Publicidade

1 Coríntios 7

MRI2012

1 En dan nu over de zaken waarover jullie mij hebben geschreven. Het is inderdaad goed voor een mens om geen seks met een vrouw te hebben. 2 Maar om seksueel wangedrag te vermijden hoort elke man zijn eigen vrouw te hebben en elke vrouw haar eigen man. 3 De man moet zijn verplichting tegenover zijn vrouw vervullen, en omgekeerd ook de vrouw tegenover haar man. 4 De vrouw beschikt niet zelf over haar lichaam, maar haar man. En omgekeerd is het niet de man die over zijn lichaam beschikt, maar zijn vrouw. 5 Onthoud elkaar dit recht niet, tenzij met onderlinge toestemming en voor korte tijd, zodat jullie je aan het gebed kunnen wijden. Daarna behoren jullie weer bij elkaar te komen, om te vermijden dat Satan jullie in verleiding brengt door een gebrek aan zelfbeheersing. 6 Ik zeg dit om jullie tegemoet te komen. Het is geen bevel. 7 In feite zou ik willen dat iedereen was zoals ik. Ieder heeft echter zijn eigen gave van God gekregen, de een deze gave, de ander die.

8 Tot de ongehuwden en weduwen zeg ik dat het goed voor hen is als ze blijven zoals ik. 9 Maar als ze zich niet kunnen beheersen, kunnen ze beter trouwen, want het is beter om te trouwen dan in brand te staan.

10 Voor wie gehuwd is, heb ik het volgende bevel niet ik, maar de Heer: een vrouw mag niet van haar man scheiden. 11 Als ze echter toch scheidt, moet ze ongehuwd blijven of zich met haar man verzoenen. En een man mag niet van zijn vrouw scheiden.

12 Tegen de overigen zeg ik niet de Heer, maar ikzelf: als een christen een vrouw heeft die niet gelovig is en die ermee instemt bij hem te blijven, dan moet hij niet van haar scheiden. 13 En een vrouw die een ongelovige echtgenoot heeft die ermee instemt bij haar te blijven, moet niet van haar man scheiden. 14 De ongelovige man wordt namelijk, omwille van zijn gelovige vrouw, door God behandeld als iemand die bij Hem hoort en de ongelovige vrouw wordt, omwille van haar gelovige man, ook door God behandeld als iemand die bij Hem hoort. Anders zouden hun kinderen door God worden behandeld als kinderen van ongelovigen, maar nu worden ze door God behandeld als kinderen van mensen die bij Hem horen. 15 Indien de ongelovige huwelijkspartner echter wenst te scheiden, mag hij of zij van je scheiden en in dergelijke gevallen heb je als gelovige man of vrouw geen verplichtingen meer ten opzichte van die persoon. God heeft jullie geroepen om in vrede te leven. 16 Want als vrouw weet je niet of je man door jouw toedoen gered zal worden en als man weet je niet of je vrouw door jouw toedoen gered zal worden.

17 Verder moet ieder van ons het leven leiden dat de Heer je heeft toebedeeld, in de toestand waarin je door God bent geroepen. Dat is wat ik in alle kerkgemeenschappen voorschrijf. 18 Dus als iemand besneden was toen hij werd geroepen, hoeft hij het niet te laten verhelpen. En als iemand niet besneden was toen hij werd geroepen, hoeft hij zich niet te laten besnijden. 19 Besneden zijn is niet van belang en onbesneden zijn is ook niet van belang, maar wel dat we ons aan Gods geboden houden.

20 Laat iedereen blijven in de toestand waarin hij zich bevond toen hij werd geroepen. 21 Als je als slaaf bent geroepen, maak je daar dan niet druk over. Maar als je vrij kan komen, maak dan van die kans gebruik. 22 Want wie slaaf was toen de Heer hem riep om bij Hem te horen, is in Gods ogen een vrij mens. En wie vrij was toen hij werd geroepen, is slaaf van Christus. 23 Je bent duur gekocht; word dus geen slaaf van mensen. 24 Broeders en zusters, laat ieder dus voor God leven in de toestand waarin hij is geroepen.

25 Wat de ongehuwde jonge vrouwen betreft heb ik geen bevel van de Heer, maar ik geef mijn mening als iemand op wie je kan vertrouwen dankzij Gods genade. 26 Met het oog op de huidige nood denk ik dat het goed voor een mens is om ongehuwd te blijven. 27 Als je aan een vrouw beloofd hebt om met haar te trouwen, verbreek die belofte dan niet. Ben je niet getrouwd of verloofd? Ga dan niet op zoek naar een vrouw. 28 Maar als je wel trouwt, is dat geen zonde. En ook als een jonge vrouw trouwt, is dat geen zonde. Wie trouwt, zal echter wel moeilijkheden hebben in dit leven, en dat wil ik jullie besparen. 29 Maar ik zeg het volgende, broeders en zusters: er rest ons weinig tijd. Zij die een vrouw hebben, behoren vanaf nu te leven alsof ze er geen hebben. 30 Zij die bedroefd zijn, behoren te leven alsof ze niet bedroefd zijn. Zij die verheugd zijn, behoren te leven alsof ze niet verheugd zijn. Zij die iets kopen, behoren te leven alsof ze het niet kunnen houden. 31 Zij die omgaan met de dingen van de wereld, behoren te zorgen dat het hen niet volledig in beslag neemt, want de wereld in haar huidige vorm zal verdwijnen. 32 Ik zou willen dat jullie zonder zorgen kunnen leven. Een ongehuwde man houdt zich bezig met de dingen van de Heer, hoe hij de Heer blij kan maken. 33 Maar een gehuwde man houdt zich bezig met de dingen van de wereld, hoe hij zijn vrouw blij kan maken. 34 Hij wordt dus naar twee kanten getrokken. De ongehuwde vrouw en het jonge meisje houden zich bezig met de dingen van de Heer; ze willen met heel hun lichaam en geest aan Hem toegewijd zijn. Maar een getrouwde vrouw houdt zich bezig met de dingen van de wereld, hoe ze haar man blij kan maken. 35 Ik zeg dit voor jullie eigen bestwil; niet om jullie aan de ketting te leggen, maar opdat jullie een eerbaar leven kunnen leiden, in volkomen toewijding aan de Heer. 36 Als iemand echter denkt dat hij zich niet eerbaar gedraagt ten opzichte van zijn verloofde en hij moeite heeft om zijn verlangens in toom te houden, en als hij vindt dat hij met haar moet trouwen, laat hij dan doen wat hij wenst. Het is geen zonde, ze mogen trouwen. 37 Maar wie vastbesloten is, zichzelf in toom kan houden en zijn seksuele verlangens kan beheersen wie dus vastbesloten is om niet met zijn verloofde te trouwen doet daar goed aan. 38 Dus wie met zijn verloofde trouwt, doet daar goed aan en wie niet trouwt, doet nog beter. 39 Een vrouw is aan haar man gebonden zo lang hij leeft, maar als de man sterft, is ze vrij om te trouwen met wie ze wil, op voorwaarde dat die persoon christen is. 40 Naar mijn mening is ze echter gelukkiger als ze ongehuwd blijft, en ik denk dat ik ook Gods Geest heb.

He Pātai te Mārenatanga

1 , ngā mea i tuhituhi mai koutou. He mea pai anō te tangata kia kaua e ki te wahine. 2 Otiia, he whakaaro kei moepuku, kia rite te tāne he wahine māna ake, ā, te wahine he tāne māna ake. 3 Kia puta te whakaaro pai o te tāne ki te wahine, hei te mea e tika ana; me te wahine hoki ki te tāne. 4 Ehara te wahine i te rangatira o tōna tinana ake, engari, te tāne; me te tāne anō, ehara ia i te rangatira o tōna ake tinana, engari, te wahine. 5 Kaua e kaiponu tētahi i tētahi; hāunga ia ki te āta whakaritea tētahi , kia ātea ai kōrua ki te nohopuku, ki te īnoi, ka hoki ai anō ki a kōrua, kei ai kōrua hiahia taikaha hei whakawai Hātana i a kōrua.

6 Otirā, ko tēnei kōrero āku he mea whakaae noa, ehara i te tikanga whakatakoto. 7 Ko tāku ia i pai ai, kia pēnei ngā tāngata katoa i ahau nei. Otirā, e hōmai ana e te Atua te āhua mōna ki ia tangata, ki ia tangata, ki tētahi ko tēnei, ki tētahi ko tērā.

8 Ko tāku kupu ia tēnei ki ngā takakau, ki ngā wāhine pouaru, he mea pai rātou kia kāti tonu me ahau nei. 9 Otirā, ki te kore e taea e rāua te whakamanawanui, me mārena. He pai ake hoki te mārena i te kakā o te ngākau.

10 Ko tāku whakahau ia tēnei ki te hunga whai hoa, ehara i ahau, engari ko te Ariki, "Aua te wahine e mawehe i tāna tāne." 11 Engari, ki te mawehe ia, me noho hoakore, me hohou rānei te rongo ki tāna tāne. Kaua hoki te tāne e whakarere i tāna wahine.

12 Ki ērā atu ia ko tāku kupu tēnei, ehara i te Ariki. Ki te mea he wahine kore whakapono tētahi o ngā tēina, ā, ka whakaae taua wahine kia noho tahi rāua, kaua ia e whakarērea e ia. 13 Ā, ko te wahine, he tāne kore whakapono tāna, ā, ka whakaae kia noho tahi rāua, kaua ia e whakarere tāna tāne. 14 te mea e whakatapua ana te tāne whakapono kore e te wahine e whakatapua ana hoki te wahine e whakapono kore e te tāne. Me he kāhore, kua poke ā kōrua tamariki, tēnā ko tēnei, he tapu rātou.

15 Ki te mawehe ia te whakapono kore, māna e mawehe . E kore tētahi teina, tuahine rānei, e mau te here e ngā mea pēnā. Otirā, kua karangatia tātou e te Atua ki te rangimārie. 16 te aha koe e mōhio ai, e tai, ka ora rānei i a koe tāu tāne? Ā, koe rānei, e te tāne, te aha ka mōhio ai, ka ora i a koe tāu wahine?

Kia Pēnā Tāu Noho i te Atua i Whakahau ai

17 Heoi anake, kia rite ki te Atua tūwhanga ki tēnā, ki tēnā, ki tāna karangatanga hoki ki tēnā, ki tēnā, kia pērā tāna haere. , ko tāku whakatakoto tēnā i roto i ngā hāhi katoa. 18 He mea kokoti tētahi i tōna karangatanga? Kaua e whakakāhoretia tōna kotinga. He mea kokotikore tētahi i tōna karangatanga? Kaua ia e kotia. 19 He mea kore noa iho te kotinga, he mea kore noa iho anō te kotingakore, engari ia te pupuri i ā te Atua ture. 20 Kia mau ia tangata ki tōna karangatanga, i karangatia ai ia. 21 He pononga koe i tōu karangatanga? Kaua e mānukanuka. Otirā, ki te wātea he haerenga noatanga atu mōu, me pēnā. 22 Ko te tangata hoki he pononga i tōna karangatanga i roto i te Ariki, he tangata tuku noa ia te Ariki. Waihoki ko te tangata ehara nei i te pononga i tōna karangatanga, he pononga ia te Karaiti. 23 Kua oti koutou te hoko ki te utu; aua e meinga hei pononga koutou te tangata. 24 E ōku tēina, ko te mahi a tēnei, a tēnei, i tōna karangatanga kia mau ia ki tēnā me te whakaaro anō ki te Atua.

Ngā Take e ana ki ngā Takakau me ngā Pouaru

25 , ngā wāhina, kāhore a te Ariki tikanga ki ahau; tēnei ia tōku whakaaro, arā, te tangata i a ia nei te Ariki atawhai, i pono ai. 26 reira, ki tōku whakaaro he pai tēnei te whakararu a tēnei , arā, he pai kia kāti tonu te tangata i a ia nei. 27 Kua herea koe ki te wahine? Kaua e whai kia wetekia. Ka oti koe te wewete i te wahine? Kaua e whāia he wahine. 28 Otiia, ki te mārena koe, kāhore ōu hara; ā, ki te mārena te wāhina, kāhore ōna hara. Otiia, tērā e mai he whakararu i te kikokiko ki taua hunga pēnā; heoi, me āta hanga ahau ki a koutou.

29 Ko tāku kupu ia tēnei, e ōku tēina, e tūtata ana te . Heoi, ināianei tērā e rite te hunga whai wāhine ki te hunga kāhore nei a rātou; 30 me te hunga e tangi ana, ānō kāhore rātou i te tangi; me te hunga e hari ana, ānō kāhore rātou i te hari; me te hunga e hoko ana, ānō kāhore ā rātou taonga; 31 me te hunga i a rātou tēnei ao, ānō kāhore ā rātou ki te ao. E memeha haere ana hoki te āhua o tēnei ao.

32 Otiia, ko tāku mea tēnei kia kaua koutou e mānukanuka. Ko te takakau e mānukanuka ai ko ngā mea a te Ariki, me pēhea tāna whakamānawareka ki te Ariki. 33 Ko te tangata whai hoa ia, e mānukanuka ana ki ngā mea o te ao, me pēhea tāna whakamānawareka ki tāna wahine. 34 tērā anō te mea i rerekē ai te wahine whai hoa i te wāhina. Ko te wahine takakau, tāna e mānukanuka ai ko ngā mea a te Ariki, kia tapu tahi ai te tinana me te wairua. Ko te wahine whai hoa ia ka mānukanuka ki ngā mea o te ao, me pēhea tāna whakamānawareka ki tāna tāne.

35 Ko tēnei kōrero āku he mea kia hua ai he pai koutou anō; ehara i te mea kia māhangatia ai koutou, engari, te mea e haratau ana, kia ū ai koutou ki te Ariki, kāhore he mea hei rorona .

36 , ki te whakaaro tētahi tangata e ana tāna tikanga ki tāna wāhina, mehemea kua pahure tōna taiohinga, ā, heoi anō tikanga, māna e mea tāna e pai ai, kāhore ōna hara; me mārena rāua. 37 Ko te tangata ia e ū ana i tōna ngākau, ā, kāhore he mea hei akiaki i a ia, kei a ia ake anō te tikanga tāna e pai ai, ā, kua oti tēnei te whakatakoto e tōna ngākau, kia waiho tāna wāhina, kei te pai tāna mahi. 38 , he pai te mahi a te tangata e tuku ana kia mārenatia tāna wāhina; pai ake ia te mahi a te tangata kāhore e tuku kia mārenatia.

39 E herea ana te wahine e te ture i te mea e ora ana tāna tāne; ki te mate ia te tāne, kua wātea ia ki te mārena ki tāna e pai ai; otirā i roto i te Ariki. 40 Ki tōku whakaaro ia, nui atu tōna hari ki te kāti tonu ia. Ā, ki tāku mahara kei ahau anō hoki te Wairua o te Atua.

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-