1 Frères, je ne veux pas que vous ignoriez Ex 13:21.No 9:18.De 1:33.Né 9:12,19.Ps 78:14;105:39.que nos pères ont tous été sous la nuée, Ex 14:22.Jos 4:23.Ps 78:13.qu’ils ont tous passé au travers de la mer, 2 qu’ils ont tous été baptisés en Moïse dans la nuée et dans la mer, 3 Ex 16:15.qu’ils ont tous mangé le même aliment spirituel, 4 Ex 17:6.No 20:11.Ps 78:15.et qu’ils ont tous bu le même breuvage spirituel, car ils buvaient à un rocher spirituel qui les suivait, et ce rocher était Christ. 5 Mais la plupart d’entre eux ne furent point agréables à Dieu, No 26:65.puisqu’ils périrent dans le désert. 6 Or, ces choses sont arrivées pour nous servir d’exemples, afin que nous n’ayons pas de mauvais désirs, No 11:4,33.Ps 106:14.comme ils en ont eu. 7 Ne devenez point idolâtres, comme quelques-uns d’eux, selon qu’il est écrit: Ex 32:6.Le peuple s’assit pour manger et pour boire; puis ils se levèrent pour se divertir. 8 Ne nous livrons point à l’impudicité, No 25:1,9.Ps 106:29.comme quelques-uns d’eux s’y livrèrent, de sorte qu’il en tomba vingt-trois mille en un seul jour. 9 Ne tentons point le Seigneur, No 21:5.Ps 106:14.comme le tentèrent quelques-uns d’eux, qui périrent par les serpents. 10 Ne murmurez point, Ex 16:2;17:2.No 14:36.Ps 106:25.comme murmurèrent quelques-uns d’eux, qui périrent par l’exterminateur. 11 Ces choses leur sont arrivées pour servir d’exemples, Ro 15:4.1 Co 9:10.et elles ont été écrites pour notre instruction, à nous Ph 4:5.Hé 10:25.qui sommes parvenus à la fin des siècles. 12 Ainsi donc, que celui qui croit être debout prenne garde de tomber! 13 Aucune tentation ne vous est survenue qui n’ait été humaine, et 1 Co 1:8.1 Th 5:24.2 Pi 2:9.Dieu, qui est fidèle, ne permettra pas que vous soyez tentés au-delà de vos forces; mais avec la tentation il préparera aussi le moyen d’en sortir, afin que vous puissiez la supporter.
14 C’est pourquoi, mes bien-aimés, fuyez l’idolâtrie. 15 Je parle comme à des hommes intelligents; jugez vous-mêmes de ce que je dis. 16 La coupe de bénédiction que nous bénissons, n’est-elle pas la communion au sang de Christ? Le pain que nous rompons, n’est-il pas la communion au corps de Christ? 17 Puisqu’il y a un seul pain, nous qui sommes plusieurs, nous formons Ro 12:5.1 Co 12:27.un seul corps; car nous participons tous à un même pain. 18 Voyez les Israélites selon la chair: ceux qui mangent les victimes ne sont-ils pas en communion avec l’autel? 19 Que dis-je donc? 1 Co 8:4.Que la viande sacrifiée aux idoles est quelque chose, ou qu’une idole est quelque chose? Nullement. 20 Je dis que ce qu’on sacrifie, Lé 17:7.De 32:17.on le sacrifie à des démons, et non à Dieu; or, je ne veux pas que vous soyez en communion avec les démons. 21 Vous ne pouvez boire la coupe du Seigneur, et la coupe des démons; vous ne pouvez participer à la table du Seigneur, et à la table des démons. 22 Voulons-nous provoquer la jalousie du Seigneur? Sommes-nous plus forts que lui?
23 1 Co 6:12.Tout est permis, mais tout n’est pas utile; tout est permis, mais tout n’édifie pas. 24 1 Co 13:5.Ph 2:4.Que personne ne cherche son propre intérêt, mais que chacun cherche celui d’autrui. 25 Mangez de tout ce qui se vend au marché, sans vous enquérir de rien par motif de conscience; 26 Ex 19:5.Ps 24:1;50:12.car la terre est au Seigneur, et tout ce qu’elle renferme. 27 Si un non-croyant vous invite et que vous vouliez y aller, Lu 10:7.mangez de tout ce qu’on vous présentera, sans vous enquérir de rien 1 Co 8:7.par motif de conscience. 28 Mais si quelqu’un vous dit: Ceci a été offert en sacrifice! N’en mangez pas, à cause de celui qui a donné l’avertissement, et à cause de la conscience. 29 Je parle ici, non de votre conscience, mais de celle de l’autre. Pourquoi, en effet, ma liberté serait-elle jugée par une conscience étrangère? 30 Si je mange avec actions de grâces, pourquoi serais-je blâmé au sujet d’une chose Ro 14:6.1 Ti 4:3.dont je rends grâces? 31 Col 3:17.Soit donc que vous mangiez, soit que vous buviez, soit que vous fassiez quelque autre chose, faites tout pour la gloire de Dieu. 32 Ro 14:13.Ne soyez en scandale ni aux Grecs, ni aux Juifs, ni à l’Église de Dieu, 33 de la même manière que moi aussi je m’efforce en toutes choses de complaire à tous, cherchant, non mon avantage, mais celui du plus grand nombre, afin qu’ils soient 1 Co 9:22.sauvés.
1 Jullie moeten weten, broeders en zusters, dat onze voorouders allen onder de wolk leefden en allen door de zee trokken, 2 en dat ze door hun doop in de wolk en in de zee allen bij Mozes hoorden. 3 Ze aten allen het voedsel dat hun op bovennatuurlijke wijze werd gegeven, 4 en dronken allen het water dat hun op bovennatuurlijke wijze werd gegeven. Ze dronken namelijk uit een door de hemel gegeven rots die met hen meekwam, en die rots was Christus. 5 Toch was God over de meesten van hen niet tevreden, en zij zijn omgekomen in de wildernis. 6 Deze gebeurtenissen vonden plaats als een voorbeeld voor ons, opdat wij niet zoals zij naar het kwaad zouden verlangen. 7 Houd je dus niet bezig met afgoderij, zoals sommigen van hen deden. In de Schriften staat immers: "De mensen gingen zitten om te eten en te drinken en ze stonden op om te dansen." 8 Laten we ons ook niet bezighouden met seksueel wangedrag, zoals sommigen van hen deden – en op één dag vielen er 23.000 doden. 9 Laten we bovendien Christus niet op de proef stellen, zoals sommigen van hen deden – en zij werden door slangen doodgebeten. 10 Mopper niet, zoals sommigen van hen deden – en zij werden omgebracht door de engel die de dood brengt. 11 Deze gebeurtenissen vonden plaats als een voorbeeld voor hen, en ze werden opgetekend als een les voor ons, voor wie het einde van de tijd is aangebroken. 12 Wie denkt dat hij sterk staat, moet oppassen dat hij niet ten val komt. 13 De beproeving die jullie ondergaan, is niet bovenmenselijk. God is trouw; Hij zal niet toelaten dat jullie boven je krachten worden beproefd. Hij zal bij de beproeving ook in een oplossing voorzien, zodat jullie haar zullen kunnen doorstaan.
14 Daarom, mijn beste vrienden, houd je verre van afgoderij. 15 Ik spreek tot verstandige mensen; beoordelen jullie zelf maar wat ik zeg. 16 Wanneer we drinken uit de beker waarvoor we God danken, vieren we dan niet gezamenlijk dat Christus' bloed voor ons vergoten is? En wanneer we het brood breken, gedenken we dan niet gezamenlijk dat Christus zijn leven voor ons gaf? 17 Wij zijn met velen, maar er is één brood en wanneer we samen dat ene brood delen, vormen we samen één lichaam. 18 Kijk eens naar het volk Israël. Het is toch zo dat zij die van de offers eten, daardoor deelnemen aan de offerdienst? 19 Wat bedoel ik daarmee? Dat het voedsel dat aan afgoden gewijd is, van betekenis is, of dat een afgod van betekenis is? 20 Nee, ik bedoel dat hetgeen geofferd wordt aan demonen geofferd wordt en niet aan God. Ik wil niet dat jullie deel krijgen aan demonen. 21 Je kan niet drinken uit zowel de beker van de Heer als de beker van demonen en je kan niet deelnemen aan zowel de maaltijd van de Heer als de maaltijd van demonen. 22 Willen we de Heer misschien jaloers maken? Zijn wij misschien sterker dan Hij?
23 ‘Alles is toegestaan’, zeg je. Dat is zo, maar niet alles is nuttig. Alles is toegestaan, maar niet alles is opbouwend. 24 Laat niemand zijn eigen belang vooropstellen; geef voorrang aan het belang van je naaste. 25 Jullie mogen eten van alle vlees dat op de vleesmarkt verkocht wordt, zonder gewetensvragen te stellen. 26 Immers, "De aarde en alles wat zij bevat is van de Heer." 27 Als een ongelovige je uitnodigt voor een maaltijd en je besluit ernaartoe te gaan, eet dan alles wat je wordt voorgezet, zonder gewetensvragen te stellen. 28 Maar als iemand tegen je zegt: "Dit vlees is aan afgoden gewijd", eet het dan niet, omwille van de persoon die je op de hoogte heeft gesteld en omwille van het geweten. 29 Ik bedoel niet jouw eigen geweten, maar dat van de ander. Want waarom zou ik mijn vrijheid laten beperken door het oordeel van andermans geweten? 30 Als ik dankbaar aan de maaltijd deelneem, waarom zou ik mij dan laten bekritiseren omwille van iets waarvoor ik God dank? 31 Of je dus eet en drinkt of iets anders doet, doe het alles tot eer van God. 32 Geef geen aanstoot – niet aan Joden, niet aan Grieken, en niet aan Gods kerk. 33 Trouwens, ik probeer ook iedereen in alles ter wille te zijn. Ik streef niet naar mijn eigen voordeel maar naar dat van de velen, opdat zij gered mogen worden.