1 I will sing of loving kindness and justice.
To you, Yahweh, I will sing praises.
2 I will be careful to live a blameless life.
When will you come to me?
I will walk within my house with a blameless heart.
3 I will set no vile thing before my eyes.
I hate the deeds of faithless men.
They will not cling to me.
4 A perverse heart will be far from me.
I will have nothing to do with evil.
5 I will silence whoever secretly slanders his neighbor.
I won’t tolerate one who is arrogant and conceited.
6 My eyes will be on the faithful of the land,
that they may dwell with me.
He who walks in a perfect way,
he will serve me.
7 He who practices deceit won’t dwell within my house.
He who speaks falsehood won’t be established before my eyes.
8 Morning by morning, I will destroy all the wicked of the land,
to cut off all the workers of iniquity from Yahweh’s city.
Domínio Público. Esta tradução bíblica de domínio público é trazida a você por cortesia de eBible.org.
1 Een psalm van David. Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; U zal ik psalmzingen, o HEERE!2 Ik zal verstandelijk handelen in den oprechten weg; wanneer zult Gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen, in oprechtigheid mijns harten.3 Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.4 Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.5 Die zijn naaste in het heimelijke achterklapt; dien zal ik verdelgen; die hoog van ogen is, en trots van hart, die zal ik niet vermogen.6 Mijn ogen zullen zijn op de getrouwen in het land, dat zij bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.7 Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.8 Allen morgen zal ik alle goddelozen des lands verdelgen, om uit de stad des HEEREN alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.