ia. 28 , ka tahuri a Īhu ki a rātou, ka mea, "E ngā tamāhine o Hiruhārama, kaua e tangi ki ahau, engari me tangi ki a koutou anō, ki ā koutou tamariki. 29 Tērā hoki e puta ngā e mea ai rātou, Koa tonu ngā pākoko, me ngā kōpū kāhore i whānau, me ngā ū kāhore i ngotea.30 Ko reira tīmata ai rātou te mea ki ngā maunga,

Horo iho ki runga ki a mātou,

ki ngā pukepuke hoki, Hīpokina mātou.

31 Ki te meinga hoki ēnei mea e rātou i te rākau e kaimata ana, ko te aha e meatia i te rākau ka maroke?"

32 , tērā atu ētahi tokorua, he hunga mahi kino, e ārahina ngātahitia ana me ia kia whakamatea. 33 Ā, ka tae rātou ki te wāhi e kīia nei ko te Angaanga, ka rīpekatia ia ki reira, me aua kaimahi kino, kotahi ki matau, kotahi ki mauī. 34 , ka mea a Īhu, "E , houhia te rongo ki a rātou; kāhore hoki rātou e mōhio ki rātou e mea nei." Ā, wehewehea ana ōna kākahu e rātou he mea maka ki te rota.

35 Me te anō te iwi mātakitaki ai. Ko ngā rangatira hoki ka tāwai ki a ia, ka mea, "Ko ērā atu i whakaorangia e ia, māna anō ia e whakaora, ki te mea ia ko te Karaiti a te Atua, ko tāna i whiriwhiri ai!"

36 Ko ngā hōia ētahi i taunu ki a ia, ka haere mai me te kawe mai he winika ki a ia, 37 ka mea, "Ki te mea ko koe te Kīngi o ngā Hūrai, whakaora i a koe."

38 Ā, tērā te mea i tuhituhia ki runga ake i a ia, "Ko te Kīngi tēnei o ngā Hūrai."

39 , ko tētahi o ngā kaimahi kino i whakairia i kohukohu ki a ia, i mea, "Ki te mea ko te Karaiti koe, whakaorangia koe, māua hoki."

40 , ka whakahoki tētahi, ka riri ki a ia, ka mea, "E kore rānei koe e wehi ki te Atua, kei tēnei mate tahi nei hoki koe? 41 Ka tika rāia tāua; ka whiwhi hoki tāua ki ngā mea e tika ana ā tāua hanga; ko tēnei ia kāhore āna mahi ."

42 , ko tāna meatanga ki a Īhu, "E te Ariki, kia mahara koe ki ahau ina haere mai koe i runga i tōu rangatiratanga."

43 Anō ko Īhu ki a ia, "He pono tāku e mea nei ki a koe, ko āianei koe noho ai ki ahau ki Pararaiha."

Te Matenga o Īhu

44 , kua tata ki te ono o ngā hāora, ā, ka pōuri a runga o te whenua katoa, tae noa ki te iwa o ngā hāora. 45 I pōuri hoki te , ā, i wāhia te ārai o te whare tapu i waenganui . 46 Ā, nui atu te reo o Īhu ki te karanga; i mea ia, "E , tēnei tōku wairua ka tukua atu nei ki ōu ringa." Ka mutu ēnei kupu, ka hemo ia.

47 Ā, i te kitenga o te keneturio i taua mea, ka whakakorōria ia i te Atua, ka mea, "He pono he tangata tika tēnei." 48 Me te hunga katoa hoki i huihui mai ki te mātakitaki, i rātou kitenga i aua mea i meatia , ka pātuki i ō rātou uma, ā, hoki ana. 49 Ā, ko te hunga katoa i mōhio ki a ia, rātou ko ngā wāhine i aru mai i a ia i Karirī, i mai i tawhiti, mātakitaki ai ki ēnei mea.

Te Tanumanga o Īhu

50 , tērā tētahi tangata, ko Hōhepa te ingoa, he tangata noho rūnanga; he tangata pai, he tangata tika. 51 Kīhai ia i whakaae ki rātou whakaaro, ki rātou mahi, Arimatia ia, tētahi o ngā Hūrai, ā, he tangata ia e tatari ana ki te rangatiratanga o te Atua. 52 I haere ia ki a Pirato, ā, tonoa ana e ia te tinana o Īhu. 53 , ka tangohia iho e ia taua tinana, ā, takaia ana ki te rīnena, ka waiho ki te rua i hāua ki roto ki te kōhatu, kāhore hoki i takoto noa tētahi tangata ki reira. 54 , ko te Takanga hākari ia, ā, meāke pūao te hāpati.

55 I aru anō ngā wāhine i haere tahi mai nei me ia i Karirī, ā, kite ana i te urupā, i te whakatakotoranga anō o tōna tinana. 56 , ka hoki rātou, ka mahi i ngā mea kakara, i ngā hinu. Ā, noho ana i te hāpati, he whakaaro hoki ki te ture.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-