Publicidade

Marcos 9

MRI2012

1 Jezus zei tegen hen: "Ik verzeker jullie, sommigen die hier staan zullen niet sterven voordat ze Gods koninkrijk op krachtige wijze hebben zien komen." 2 Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee een hoge berg op, waar ze alleen waren. Daar veranderde Hij voor hun ogen. 3 Zijn kleren werden stralend wit, zo wit als niemand op aarde ze kan maken. 4 Toen verschenen Elia en Mozes aan hen; ze waren met Jezus in gesprek. 5 Petrus onderbrak hen en zei tegen Jezus: "Rabbi, het is goed dat wij hier zijn. Laten we drie hutten bouwen: een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." 6 Hij wist niet hoe te reageren, want ze waren hevig geschrokken. 7 Toen kwam er een wolk die een schaduw over hen wierp. Vanuit de wolk klonk een stem: "Dit is mijn dierbare Zoon. Luister naar Hem!" 8 Plots, toen ze om zich heen keken, zagen ze niemand meer en was enkel Jezus nog bij hen. 9 Tijdens hun afdaling van de berg droeg Jezus hun op, aan niemand te vertellen wat ze hadden gezien zolang de Mensenzoon nog niet uit de dood was verrezen. 10 Ze hielden het gebeurde voor zich, maar onderling bespraken ze wel wat Hij bedoelde met "uit de dood verrijzen". 11 Ook vroegen ze Hem: "Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?" 12 Hij antwoordde: "Elia komt inderdaad eerst alles in orde maken. Waarom zou er dan over de Mensenzoon in de Schriften staan dat Hij veel moet lijden en slecht behandeld gaat worden? 13 Maar Ik zal jullie iets vertellen: Elia is reeds gekomen en ze hebben hem alles aangedaan wat ze wilden, zoals over hem in de Schriften staat."

14 Toen ze bij de andere leerlingen kwamen, zagen ze dat er een grote menigte om hen heen stond en er Schriftgeleerden met hen discussieerden. 15 Zodra alle mensen Jezus zagen, waren ze volkomen verrast en haastten ze zich naar Hem toe om Hem te begroeten. 16 Hij vroeg hun: "Waarover zijn jullie aan het discussiëren?" 17 Iemand uit de menigte antwoordde: "Leraar, ik kwam mijn zoon bij U brengen; hij heeft een geest in zich waardoor hij niet kan praten. 18 Overal waar deze hem overmant, gooit hij hem tegen de grond. Dan staat het schuim op zijn lippen, knarst hij met zijn tanden en verstijft hij. Ik heb uw leerlingen gevraagd om de geest uit te drijven, maar dat lukte hun niet." 19 Jezus antwoordde: "O, ongelovige mensen, hoelang zal Ik nog bij jullie zijn? Hoelang zal Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Mij." 20 Toen brachten ze de jongen bij Hem. Zodra de geest Jezus zag, zorgde hij dat de jongen begon te stuiptrekken. Hij viel op de grond en rolde heen en weer met het schuim op zijn lippen. 21 Jezus vroeg aan de vader: "Hoe lang gebeurt dit al met hem?" De vader zei: "Van kleins af aan. 22 De geest heeft hem zelfs vaak in het vuur of het water gegooid om hem om te brengen. Maar als U iets kan doen, help ons dan, heb medelijden met ons." 23 Jezus zei tegen hem: "Waarom zeg je: Als U iets kan doen? Voor wie gelooft is alles mogelijk." 24 De vader van het kind riep meteen uit: "Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp!" 25 Toen Jezus zag dat er veel mensen op hen afkwamen, beval Hij de onreine geest: "Jij doofstomme geest, Ik gebied je om uit hem weg te gaan en nooit weer in hem binnen te gaan." 26 Met veel stuiptrekkingen en geschreeuw ging de geest uit hem weg. De jongen bleef voor dood liggen. Veel mensen zeiden: "Hij is gestorven." 27 Maar Jezus nam hem bij de hand en hielp hem overeind. En hij stond op. 28 Nadat Jezus ergens naar binnen was gegaan en ze met Hem alleen waren, vroegen zijn leerlingen: "Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?" 29 Hij antwoordde: "Dit soort kan enkel worden uitgedreven door middel van gebed."

30 Ze vertrokken uit die plaats en reisden door Galilea, maar Hij wilde niet dat iemand dat wist. 31 Hij was namelijk zijn leerlingen aan het onderwijzen. Hij zei tegen hen: "De Mensenzoon zal aan de mensen worden uitgeleverd. Hij zal worden gedood en na drie dagen zal Hij verrijzen." 32 Maar ze begrepen deze uitspraak niet en durfden Hem niet om uitleg te vragen. 33 Toen ze in Kafarnaüm waren aangekomen en thuis waren, vroeg Hij hen: "Waarover waren jullie onderweg aan het discussiëren?" 34 Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg gediscussieerd over wie van hen de belangrijkste was. 35 Hij ging zitten, riep de Twaalf bij zich en zei: "Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allen zijn en iedereen dienen." 36 Hij nam een kind, zette het tussen hen in, sloeg zijn armen er omheen en zei: 37 "Wie een kind als dit in mijn naam verwelkomt, verwelkomt Mij; en wie Mij verwelkomt, verwelkomt niet Mij maar Degene die Mij heeft gezonden."

38 Johannes zei tegen Hem: "Leraar, wij zagen iemand in uw naam demonen uitdrijven en wij wilden het hem verbieden omdat hij niet bij ons hoort." 39 Jezus antwoordde: "Verbied het hem niet, want niemand kan in mijn naam een wonder doen en onmiddellijk daarna iets lelijks over Mij zeggen. 40 Want wie niet tegen ons is, is voor ons. 41 Ik verzeker jullie, wie in mijn naam een beker water aan jullie geeft, zal zijn beloning zeker niet mislopen. 42 En wie een van deze eenvoudige mensen die in Mij geloven tot zonde aanzet, zou beter af zijn als men een zware molensteen om zijn nek zou hangen en hem in zee zou gooien. 43 En als je hand jou tot zonde aanzet, hak haar dan maar af. Je kan beter verminkt het leven binnengaan dan met twee handen in de hel terechtkomen, in het onuitblusbare vuur. 45 En als je voet jou tot zonde aanzet, hak hem dan maar af. Je kan beter gehandicapt het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de hel worden gegooid. 47 En als je oog jou tot zonde aanzet, haal het dan maar weg. Je kan beter met één oog Gods koninkrijk binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de hel worden gegooid, 48 waar de wormen die aan hen vreten nooit doodgaan en het vuur niet wordt gedoofd. 49 Want iedereen zal met vuur worden gezouten. 50 Zout is goed, maar als het zout smaakloos wordt, hoe kan je het dan zouten? Zorg dat er zout in jullie zit en bewaar de vrede met elkaar."

1 I mea anō ia ki a rātou, "He pono tāku e mea nei ki a koutou, tēnei anō ētahi o te hunga e nei, e kore e pāngia e te mate, kia kite anō i te rangatiratanga o te Atua e haere mai ana i runga i te kaha."

Te Whakaahua Kētanga

2 Ā, ka pahure ngā e ono, ka mau a Īhu ki a Pita, ki a Hēmi, ki a Hoani, , kawea ana rātou e ia ki runga ki tētahi maunga tiketike, ko rātou anake. Ā, ka puta tōna āhua i rātou aroaro. 3 , kanapa tonu ōna kākahu, tonu me te hukarere; e kore e taea e te kaihoroi i runga i te whenua te mea kia pērā te . 4 , ka puta mai ki a rātou a Irāia rāua ko Mohi; e kōrerorero ana rāua ki a Īhu.

5 , ka oho a Pita, ka mea ki a Īhu, "E te Kaiwhakaako, he mea pai kia noho tātou ki konei; , kia hangā e mātou ētahi wharau kia toru; kia kotahi mōu, kia kotahi Mohi, kia kotahi Irāia." 6 Kāhore hoki ia i mātau ki tāna e kōrero ai; i wehi hoki rātou.

7 , ko tētahi kapua e taumarumaru ana ki runga ki a rātou; ā, ka puta he reo i te kapua, e mea ana, "Ko tāku Tama tēnei i aroha ai; whakarongo ki a ia."

8 Ā, titiro rawa ake rātou ki tētahi taha, ki tētahi taha kāhore ā rātou tāngata i kite ai, ko rātou anake, ko Īhu.

9 Ā, i a rātou e heke iho ana i te maunga, ka whakatūpato ia i a rātou kia kaua e kōrerotia ki te tangata ā rātou i kite ai, kia ara anō te Tama a te tangata i te hunga mate. 10 Ā, i puritia taua kupu e rātou, ka uiui ki a rātou anō, he aha te aranga ake i te hunga mate.

11 Ā, ka ui rātou ki a ia, ka mea, "He aha ngā karaipi ka mea ai, ko Irāia kia mātua puta mai?"

12 , ka whakahoki ia, ka mea ki a rātou, "E puta ana anō a Irāia i mua ki te whakatika i ngā mea katoa. Kua oti anō te tuhituhi te Tama a te tangata, kia maha ōna mamae, kia whakakāhoretia. 13 Ko tāku kupu ia tēnei ki a koutou, Kua tae mai anō a Irāia, heoi, meatia ana e rātou ki a ia rātou i pai ai, ngā mea hoki i tuhituhia mōna."

Ka Whakaorangia e Īhu he Tama he Wairua Poke Tōna

14 Ā, rātou taenga ki ngā ākonga, ka kite rātou he rahi te hui e karapoti ana i a rātou, me ngā karaipi e totohe ana ki a rātou. 15 Ā, kite kau te mano katoa i a ia, ka mīharo, ā, oma ana, oha ana ki a ia.

16 , ka ui ia ki a rātou, "He aha koutou e totohe ki a rātou?"

17 , ka whakahoki tētahi i roto i te mano, ka mea, "E te Kaiwhakaako, i kawea mai e ahau tāku tama ki a koe, he wairua reokore tōna. 18 Ā, i ngā wāhi e hopu ai te wairua i a ia, ka tāia iho. Tutū ana te huka, tetēā ana ōna niho, ā, pakoko haere ana: i mea anō ahau ki āu ākonga kia peia ia ki waho; heoi, kīhai i taea e rātou."

19 , ko tāna whakahokinga ki a ia, ka mea, "E te uri whakapono kore, kia pēhea te roa o tōku noho ki a koutou? Kia pēhea te roa o tāku manawanui ki a koutou? Kawea mai ki ahau."

20 , kawea ana mai ia ki a ia. Ā, i tōna kitenga i a ia, , haea tonutia iho ia e te wairua; ā, hinga ana ia ki te whenua, ka oke, ka huka.

21 , ka ui ia ki tōna matua, "Ka pēhea te roa o te mea nei ki ia?" Ka mea ia, "te tamarikitanga. 22 He maha āna turakanga i a ia ki te kāpura, ki te wai, kia ngaro ai: otirā ki te taea e koe te aha rānei, arohaina māua, kia puta tōu whakaaro ki a māua."

23 Ka mea a Īhu ki a ia, "Ki te taea e koe te whakapono, ka taea ngā mea katoa e te tangata whakapono."

24 , karanga tonu mai te matua o te tama, ka mea, "E whakapono ana ahau, e te Ariki; kia puta tōu whakaaro ki tōku whakapono kore."

25 Ā, te kitenga o Īhu i te mano e oma mai ana, ka rīria e ia te wairua poke, ka mea ki a ia, "E te wairua reokore, turi, ko tāku tēnei ki a koe, Puta mai i roto i a ia, kaua anō e tomo ki roto ki a ia ā muri ake nei."

26 , hāmama ana tērā, haehae noa iho ana i a ia, ā, puta ana mai ki waho; ka pērā taua tangata me te tūpāpaku, ā, he tokomaha i mea, "Kua mate." 27 Otirā, ka mau a Īhu ki tōna ringa, ka whakaara i a ia, ā, ka whakatika ia.

28 Ā, i a ia ka tomo ki te whare, ka ui puku āna ākonga ki a ia, "He aha mātou āhei ai te pei i a ia ki waho?"

29 Anō , ko ia ki a rātou, "E kore e puta noa te pēnā, te īnoi anake, te nohopuku."

Ka Kōrero anō a Īhu Tōna Matenga

30 , ka hāpainga e rātou i reira, ā, haere ana waenganui o Karirī; kīhai hoki ia i pai kia rangona e tētahi. 31 Ko tāna hoki i whakaako ai ki āna ākonga, i mea ai ki a rātou, "Ka tukua te Tama a te tangata ki ngā ringa o ngā tāngata, ā, rātou ia e whakamate; ā, ka oti ia te whakamate, ka ara ake i te toru o ngā ."

32 , kīhai rātou i mātau ki taua kupu, ka mataku hoki ki te ui ki a ia.

Ko Wai te Tino Nui Rawa?

33 , ka tae rātou ki Kaperenauma; ā, i a ia i roto i te whare, ka ui ia ki a rātou, "He aha koutou i kōrerorero ai ki a koutou i te ara?" 34 Otiia, kīhai rātou i kīkī; ko rātou hoki i kōrerorero ai ki a rātou i te ara, ko wai te mea nui rawa.

35 , ka noho ia, ka karanga i te tekau rua, ka mea ki a rātou, "Ki te whai tētahi kia whiti ko ia hei mua, ka waiho ia hei muri i te katoa, hei kaimahi te katoa."

36 , ka mau ia ki tētahi tamaiti nohinohi, ā, whakatūria ana ki waenganui i a rātou; , ka okooko i a ia, ka mea ki a rātou, 37 "Ki te manako tētahi ki tētahi o ngā tamariki pēnei, he whakaaro ki tōku ingoa, e manako ana ia ki ahau; ki manako hoki tētahi ki ahau, ehara i ahau tāna i manako ai, engari ko tōku kaitono mai."

Ko Ia ehara i te Hoa Whawhai, Tātou Ia

38 , ka mea a Hoani ki ia, "E te Kaiwhakaako, i kite mātou i tētahi e pei rēwera ana i runga i tōu ingoa. , rīria iho e mātou, kāhore hoki ia e haere tahi me tātou."

39 , ka mea a Īhu, "Kaua ia e rīria ki te mea hoki nōku te ingoa e mahi merekara ai tētahi, e kore e hohoro tāna kōrero kino mōku. 40 Ko ia hoki ehara i te hoariri ki a tātou, tātou ia. 41 Ki te whakainumia koutou e tētahi ki te kapu wai, he whakaaro ki tōku ingoa, te mea te Karaiti koutou, he pono tāku e mea nei ki a koutou, e kore ia e hapa i tōna utu."

Ngā Whakawai kia Hara

42 ", ki te mea tētahi kia tētahi o ēnei mea nonohi e whakapono nei ki ahau, he pai ki a ia me i whakairia tētahi kōhatu mira ki tōna kakī, ā, ka makā ia ki te moana. 43 , ki te koe i tōu ringa, pōutoa; pai hoki mōu te tomo mutu ki te ora i te makā ringaruatia ki Kehena, ki te kāpura e kore e tineia. 44 Ki te wāhi e kore ai e mate rātou kutukutu, ki te kāpura e kore e tineia. 45 Ki te anō koe i tōu waewae, pōutoa; pai hoki mōu te tomo kopa ki te ora i te makā waewaeruatia ki Kehena, 46 Ki te wāhi e kore ai e mate rātou kutukutu, ki te kāpura e kore e tineia. 47 Ā, ki te koe i tōu kanohi, makā atu; pai hoki mōu te tomo kanohi tahi ki te rangatiratanga o te Atua i te makā kanohiruatia ki Kehena, 48 ki te wāhi e kore ai e mate rātou kutukutu, ki te kāpura e kore e tineia.

49 "te mea ka totea ngā tāngata katoa ki te kāpura.

50 "He pai te tote; otirā, ki te pirau te tote, te aha e whai tikanga tote ai? Kia whai tote i roto i a koutou, kia mau hoki te rongo a tētahi ki tētahi."

Veja também

Bíblia Online Bíblia Online

Bíblia Online • Versão: 2026-07-05_12-11-46-